Adviezen
Factsheets
Pers
Agenda
Wie is Wie
Links


Factsheets

       
Rapportage minderheden 2003. Onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie

Persbericht Sociaal en Cultureel Planbureau, uitgekomen op donderdag 23 oktober 2003


Maatschappelijke positie minderheden verbetert geleidelijk

Demografie 

  • In 2000 kwamen 45.000 niet-westerse allochtonen méér ons land binnen dan er vertrokken. In 2002 was dit vestigingsoverschot gedaald tot 35.000. Ondanks deze daling blijft het aandeel van de etnische minderheden in onze bevolking nog toenemen. In de grote steden bestaat ongeveer een derde van de bevolking uit niet-westerse allochtonen. Onder jongeren in de grote steden vormt deze groep inmiddels de meerderheid.

Beeldvorming 

  • Van de verschillende etnische minderheden zegt 70 à 80% het fijn om in Nederland te wonen.

  • Een meerderheid van de autochtonen vindt dat Nederland te veel allochtonen telt, bijna de helft van de allochtonen is diezelfde mening toegedaan.

  • Allochtonen worden naar eigen zeggen niet vaak met discriminatie geconfronteerd. Tussen de 5 en 8% zegt persoonlijk veelvuldig op discriminatie te stuiten.

Arbeidsmarkt 

  • De arbeidsparticipatie van de verschillende etnische groepen is in de periode 1994-2002 sterk gestegen. Bij Marokkaanse vrouwen steeg deze participatie van 20 naar 30%; bij de Marokkaanse mannen van 36 naar 59%. Bij Turkse vrouwen was sprake van een verdubbeling van 16 naar 32%, bij de Turkse mannen was er een toename van 41 naar 59%.

  • In de periode 1994-2002 daalde de werkloosheid onder minderheden van 20 a 30% naar minder dan 10%. In 2003 is de werkloosheid echter weer opgelopen. Zo ligt de jeugdwerkloosheid onder Surinamers en Antillianen inmiddels weer boven de 25%.

Onderwijs

  • In de periode 1988-2002 steeg onder Turken het aandeel gediplomeerden op minimaal mbo-niveau van 7 naar 26% en onder Marokkanen van 3 naar 29%. Het aandeel Turkse en Marok- kaanse jongeren zonder startkwalificatie is echter nog steeds aanzienlijk (resp. 55% en 65%).

  • Een groot deel van de Turkse en Marokkaanse huwelijksmigranten, maar ook van de tussengeneratie (tussen hun 6e en 18e jaar naar Nederland gekomen) heeft maar weinig opleiding genoten. Bovendien hebben deze groepen veel moeite met de Nederlandse taal.

  • In het basisonderwijs boeken Turkse en Marokkaanse leerlingen goede vooruitgang in rekenen, al staan zij nog altijd op achterstand. In taal lopen zij nog ongeveer twee leerjaren achter op de autochtonen. Met de Surinaamse leerlingen gaat het beter dan met de Turkse en Marokkaanse leerlingen; met de Antilliaanse leerlingen gaat het in bijna alle opzichten slechter dan voorheen.

  • De schooluitval onder Turkse en Marokkaanse jongvolwassenen neemt af. Desalniettemin had in 2002 circa 17% van de Marokkanen en 21% van de Turken van 15-34 jaar geen diploma in het Nederlandse onderwijs gehaald.

  • De deelname van autochtone jongeren aan havo/vwo steeg van 35% in 1995/6 tot 45% in 2001/2. In diezelfde periode steeg het aantal Marokkaanse leerlingen van 8 naar 19% en het aantal Turkse van 17 naar 22%.

  • De meeste allochtone jongeren kiezen voor een vervolgopleiding in het mbo. De instroom van Turkse en Marokkaanse jongeren in het hbo is bijna verdubbeld van 9% in 1995 tot 17% in 2001. De instroom in het universitair onderwijs volgde eenzelfde ontwikkeling en ging van circa 3 naar circa 6%.

Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-publicatie Rapportage Minderheden 2003, die op donderdag 23 oktober jl. is aangeboden aan minister drs. M.C.F. Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie (V&I). In het rapport, onder redactie van dr. Jaco Dagevos, dr. Mérove Gijsberts en drs. Carlo van Praag, wordt een beeld gegeven van de positie van de minderheden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Verder wordt ditmaal aandacht besteed aan de opvattingen van allochtonen en autochtonen over verschillende aspecten van de multiculturele samenleving.
De Rapportage Minderheden wordt tweejaarlijks en op verzoek van de minister van V&I opgesteld. 

Naast de SCP-rapportage werd tevens een gezamenlijk rapport van SCP en SISWO over de positie van Marokkaanse meisjes aan de minister aangeboden. 

Demografie
Niet-westerse allochtonen vormen een derde van de bevolking in de grote steden.
Ondanks het feit dat de immigratie sinds vorig jaar drastisch is teruggelopen, blijft het aandeel van de etnische minderheden in onze bevolking nog toenemen. De immigratie betreft momenteel vooral Turkse en Marokkaanse huwelijkspartners, asielzoekers en Antillianen. De natuurlijke aanwas is bij de etnische minderheden relatief sterk als gevolg van een jeugdige leeftijdsopbouw en een hogere vruchtbaarheid. Het gemiddelde kindertal neemt door de tijd wel aanzienlijk af. De etnische minderheden zijn vooral geconcentreerd in de grote steden. In geheel Nederland gaat het om 10% van de bevolking , maar in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag bestaat ongeveer een derde van de bevolking uit niet-westerse allochtonen. 

Beeldvorming
De meeste allochtonen vinden het fijn om in Nederland te wonen.
In hun visie op familierelaties, man-vrouw-verhoudingen en religie wijken de Surinamers en Antillianen vermoedelijk weinig af van de autochtone Nederlanders. Bij Turken en Marokkanen is de culturele afstand veel groter, maar deze afstand vermindert wel duidelijk in de tweede generatie. Deze generatie houdt overigens wel vast aan de religieuze- en groepsidentiteit.
Turken en Marokkanen hebben in hun vrije tijd meer contact met groepsgenoten dan met autochtone Nederlanders. Gemengde huwelijken zijn nog zeldzaam: van de in Nederland gesloten huwelijken van Turken en Marokkanen is 5% met een autochtone partner. Surinamers en Antillianen die in Nederland huwden, trouwden daarentegen in meerderheid met een autochtone partner. Van de verschillende etnische minderheden vindt tussen 70 en 80% het fijn om in Nederland te wonen. 

Bijna de helft van de allochtonen vindt dat er teveel allochtonen in Nederland zijn.
In het opinieklimaat met betrekking tot allochtonen valt enige verharding te onderkennen. Autochtonen vinden in meerderheid dat Nederland te veel allochtonen telt en bijna niemand is ervoor om het asielbeleid te versoepelen. Aan de andere kant waardeert bijna 80% van de autochtonen het positief dat een samenleving uit verschillende culturen bestaat. Deze waardering geldt echter niet de islam. Bijna de helft van de allochtonen zelf vindt trouwens ook dat er te veel allochtonen in Nederland zijn en ook allochtonen zijn niet voor een ruimhartiger asielbeleid. Van de autochtonen vindt 81% dat een wijk er niet op vooruit gaat als er veel allochtonen komen wonen; van de allochtonen is 51% die mening toegedaan.
Allochtonen worden naar eigen zeggen niet vaak met discriminatie geconfronteerd. Slechts tussen 5 en 8% zegt persoonlijk veelvuldig op discriminatie te stuiten. 

Arbeidsmarkt
Sterke stijging arbeidsparticipatie Turkse en Marokkaanse vrouwen.
De arbeidsparticipatie van de verschillende etnische groepen is in de periode 1994-2002 scherp gestegen. Bij Marokkaanse vrouwen steeg deze participatie van 20 naar 30%; bij de Marokkaanse mannen van 36 naar 59%. Bij Turkse vrouwen was sprake van een verdubbeling van 16 naar 32%, bij de Turkse mannen was er een toename van 41 naar 59%. Daarnaast stegen ook de percentages bij allochtonen die op middelbaar of hoger niveau werkzaam zijn: bij Marokkanen bijvoorbeeld van 25 naar 38%. Er ontstaat dus zeker een allochtone middenklasse. Toch blijven Turken en Marokkanen nog ver achter bij de autochtonen van wie 71% op middelbaar of hoger niveau werkzaam is. Surinamers en Antillianen nemen een tussenpositie in: tussen 50 en 60% werkt op het genoemde niveau. 

Jeugdwerkloosheid onder minderheden weer hoog
In het midden van de jaren negentig was de werkloosheid onder Turken en Marokkanen meer dan 30% en onder Surinamers en Antillianen rond de 20%. Het werkloosheidscijfer onder autochtonen lag toen op 7%. In 2002 is het werkloosheidscijfer voor alle minderheden gedaald tot 10% of minder en voor autochtonen tot 3%. Alleen de immigranten uit de asielzoekerslanden waren nog voor bijna 15% werkloos. In vergelijking met 2001 is er in het jaar 2002 sprake van een lichte stijging van de werkloosheid. De eerste gevolgen van de economische teruggang worden daarin zichtbaar. Bij Turken en Marokkanen was deze stijging overigens kleiner dan bij autochtonen. Wat echter zorgen baart, is dat de jeugdwerkloosheid bij de verschillende minderheidsgroepen weer is opgelopen. Bij Surinaamse en Antilliaanse jongeren ligt deze inmiddels boven de 25%. Mede daarom is het wellicht voorbarig om het specifieke arbeidsmarktbeleid ten gunste van etnische minderheden vrijwel af te schaffen.

Onderwijs
Opleidingsniveau eerste generatie migranten nog altijd erg laag.
Het opleidingsniveau van de eerste generatie migranten is veel lager dan van de autochtone bevolking en dat geldt vooral voor de Turken en Marokkanen die in meerderheid geen of vrijwel geen onderwijs hebben genoten. Bij de hier opgegroeide kinderen van deze migranten is het opleidingsniveau aanzienlijk hoger. De immigranten die op latere leeftijd arriveren, zoals de reeds genoemde huwelijksmigranten en de Antillianen, scoren echter minder goed.
Voor Surinamers en in iets mindere mate Antillianen is het gebruik van de Nederlandse taal in het algemeen geen probleem. Bij de Turken en Marokkanen is dit veel vaker het geval. Deze laatste groepen gebruiken het Nederlands ook veel minder in de omgang met gezinsleden. 

Ondanks achterstanden gaan onderwijsprestaties vooruit
Op grond van regelmatig afgenomen toetsen kan geconstateerd worden dat de onderwijsprestaties van allochtone kinderen vooruit gaan. Nieuwe lichtingen leerlingen presteren steeds beter. In groep acht is hun achterstand kleiner dan in groep 2 en als dezelfde leerlingen bij hun gang door het onderwijs worden gevolgd, blijkt dat zij, ook op individueel niveau beschouwd, een deel van hun achterstand op de autochtone leerlingen goedmaken. De inhaalslag, waaraan overigens de Antilliaanse leerlingen geen deel hebben, speelt vooral op het gebied van rekenen. Op het gebied van de taal boeken niet alle etnische groepen winst en over de hele linie is hun achterstand ook aan het einde van het basisonderwijs nog zorgelijk. Het gaat om een achterstand van ongeveer twee leerjaren.
Turkse, Marokkaanse en Surinaamse leerlingen bezoeken scholen met gemiddeld 70% leerlingen uit etnische minderheden. Uit onderzoek blijkt dat de prestaties op zwarte scholen inderdaad lager zijn dan elders. Gegeven het prestatieniveau waarmee de leerlingen op deze scholen binnenkomen, doen de zwarte scholen het echter niet slecht. 

Stijgende deelname allochtonen aan voortgezet en hoger onderwijs
In hun deelname aan het voortgezet onderwijs gaan de allochtone leerlingen eveneens vooruit. Zij zijn steeds meer te vinden in havo/vwo-klassen en steeds minder in het voorbereidend beroepsonderwijs. Overigens is de achterstand van Surinaamse leerlingen in dit opzicht gering. Voortijdig schoolverlaten komt bij allochtone leerlingen, en dan vooral bij Turken en Marokkanen, nog steeds veel meer voor dan bij autochtonen, maar juist de Turken en Marokkanen laten ook hierin verbetering zien. Momenteel belandt van de autochtone leerlingen ongeveer 45% in het hbo of het wo. Bij de Turken, Marokkanen en Antillianen ligt dat cijfer ergens tussen 15 en 20%. De Surinamers komen in de buurt van de 30%. Aangezien in jongere jaargangen van allochtone leerlingen al meer wordt deelgenomen aan havo en vwo, zal ook de deelnamegraad aan hbo en wo in de toekomst nog wel stijgen