Dossiers / Overheden en politieke ontwikkelingen
Met betrekking tot discriminatie en discriminatiebstrijdng spelen overheid en politiek twee rollen. Aan de ene kant zijn politici en overheden tegen discriminatie. Dat is bijvoorbeeld te lezen in de verkiezingsprogrammas van politieke partijen: discriminatie wordt daarin veelvuldig veroordeeld en er worden voorstellen gedaan om discriminatie te bestrijden. Aan de andere kant doen politici voorstellen en maken overheden beleid die discriminerend zijn. Hieronder wordt vooral ingegaan op laatste aspect. In de inleiding tot het themadossier Wet- en Regelgeving tegen discriminatie staat de rol van de overheid als bestrijder van discriminatie centraal.
In het kader van het inburgeringsbeleid zijn diverse voorstellen gedaan en soms ook ingevoerd, die op gespannen voet staan met het non-discriminatiebeginsel. Bepaalde categorieën Nederlandse burgers of migranten worden wel een inburgeringsplicht opgelegd terwijl andere categorieën daarvan worden vrijgesteld. Ook in het kader van spreidingsbeleid worden de rechten van burgers ingeperkt omdat zij van buitenlandse afkomst of omdat zij een uitkering hebben.
Discriminatiebestrijding is een themas waar politieke partijen wisselende aandacht voor hebben. In hun verkiezingsprogrammas voor de laatste Tweede Kamerverkiezingen hadden met name de gevestigde partijen veel aandacht voor dit thema. Zeker in vergelijking met de verkiezingsprogrammas die werden opgesteld voor de verkiezingen in 2003 en 2002. Wellicht heeft deze toegenomen aandacht voor discriminatie te maken met het maatschappelijke debat over de positie van migrantengroepen in de Nederlandse samenleving. Onder invloed daarvan kregen beleidsmakers meer aandacht voor obstakels - zoals discriminatie - waarmee mensen uit minderheidsgroepen te kampen hebben in hun streven om hun maatschappelijke positie te verbeteren. Naast rassendiscriminatie besteden de verkiezingsprogrammas aandacht aan discriminatie op basis van andere gronden zoals handicap of chronische ziekte, geslacht en seksuele gerichtheid. Sommige partijen deden in verkiezingsprogramma concrete voorstellen om discriminatie aan te pakken. Andere partijen hebben het over de strijd tegen discriminatie in algemene bewoordingen. Een aantal partijen doen voorstellen die in strijd zijn met het non-discriminatieprincipe, Zo is er het voorstel van de Partij voor de Vrijheid voor een jarenlange immigratiestop van niet-westerse allochtonen. Of een ander voorstel van diezelfde Partij voor de Vrijheid voor een stop op de bouw van moskeeën en islamitische scholen. Dit voorstel tast de godsdienstvrijheid in Nederland aan en schendt het non-discriminatie beginsel op grond waarvan de overheid alle godsdiensten gelijk dient te behandelen.
De VVD besteedde zelfs een hele paragraaf in haar compacte verkiezingsprogramma aan non-discriminatie. Opvallend was het pleidooi van de VVD om artikel 1 boven de andere grondswetsartikelen te plaatsen. Maar wat is de waarde van dit pleidooi als je ziet hoe Mark Rutte, leider van de VVD, reageert op een oordeel van de rechter waarbij artikel 1 van de grondwet een belangrijke rol speelt. De rechtbank in Haarlem oordeelde in mei 2007 dat Rutte als staatssecretaris van Sociale Zaken aanzette tot rassendiscriminatie, toen hij in 2003 via een brief gemeenten opriep inwoners van Somalische afkomst extra te controleren op fraude met bijstand. Rutte gaf aan dat hij niet eens was met het oordeel van de rechter en dat hij de bewuste brief gewoon opnieuw zou sturen. Als het volgens de wet niet kan dan moet de wet maar aangepast worden, voegde hij eraan toe.
Dus enerzijds hebben politieke partijen wel aandacht voor discriminatiebestrijding in hun programmas maar als een politicus dan eens ter verantwoording wordt geroepen door de rechter vanwege discriminatie dan moet de wet worden aangepast.
Nederlandse overheid voert sinds jaren 90 een inburgeringsbeleid: migranten worden verplicht een inburgeringsporgramma te laten om ze zo beter toe te rusten voor de samenleving. Dit inburgeringsbeleid resulteerde in de Wet Inburgering Nieuwkomers die in september 1998 van kracht werd. Na 2002 bestond er onder beleidsmakers een behoefte aan een nieuw inburgeringstelsel. Kabinet Balkende II achtte een wezenlijke omslag in de visie op inburgering noodzakelijk voor een betere integratie van migranten. Op 23 april 2004 presenteerde Minister Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie de hoofdlijnen van een nieuwe inburgeringstelsel in een contourennota. Er was gelijk forse kritiek op deze contourennota. Er werden namelijk voorstellen gedaan die in strijd waren met het non-discriminatieprincipe. Een van de bekritiseerde voorstellen was een inburgeringspicht voor nieuwkomers in het land van herkomst. Op 15 maart 2006 werd dit voorstel wet toen de Wet inburgering buitenland van kracht werd. Volgens deze Wet moeten mensen die zich wegens gezinshereniging in Nederland willen vestigen, in het land van herkomst een examen afleggen waarin kennis van de Nederlandse taal en van de samenleving worden getoetst. Art.1 heeft bij het tot stand komen van de wet bezwaar gemaakt tegen het onderdeel van de wet waarin wordt bepaald dat mensen uit verschillende landen geen examen hoeven af te leggen. Migranten uit landen als Japan, Australië, de VS en Canada zijn vrijgesteld van de examenplicht. Dit specifieke onderscheid tussen nationaliteiten is in strijd met het discriminatieverbod uit het Internationale Verdrag Inzake Uitbanning van Rassendiscriminatie. Art.1 heeft daarom het VN-comité dat toezicht houdt op de naleving van dit verdrag om een standpunt hierover gevraagd.
Een ander omstreden voorstel uit de contourennota was het opleggen van een inburgeringsplicht aan genaturaliseerde migranten geboren buiten het grondgebied van de Europese Unie en de Europees Economische Ruimte, terwijl Nederlanders geboren binnen de Europese grenzen daarvan vrijgesteld bleven. Een dergelijk onderscheid is volgens nationaal en internationaal recht niet toegestaan. Toch ging minster Verdonk nog lange tijd door met het steunen van dit onderdeel ondanks bezwaren van diverse instellingen waaronder het LBR (nu Art.1). Uiteindelijk is op 1 januari 2007 de Wet Inburgering in Nederland in werking getreden. In deze wet geldt de inburgeringsplicht slechts voor enkele specifieke groepen genaturaliseerde Nederlanders, te weten: uitkeringsgerechtigden, verzorgende ouders met het ouderlijk gezag over een in Nederland verblijvend minderjarig kind en geestelijk bedienaren. Daarmee is het discriminerende aspect uit de wet gehaald.
Spreidingsbeleid is erop gericht om bewoners of leerlingen uit een bepaalde sociale categorie (meestal migranten) evenwichtig te verdelen over scholen of wijken. Als in het spreidingsbeleid de rechten van een bepaalde groep worden ingeperkt dan staat dat beleid op gespannen voet met het non-discriminatiebeginsel. De landelijke overheid in Nederland voert geen spreidingsbeleid of heeft daar nooit een poging daartoe gedaan, maar gemeentelijke overheden wel. Het meest bekende voorbeeld van een spreidingsbeleid in de huisvesting is dat van de gemeente Rotterdam. Gemeente Rotterdam heeft in de jaren 70 en 80 pogingen gedaan om spreidingsbeleid. In het najaar van 2004 is de gemeente Rotterdam begonnen met een proef waardoor kansarmen (mensen met een inkomen lager dan 120 procent van het minimuminkomen) geen woning kunnen betrekken in de huursector in bepaalde wijken of stadsdelen. Er wordt dus niet gespreid op basis van etniciteit maar op basis van inkomen. De Commissie Gelijke Behandeling heeft in juli 2005 geoordeeld dat Rotterdam discriminerend bezig. Rotterdam zette zijn beleid echter door daarin gesteund door de regering. Op 1 januari 2006 is namelijk de Wet maatregelen grootstedelijke problematiek in werking getreden. Op grond van deze Wet kan een gemeente voor bepaalde buurten extra eisen stellen aan nieuwkomers. Daarbij is in de Wet het inkomenscriterium van 120 procent vervallen ten gunste van het criterium inkomen uit arbeid. De Wet maakt het dus mogelijk om in bepaalde buurten mensen te weren die geen inkomen uit arbeid hebben. De gemeente Rotterdam heeft in 2006 gebruik gemaakt van de wet door een aantal buurten te benoemen waar deze vestigingseisen gesteld kunnen worden. Art.1 vindt de wet indirect discriminerend met name voor allochtonen en gehandicapten en heeft dan ook zijn bezwaren kenbaar gemaakt toen het voorstel voor de wet werd gedaan (link). Tot nu toe zijn er bij de antidiscriminatiebureaus geen klachten binnengekomen die verband hielden met de Wet maatregelen grootstedelijke problematiek
Aan een spreidingsbeleid in het onderwijs hebben meer Nederlandse gemeenten zich gewaagd. Uit een inventarisatie blijkt dat in totaal 16 Nederlandse gemeenten spreidingsbeleid voeren (Haest, Peters, en Walraven). In augustus 2006 heeft
Uit dit inventariserende onderzoek blijkt dat weinig gemeenten heil zien in niet-vrijblijvende afspraken tussen gemeenten en schoolbesturen. Gemeenten hebben namelijk geen instrumenten om medewerking van schoolbesturen af te dwingen. Soms overtreedt de gemeente de wet in spreidingsbeleid. Zo werden in februari 2005 de gemeente Tiel en drie basisscholen in Tiel veroordeeld door de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) vanwege het spreidingsbeleid De gemeente Tiel voert sinds 1993 een spreidingsbeleid voor allochtone leerlingen in het basisonderwijs. Met schoolbesturen werden vrijwillige afspraken gemaakt om leerlingen door te verwijzen naar een andere school als het aantal allochtone leerlingen boven het wijkgemiddelde kwam. In de praktijk bleek dat doorverwijzingen dwingend werden gesteld en zich nagenoeg uitsluitend richtten tot allochtone leerlingen en hun ouders. De allochtone ouders moesten hierdoor regelmatig een basisschool buiten hun eigen woonwijk zoeken
Dit leidde tot direct onderscheid op grond van ras oordeelde de Commissie, wat verboden is in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Gemeente Tiel heeft zijn beleid aangepast in de richting van voorlichting aan ouders.
Sinds eind 2003 worden er op Schiphol zogenaamde 100%-controles uitgevoerd. Bij deze controles worden reizigers uit de Nederlandse Antillen, Aruba, Suriname en Venezuela zowel op als in het lichaam gecontroleerd op de aanwezigheid van gesmokkelde drugs. Daarbij werden passagiers gedwongen zich te ontkleden waarna douanepersoneel in lichaamsholtes onderzocht of zij bolletjes cocaïne of andere drugs verstopt hadden. Veel mensen hebben geklaagd over deze vernederende behandeling die zij moesten ondergaan. Ook voelden velen zich gediscrimineerd op basis van hun donkere huidskleur. De ruime meerderheid van de onderzochte passagiers bleek onschuldig. Art.1 en zijn voorganger, het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR), hebben, in samenwerking met andere organisaties, onderzoek gedaan naar de praktijk van de 100%-controles. Zij hadden grote twijfel over de rechtmatigheid van de controles en de bejegening van reizigers bekeken.
Op 27 juni 2006 kwam de Nationale Ombudsman met een kritisch onderzoeksrapport naar de 100%-controles op Schiphol. De Nationale Ombudsman had ernstige kritiek op de manier waarop de Koninklijke Marechaussee omgaat met reizigers die onschuldig blijken te zijn aan het slikken van bolletjes. De ombudsman acht lijfsvisitatie met ontkleding door de Douane als controlemiddel onaanvaardbaar. Discriminatie van mensen met een donkere huidskleur werd niet vastgesteld bij de uitvoering van de controles.
Op 29 mei 2007 concludeerde de Hoge Raad in een arrest van 29 mei 2007 dat het uitvoeren van lijfsvisitaties door de Douane op Schiphol onwettig is. Er is daarvoor geen wettelijke basis in artikel 17 van de Douanewet.
.
De mediatheek van Art.1 is te bezoeken op afspraak.
Neem contact op via het contactformulier of tel. 010 - 201 02 01.
Art.1 is onder meer verbonden aan: