Adviezen
Factsheets
Pers
Agenda
Wie is Wie

Links


Pers

       

Verklaring MDI 'Deense cartoons'


PERSBERICHT
Rotterdam, 3 februari 2006

Verklaring MDI 'Deense cartoons' - Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) heeft meerdere klachten ontvangen over de website www.geertwilders.nl waarop spotprenten over de islamitische profeet Mohammed worden afgebeeld. De spotprenten die al in september in de Deense krant Jyllands Posten werden gepubliceerd hebben recent tot internationale ophef geleid.

Het MDI heeft de 'Deense cartoons' zoals deze op de website www.geertwilders.nl zijn geplaatst onderzocht op mogelijke strijdigheid met de antidiscriminatie-artikelen uit het Wetboek van Strafrecht (artikel 137c tot en met 137g Wetboek van Strafrecht). Volgens vaste jurisprudentie komt in Nederland aan cartoonisten een grote vrijheid toe om hun persoonlijke mening te geven over gebeurtenissen of personen, waarbij stijlmiddelen als overdrijven, chargeren en bewust eenzijdig belichten geoorloofd zijn. Cartoonisten mogen zich stellig uitdrukken en desgewenst scheldwoorden bezigen. De cartoon wordt erkend als een journalistiek genre waar meer mag dan in andere journalistieke genres. De vrijheid van cartoonisten is echter niet onbeperkt. De grenzen mogen voor hen dan nogal wat ruimer zijn getrokken, ook voor cartoonisten geldt uiteindelijk dat zij niet de grenzen mogen overschrijden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. De vraag is of met de cartoons deze grenzen worden overschreden. Het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg heeft in de lijn uitgezet dat in het publieke debat uitspraken kunnen worden gedaan die 'schokken, aanstoot geven, of verontrusten'. Bepalend voor strafbaarheid is wat in een agressief maatschappelijk debat nog kan. De grens wordt overschreden als er aangezet wordt tot fysiek geweld tegen concrete personen. De spotprenten kunnen door moslims als kwetsend worden aangemerkt in verband met hun godsdienst. Afbeeldingen van de profeet Mohammed zijn volgens de Islam godslasterlijk. Het MDI is echter van mening dat van belediging in strafrechtelijke zin geen sprake is. De cartoons richten zich tegen de profeet Mohammed en niet tegen moslims als bevolkingsgroep, een van de bestandsdelen van artikel 137c. Het enkele feit dat afbeeldingen van de profeet volgens de Islam godslasterlijk zijn, is in een democratische samenleving waarin ook de rechten en vrijheden van niet-gelovigen tot uitdrukking komen, onvoldoende om de afbeeldingen te kunnen verbieden. De omstandigheid dat de afbeeldingen van de profeet worden gebruikt in de context van een actueel maatschappelijk debat waarin een verband wordt gesuggereerd tussen Islam en terrorisme maakt dit niet anders. De spotprenten zijn te weinig concreet om erin te lezen dat de intentie van de cartoonist erop gericht is op te roepen tot fysiek geweld. 

Los van de vraag of de cartoons al dan niet mogelijk strafbaar zijn, kun je je afvragen of het verstandig en wenselijk is om deze cartoons te plaatsen, onder het mom van 'de Deense cartoonisten een hart onder de riem te steken'. Het MDI vindt het onverstandig om de verhoudingen in Nederland op deze wijze nog meer op scherp te zetten. Wat wordt hiermee bereikt? Welk belang wordt ermee gediend om een grote in Nederland woonachtige bevolkingsgroep te kwetsen? Is dit wat men noemt het aangaan van de dialoog? Of hoopt men hiermee weer wat publiciteit te genereren? Hoe het ook zij, dat het 'mag' betekent niet dat het noodzakelijkerwijs 'hoeft'. De kwestie heeft al tot genoeg ophef geleid onder zowel moslims als niet moslims, zonder dat de leider van een politieke partij, wiens visie op de Islam reeds landelijke bekendheid geniet, er nog eens een schepje bovenop doet. Het MDI heeft niets tegen de vrijheid van meningsuiting, slechts tegen de uitwassen van de vrijheid van meningsuiting. 

Het MDI is van mening dat de cartoons niet strafbaar zijn en zal dan ook geen stappen ondernemen. Het is echter uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of deze cartoons de grenzen van het aanvaardbare overschrijden. Het staat uiteraard eenieder vrij om gebruik te maken van de middelen die de Nederlandse rechtstaat biedt om deze kwestie bij de rechter aan te kaarten.