Direct naar content
Artikel 1
Artikel

Nederland gaat nieuwe fase coronacrisis in: hoe staat het met mensenrechten?

Sinds 1 juni gelden soepelere maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan en kunnen Nederlanders weer een terrasje pakken of een museum bezoeken. Aan het begin van de crisis, stelde Art1./RADAR-onderzoeker Arwen Hoogenbosch een overzicht samen met de zorgen die er leefden over de mate waarin verschillende groepen mensen getroffen werden door het virus en de hiermee gepaard gaande maatregelen. Inmiddels zijn we in een nieuwe fase beland. Wat zijn de huidige ontwikkelingen en welke zorgen leven er als het gaat om mensenrechten in Nederland en mensen in kwetsbare posities tijdens deze corona-crisis? 

Discriminatie en racisme

Demonstraties tegen racisme

Naar aanleiding van de dood van George Floyd in de Verenigde Staten, vonden in de eerste week van juni overal in het land demonstraties plaats tegen racisme en racistisch politiegeweld. In groten getale kwamen mensen bijeen om op vreedzame wijze hun stem te laten horen tegen discriminatie en racisme. In Amsterdam kreeg burgemeester Halsema veel kritiek uit het land vanwege het grote aantal mensen dat bijeenkwam op de Dam, waardoor de corona-maatregel om anderhalve meter afstand te houden, niet bleef gewaarborgd. 

In Rotterdam besloot burgermeester Aboutaleb de demonstratie voor het einde te staken omdat er te veel mensen te dicht bij elkaar stonden. Veel Nederlanders hebben aangegeven graag een verbod te zien op grootschalige demonstraties. Kick-Out Zwarte Piet, een van de organisatoren van de demonstratie in Amsterdam, had graag dezelfde verontwaardiging gezien over racisme als over de demonstratie tegen racisme. Ook journalisten plaatsten kanttekeningen bij  het achterwege blijven van een discussie over de inhoud van de demonstratie en in opiniestukken werd betoogd dat de kritiek op de vorm van de demonstratie een ‘afleidingsmanoeuvre’ is. RADAR heeft laten weten het een goede zaak te vinden dat in meerdere Nederlandse steden gedemonstreerd wordt tegen racisme in de VS en in Nederland. 

Gelijke behandeling bij verbod op samenkomst

Na de uitbraak van COVID-19 gold tot 1 juni een beperking op samenkomsten in de openbare ruimte.De regelgeving daaromtrent bleek in meerdere opzichten complex en onduidelijk. Een toevallige ontmoeting van drie of meer personen was niet verboden, mits ze anderhalve meter afstand houden, maar een afspraak met drie mensen in de openbare ruimte gold als (verboden) samenkomst. Daarbij bleek ook een verschil te bestaan tussen veiligheidsregio’s waar het ging om de coulance waarmee handhavers optraden. Door de variatie en interpretatieruimte in de regelgeving was het uiteindelijk aan politieagenten en boa’s om de regels te handhaven en te beoordelen of sprake was van een (niet toegestane) samenkomst, waarop een waarschuwing of boete volgde. Een lastige taak, constateerde de Nederlandse BOA Bond (NBB) en de Nederlandse Politiebond (NPB), dieonderstreepten dat het ontbreken van duidelijke richtlijnen tot problemen kan leiden bij de handhaving. 

Uit onderzoek naar de invloed van vooroordelen op handhaving in ‘gewone’ tijden weten we dat de discretionaire ruimte van handhavers, geaccentueerd door onduidelijke regelgeving, leidt tot structurele ongelijkheid in de handhaving, zowel kwantitatief (bijvoorbeeld frequentie van controles) als kwalitatief (bijvoorbeeld geweldgebruik). Handhaving vanuit ‘professioneel instinct’ of ‘intuïtie’ blijkt, in de afwezigheid van een helder handelingskader, in de praktijk vaak sterk beïnvloed door impliciete vooroordelen en verwachtingen (zie bijv. Landman en Kleijer-Kool 2016Van der Woude en Rodrigues 2016Spoelstra 2014). Aanwijzingen dat ongelijkheid in de handhaving van maatregelen zich daadwerkelijk voordoet vinden we in meldingen bij de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s). Melders rapporteerden onder meer dat mensen met een donkere huidskleur wel en witte mensen niet aangesproken of beboet werden. 

Meldingen van discriminatie

Uit een analyse van 139 meldingen bij antidiscriminatievoorzieningen kwam naar voren gekomen dat de coronacrisis heeft geleid tot discriminatie en uitsluiting. In de meeste meldingen was de discriminatie gericht tegen mensen met een Oost-Aziatisch uiterlijk. Uitschelden op straat, niet geholpen worden in een winkel, racistische leuzen op de muren van een studentenflat, zijn enkele voorbeelden van meldingen, maar ook bedreigingen en fysiek geweld kwamen voor. De impact hiervan was groot. Verschillende melders hebben aangegeven zich niet meer veilig te voelen op straat. Daarnaast zijn er meldingen die gaan over ongelijke behandeling in de handhaving van het samenscholingsverbod (zie hierboven in het item over het samenscholingsverbod). Ten slotte hebben mensen discriminatie ervaren in de toegang tot winkels, bijvoorbeeld doordat kinderen niet welkom waren, uitsluitend met pin kon worden betaald of omdat mensen vanwege hun beperking geen winkelwagentje konden gebruiken. 

Discriminatie.nl, de landelijke vereniging van antidiscriminatievoorzieningen, heeft haar zorgen uitgesproken. “Het is een mensenrecht om niet gediscrimineerd te worden, ook in tijden van crisis”, zei voorzitter Frederique Janss.

Uitspraak rondom ‘coronalied’

Het Openbaar Ministerie heeft geoordeeld dat de radio-dj van de zender Radio 10 niet zal worden vervolgd vanwege het ‘coronalied’ dat op 6 februari van dit jaar werd uitgezonden. Het OM is van oordeel dat het lied niet strafbaar is omdat het volgens het OM past binnen de context van de artistieke expressie en niet onnodig grievend is. RADAR ontving meer dan 800 klachten over het lied. 

Mondkapjes en het verbod op gezichtsbedekkende kleding

Sinds 1 augustus 2019 geldt in Nederland het verbod op gezichtsbedekkende kleding in onderwijs- en zorginstellingen, in het openbaar vervoer en in overheidsgebouwen. Dit verbod wordt gezien als regelgeving die in strijd is met internationale mensenrechten. Hierin is namelijk vastgelegd dat eenieder het recht heeft om zijn of haar geloof, persoonlijke overtuiging of identiteit uit te drukken door te kiezen hoe hij of zij zich kleedt. Nog geen jaar na het verbod, worden reizigers in het openbaar vervoer verplicht om een gezichtsbedekkend mondkapje te dragen. Deze verplichting staat op gespannen voet met het verbod, stelt Herman Bröring, hoogleraar bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen in Trouw. Bröring stelt dat de verplichting om een mondkapje te dragen laat zien dat het verbod op gezichtsbedekkende kleding juridisch onhoudbaar is en voorkomt uit symboolpolitiek. 

Mensen met een auditieve beperking en mondkapjes

Al maanden is Irma als tolk Nederlandse Gebarentaal aanwezig bij belangrijke persconferenties rondom de uitbraak van het coronavirus. Irma kreeg er veel fans bij door haar gebaar voor hamsteren. De Tweede Kamer diende zelfs een motie in zodat publieke en commerciële media zich voortaan moeten inspannen om crisiscommunicatie toegankelijk te maken voor mensen met een auditieve of visuele beperking. Toch voelen veel mensen met een auditieve beperking zich buitengesloten nu mondkapjes steeds meer gebruikt worden en soms zelfs verplicht zijn. Doordat mondkapjes het onmogelijk maken om te liplezen, worden dove en slechthorende mensen uitgesloten van veel communicatiemogelijkheden. Mimiek en liplezen zijn namelijk cruciaal voor hen. De roepom transparante mondkapjes wordt hierdoor steeds groter. 

Werk en inkomen

Onderzoek naar maatschappelijke gevolgen corona

Verschillende onderzoekers stellen dat mensen met de zwakste positie op de arbeidsmarkt het hardst getroffen worden door de coronacrisis. De werkgroep Sociale Impact voor Kwetsbare Groepen, Denktank Coronacrisis en de planbureaus wijzen het kabinet dan ook op het belang van het beschermen van kwetsbare groepen en sectoren in onze samenleving. Ze benoemen de kwetsbaarheid van zzp-ers en van werknemers zonder vaste aanstelling alsook werkenden in sectoren die door corona in moeilijkheden zijn gekomen en waar herstel voorlopig niet te verwachten valt. 

Jongeren, mensen met een migratieachtergrond en vrouwen op de arbeidsmarkt

Jongeren en mensen met een migratieachtergrond hebben vaker een kwetsbare arbeidspositie en werken bovendien vaak in beroepen die hard getroffen zijn door de maatregelen om corona tegen te gaan. Daarnaast ervaren zij vaker discriminatie tijdens het werving-en-selectieproces en zien zij hun kansen op een nieuwe baan slinken. 

Ook vrouwen dreigen eerder de dupe te worden van de ontslaggolf door het cororavirus, in vergelijking tot mannen, stelt Belle Derks, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en specialist op het gebied van ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat van de 44 miljoen mensen die wereldwijd waarschijnlijk hun baan kwijt zullen raken, 13 miljoen man is en 31 miljoen vrouw. In een crisis herleven oude rolpatronen. Het CPB berekende dat vrouwen minder zijn gaan werken tijdens de crisis doordat zij een baan hadden in de sectoren waar de hardste klappen vallen. 

Situatie van sekswerkers

Sinds 11 mei is de uitoefening van de meeste contactberoepen weer mogelijk. Sauna’s en sportscholen mogen naar alle waarschijnlijkheid vanaf 1 juli hun deuren openen. Alleen sekswerk is nog steeds uitgesloten tot 1 september 2020. Dat terwijl sekswerkers niet of nauwelijks compensatie krijgen voor de misgelopen inkomsten tijdens de coronacrisis, waardoor veel van hen gedwongen zijn om illegaal door te werken vanuit huis. Niet alleen lopen sekswerkers hierdoor een vergoot risico op onveilige werksituaties, ook riskeren zij een fikse boete.  Alleen al in de provincie Limburg werden er 15 boetes uitgedeeld aan sekswerkers die werkten tijdens het verbod. Sekswerkers in Amsterdam vinden dat er met twee maten gemeten wordt en dienden tevergeefs een protocol in om eerder te mogen starten. 

Huishoudelijk werkers

Verschillende organisaties die zich inzetten voor de rechten van vrouwen, roepen op om huishoudelijk werkers niet te vergeten. Huishoudelijk werkers zijn veelal vrouw (95%) en hebben vaak een slechte arbeidspositie. In deze coronacrisis verliezen zij vaak inkomsten doordat zij worden afgezegd. Ze hebben vaak een beperkt sociaal vangnet en  er zijn geen financiële steunregelingen waarop ze een beroep kunnen doen.  

Arbeidsmigranten

In Nederland werken zo’n 12.000 mensen in de vleesverwerkende industrie. Het merendeel van deze mensen (ongeveer 80%) is arbeidsmigrant. De uitbraak van corona in verschillende slachthuizen heeft de aandacht gevestigd op de werk- en woonsituatie van deze mensen. NRC interviewde zeven Roemeense arbeidsmigranten die in een slachthuis werken. Ze kwamen naar Nederland met beloften over hoge salarissen en goede huisvesting. Eenmaal in Nederland tekenden ze contracten in de Nederlandse taal, die ze niet begrepen en moesten ze meer uren in de slachthuizen werken dan waarvoor ze betaald kregen. De uitzendbureaus waar arbeidsmigranten voor werken, verzorgen ook de huisvesting. De vaak krappe huisvesting van deze arbeidsmigranten maakt het  onmogelijk om afstand te houden. Kamers en voorzieningen worden met veel anderen gedeeld, waardoor de kans op verspreiding van het corona-virus toeneemt. FNV maakt zich al lange tijd zorgen om de situatie van arbeidsmigranten en pleit voor een scheiding tussen ‘bad’ en ‘brood’. 

Gezondheid en zorg

Sterfte onder ouderen in verzorgings- en verpleeghuizen

Het is niemand ontgaan dat veel mensen in verzorging- en verpleeghuizen zijn overleden aan de gevolgen van COVID-19. NRC reconstrueerde de gang van zaken en onderzocht hoe het mogelijk was dat zoveel bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen besmet konden raken. De conclusie luidt dat het risico voor mensen in verpleeghuizen onvoldoende werd onderkend, het testbeleid te beperkt was en het personeel onvoldoende beschermingsmiddelen kreeg. 

Medio mei publiceerde het CBS cijfers over oversterfte in de eerste zes weken (9 maart – 19 april) van de COVID-19-epidemie. Uit de cijfers blijkt dat de relatieve oversterfte hoger was bij mensen met een migratieachtergrond (mensen van wie de ouders buiten Nederland geboren zijn) dan bij mensen zonder migratieachtergrond. 14% van alle overlijdensgevallen in de weken 11 tot en met 16 betrof mensen met een migratieachtergrond.

Transgenderzorg

Al voor de coronacrisis uitbrak, kampte transgenderzorg met lange wachtlijsten. Door de coronacrisis heeft alle zorg stilgestaan, waaronder ook geslachtsbevestigende operaties, groepsconsulten en nieuwe psychologische en hormonale trajecten. De wachtlijsten lopen hierdoor nog meer op. Bovendien werden er tijdens de crisis geen deskundigenverklaringen afgegeven, die nodig zijn om het  geslacht op het paspoort te wijzigen. Dit alles heeft veel emotionele impact voor transgender personen in hun transitieproces. Transvisie werkt mee aan een internationaal onderzoek naar de invloed van de coronacrisis op de transgenderzorg en gezondheid. Transgender personen worden opgeroepen om een enquête in te vullen.

De stem van ouderen

Het coronabeleid is tot nu toe voor een groot deel bepaald door experts. Hierin ontbreekt echter het perspectief van de kwetsbare mensen en oudere burgers. Dat stelt Tineke Abma, directeur van Leyden Academy on Vitality and Ageing en hoogleraar Participatie & Diversiteit aan Amsterdam UMC.Stichting Leyden Academy on Vitality and Ageing en GetOud creëerden een verhalenplatform,“Wij & corona”, om ouderen een stem te geven. Op deze website vertellen ouderen hoe ze deze tijd ervaren: waar maken ze zich zorgen over, wat geeft ze hoop en troost, hoe brengen ze hun dagen door?

Jongeren en onderwijs

Basisonderwijs

Het SCP stelt dat de maatregelen in het basisonderwijs (grote) gevolgen hebben voor alle betrokkenen: leerkrachten, ouders en leerlingen. Vooral kinderen uit kwetsbare groepen (leerlingen met een migratieachtergrond, met ouders met een lagere opleiding of met een lager huishoudenskomen) lopen mogelijk leerachterstanden, sociale achterstanden en een kleinere kans op passende doorstroming naar vervolgonderwijs op. Bij ouders neemt de draagkracht mogelijk af, terwijl de draaglast toeneemt, terwijl leerkrachten (nog) meer werkdruk ervaren.

Het Lerarencollectief, een beroepsvereniging voor leraren, deed in de eerste week na de heropening een eerste snelle peiling onder leerkrachten naar mogelijke achterstanden. De uitkomst is dat van de ruim 3.000 leraren die reageerden, zo’n 500 leerkrachten een achterstand zagen bij sommige leerlingen in hun groep. Bijna 800 leraren zagen geen enkele achterstand en de rest vond het nog te vroeg om hier iets zinnigs over te zeggen. Nog niet duidelijk is hoe het gaat met de kinderen die in de eerste weken nog niet naar school zijn gekomen. Dit zijn naar schatting 55.000 kinderen,blijkt uit een peiling onder 1100 schooldirecteuren van de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS). Uit de peiling komt naar voren dat bij veel scholen een enkele leerling ontbreekt, maar bij 8 procent van de scholen gaat het om meer dan 10 procent van het totaal aantal kinderen. De achterstanden die worden geconstateerd, lijken vooral te zitten bij leerlingen waar leraren en onderwijsdeskundigen zich van tevoren al zorgen over maakten: de kinderen uit kwetsbare gezinnen waarvan de ouders minder goed in staat zijn om te helpen bij het schoolwerk.

Voortgezet onderwijs

Het SCP stelt dat de sluiting van de middelbare scholen mogelijk tot gevolg heeft dat er minder wordt geleerd. Dit negatieve effect lijkt sterker voor leerlingen uit sociaaleconomisch kwetsbare gezinnen. Voor hen kan daardoor een ‘stapeling’ van achterstanden ontstaan, doordat zij vaker op een lager onderwijsniveau vanuit het basisonderwijs instromen dan kinderen van hogeropgeleide ouders. 

Uit een onderzoek van De Volkskrant blijkt dat een derde van de middelbare scholen voor dit jaar het zittenblijven van leerlingen met achtergebleven leerprestaties afschaft. Redenen hiervoor zijn om geen extra druk op leerlingen te leggen met toetsen in de laatste weken voor de zomervakantie en omdat het niet eerlijk is naar leerlingen die vanwege hun thuissituatie niet goed hebben kunnen meedoen aan de digitale lessen. 

Middelbaar beroepsonderwijs

Het SCP stelt dat alle mbo-studenten worden getroffen door de sluiting. Digitaal aanbod is voor het mbo-onderwijs niet altijd mogelijk. De mate waarin mbo-studenten gehinderd worden door de maatregel verschilt naar achtergrond en thuissituatie van de student. De meest kwetsbare studenten zijn jongeren die zonder diploma van een vooropleiding op het mbo komen: dat zijn ruim 16.000 studenten. Degenen die minder goed meekomen zijn oververtegenwoordigd in de lagere niveaus, waarbij studenten met lager opgeleide ouders en studenten met een migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn. Vooral deze groepen zijn gebaat bij direct contact, directe ondersteuning en uitleg; iets wat in de huidige situatie niet mogelijk is.