mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Huisvesting en verhoudingen in de buurt

Dossier: Huisvesting en verhoudingen in de buurt

Bij discriminatie op het gebied van huisvesting en de verhoudingen in de buurt gaat het om twee zaken: discriminatie die mensen uitsluit van huisvesting en discriminatie die de verhoudingen binnen een buurt onder druk zet.
Er zijn weinig klachten over discriminatie bij de woningbemiddeling. In het verleden kwam wel discriminatie voor bij de woningbemiddeling. Door de overgang van het distributiemodel naar het aanbodmodel binnen de woonruimteverdeling lijkt die discriminatie te zijn afgenomen.
Discriminatie die te maken heeft met de verhoudingen in de buurt vormt wel een belangrijk deel van de klachten die bij de antidiscriminatiebureaus binnenkomen. Vaak gaat het om conflicten tussen buren. Discriminatie is dan niet altijd de oorzaak van het conflict maar speelt wel een rol bij het escaleren van het conflict.

In het maatschappelijke debat wordt er veel gesproken over etnische segregatie: het verschijnsel dat allochtone en autochtone Nederlanders in verschillende woonwijken wonen. Segregatie wordt door beleidsmakers als problematisch ervaren. Segregatie zou de maatschappelijke integratie van migranten belemmeren. Om segregatie te doorbreken wordt vaak een spreidingsbeleid voorgesteld. De kans bestaat echter dat een spreidingsbeleid discriminerend uitpakt.

1. Discriminatie bij de toegang tot huisvesting

In 2005 behandelden de antidiscriminatiebureaus 91 klachten op het terrein van huisvesting. Dat is 2,1 procent van het totaal aantal klachten. Klachten op het gebied van huisvesting hebben onder meer betrekking op het handelen, of het nalaten van handelen, van woningbouwverenigingen, woningcorporaties en gemeentelijke diensten ten aanzien van huisvesting. Klachten kunnen betrekking hebben op zaken als inschrijving, urgentietoekenning, toewijzing en bemiddeling en sociaal of technisch beheer.
Het aantal klachten op dit terrein is in de afgelopen jaren gedaald. In 2001 waren er nog 152 klachten.

Een mogelijke oorzaak van deze daling is de overgang van het distributiemodel naar het aanbodmodel binnen de woonruimteverdeling. In het distributiemodel bepaalde de verhuurder middels een aantal, veelal niet transparante, criteria welke woningzoekende voor een bepaalde woning in aanmerking kwam. Daardoor hadden verhuurders de mogelijkheid om bepaalde groepen, waaronder veel allochtone huishoudens, te plaatsen in wijken, straten en portieken die volgens de verhuurder geschikt voor deze groep werden geacht. Het aanbodsysteem werkt transparanter en biedt daardoor minder ruimte voor discriminatie. Onderzoeker Janneke Jansen heeft geconstateerd dat woningcorporaties tot in de jaren negentig bij toewijzing van woningen onderscheid maakten tussen allochtonen en autochtonen (Jansen, 2006). Vooral Turken en Marokkanen werden in bepaalde wijken en buurten niet toegelaten, kregen een slechtere woning aangeboden of werden überhaupt geweigerd. Dit beleid van de woningcorporaties heeft ertoe bijgedragen dat er concentratiewijken zijn ontstaan.

Het aanbodsysteem is ook niet geheel vrij van discriminatie. In het aanbodsysteem moeten woningzoekenden reageren op een advertentie om in aanmerking te komen voor een huis. Er worden echter wel criteria gehanteerd voor wie het eerst in aanmerking komt voor een woning. De meest voorkomende criteria binnen het aanbodsysteem zijn woonduur, inschrijvingsduur en leeftijd. Deze criteria werken in het nadeel van allochtonen. Zij zijn over het algemeen jonger en hebben een korte verblijfsduur in Nederland De negatieve werking van het criterium woonduur blijkt ook uit onderzoek in Den Haag (Lindner, 2002).

2. Discriminatie in de buurt

Buurtgerelateerde discriminatiezaken maken een omvangrijk deel uit van de klachten die bij de antidiscriminatiebureaus binnenkomen. Het gaat bij dit soort klachten om bijvoorbeeld burenruzies en acties gericht tegen de komst of aanwezigheid van een bepaald individu, gezin, groepen of organisatie in een buurt. Bij dit laatste moet worden gedacht aan vernielingen, bekladdingen en zelfs brandstichting van objecten of voorzieningen zoals een asielzoekerscentrum, gebedsruimte of woonhuis. Ook kan er sprake zijn van een buurtactie: een gezamenlijke actie van meerdere buurtbewoners om nieuwkomers vanwege hun afkomst te weren.
Tot 2004 ging het om ruim 700 zaken per jaar die werden gemeld, plusminus een vijfde van het totaal aantal klachten (Houtzager en Schriemer, 2006). Van dit totaal betrof 82 procent discriminatie op grond van herkomst. In 2005 was het aantal buurtklachten van 578, zo’n 13 procent van het aantal klachten (Coenders et al, 2006). Daarmee nam het maatschappelijk terrein buurt of wijk na arbeidsmarkt het grootste aantal klachten voor zijn rekening. 30 procent van de buurtgerelateerde klachten in 2005 betrof burenruzies.

Er is dus sprake van een afnemende trend in het aantal buurtgerelateerde klachten. In de vier grote steden zette deze afnemende trend zich voor het eerste in. Bij de antidiscriminatiebureaus buiten de vier grote steden werden in 2005 verhoudingsgewijs meer klachten over discriminatie in buurt of wijk ingediend dan bij de antidiscriminatiebureaus in de vier grote steden (Coenders et al, 2006). Er is geen eenduidige verklaring voor dit opmerkelijk gegeven (Houtzager en Schriemer, 2006). Wellicht speelt gewenning aan diversiteit hierin een rol. Uitgaande van de contacthypothese, die stelt dat onbekend onbemind maakt, zouden spanningen tussen bevolkingsgroepen afnemen als men elkaar beter kent. In de grote steden is er sprake van grotere diversiteit en daardoor is de kans groter dat bevolkingsgroepen elkaar beter leren kennen. Op deze stelling valt wel het een en ander af te dingen. Al wonen mensen van verschillende komaf bij elkaar in de buurt, dan bevordert dat niet vanzelf een harmonieus samenwonen of de integratie (Duyvendak en Hortulanus, 1999).

Discriminatie is niet uitsluitend een zaak van een dominante autochtone meerderheid tegen een ondergeschikte allochtone minderheid (Houtzager en Schriemer, 2006). Soms zijn de autochtone Nederlanders in de minderheid. Ook doen zich tegenstellingen voor tussen personen uit bepaalde etnisch-culturele groepen versus homoseksuelen, niet-moslims versus moslims, etnisch culturele groepen onderling. In wijken met een sterke cohesie (oude volksbuurten) gaat het vooral om conflicten tussen oude buurtbewoners en nieuwkomers in de buurt waarbij het niet uitmaakt welke sociale of etnische achtergrond deze nieuwkomers hebben. Bij de klachten over discriminatie op grond van seksuele gerichtheid die bij de Anti Discriminatiebureaus binnenkomen gaat het in de meeste gevallen om incidenten in de openbare ruimte of woonomgeving die zijn gericht tegen personen met een homoseksuele gerichtheid. (Coenders et al, 2006).

De antidiscriminatiebureaus behandelen alleen burenruzies met een discriminatoir aspect. De vraag is in hoeverre discriminatie een rol speelt bij het ontstaan van deze ruzies. Er zijn aanwijzingen dat discriminatie tussen buren vaker optreedt als gevolg van niet opgeloste overlast, dan dat discriminatie aanleiding is voor de burenruzie (De Thouars, Lindner, en Van Putten; 2004). Met name overlast speelt een grote rol bij het ontstaan van burenruzies. Verschillen in leeftijd, huishoudgrootte, afkomst, geloof en dergelijke tussen bewoners zorgen er voor dat buurtbewoners negatievere verwachtingen hebben met betrekking tot hun buren voor wat betreft overlast. Deze negatieve verwachtingen maken de kans dat overlast tot ruzie leidt groter. Als overlast escaleert in een burenruzie is het eigenlijk al te laat. Belangrijkste instrumenten bij de aanpak discriminatie tussen buurtgenoten liggen vooral op het vlak van preventie.

Een manier van preventie is buurtbemiddeling. In Rotterdam wordt daarmee al sinds 1996 gewerkt. Een team van speciaal opgeleide vrijwilligers uit de buurt bemiddelt tussen buren die overlast van elkaar ondervinden. De bemiddelaars proberen met name om de communicatie tussen beide partijen te herstellen. Dat blijkt vaak belangrijker te zijn dan een concrete oplossing. (De Thouars, Lindner en Van Putten, 2004). Als mensen met elkaar communiceren dan is de kans op ruzies en daarmee discriminerend gedrag buren kleiner. In Nederland zijn diverse initiatieven gelanceerd om de communicatie tussen buurtgenoten of plaatsgenoten te bevorderen. Zo heeft Art.1 meegewerkt aan de Dag van Dialoog in Rotterdam die voor het eerst plaatsvond op 12 oktober 2002 in Rotterdam. Op deze werd dag werd verspreid over de stad in kleine kring met elkaar gesproken. Nu worden in verschillende steden in Nederland jaarlijks de Dag van de Dialoog gehouden.

3. Segregatie en spreidingsbeleid

Als men het in Nederland heeft over segregatie dan bedoelt men etnische segregatie: het verschijnsel dat allochtone en autochtone Nederlanders in verschillende woonwijken wonen. Segregatie moet niet verward worden met concentratie. Bij concentratie wordt gekeken naar het aantal allochtonen dat in een bepaalde wijk woont. Bij segregatie gaat het om de verhouding tussen de stad in zijn geheel en de wijken. Als in de gehele stad het aantal migranten met 40 procent stijgt en als ook in alle wijken het aantal migranten met 40 procent stijgt, dan neemt de segregatie niet toe maar de concentratie wel.

Allochtonen Nederlanders wonen voornamelijk in de vier grote steden: Amsterdam. Den Haag, Rotterdam en Utrecht. In al deze steden is sprake van segregatie en deze neemt sinds 1998 toe. Uitzondering is Rotterdam waar die lichtjes afgenomen (SCP, WODC en CBS, 2005). De afgelopen jaren is wel een trend merkbaar waarbij allochtone huishoudens uit de grote steden naar de randgemeenten trekken. Het gaat dan vooral om allochtonen uit de middenklasse.
In 2004 waren er 456 buurten met meer dan 25 procent allochtonen; in 92 buurten was dat meer dan de helft. Bijna de helft van deze concentratiebuurten liggen in de vier grote steden (SCP, WODC en CBS, 2005). In ruim 200 wijken en enkele honderden buurten is tussen 1999 en 2004 de concentratie van niet-westerse allochtonen toegenomen. De concentratie neemt dus toe.

De ruimtelijke concentratie van allochtonen komt niet omdat allochtonen zo graag in een concentratiewijk willen wonen. Concentratie wordt in belangrijke mate veroorzaakt door de beperkte financiële mogelijkheden van allochtonen (Bolt, 2001). Hierdoor zijn allochtonen aangewezen op de buurten die bij autochtone Nederlanders het minst populair zijn. In de jaren 70 en 80 speelde ook het beleid van de woningcorporaties een belangrijke rol bij het ontstaan van concentratie en segregatie (Jansen, 2006; zie hierboven).

Beide verschijnselen (concentratie en segregatie) worden door beleidsmakers als problematisch ervaren. Segregatie en concentratie zouden de maatschappelijke integratie van migranten belemmeren. Onderzoekers menen echter dat de effecten van segregatie en concentratie op de maatschappelijke positie van etnische minderheden gering zijn. Sommige onderzoekers zijn daar echter meer van overtuigd dan anderen (Dagevos en Odé, 2003; Van der Laan Bouma-Doff, 2005; Van Kempen, 2000, Uunk, 2002).

In ieder geval wordt er beleid gevoerd om segregatie tegen te gaan. Daarbij gaat het om herstructureringsbeleid en spreidingsbeleid. Herstructureringsbeleid is gericht op het mengen van de woningvoorraad van buurten naar prijsklasse. Het komt er meestal op neer dat in wijken met veel goedkope woningen deze goedkope woningen worden gesloopt om plaats te maken voor duurdere woningen. Door dit beleid wordt een deel van de arme (allochtone) bewoners gedwongen de wijken verlaten om plaats te maken voor rijkere (vooral autochtone) huurders. Dit beleid van gemengd bouwen wordt sinds 1990 gevoerd en is in de loop der jaren steeds verder geïntensiveerd.

Daarnaast is er een actief spreidingsbeleid. Spreidingsbeleid is een beleid waar mensen op grond van etniciteit in bepaalde wijken worden geplaatst of waar mensen op grond van etniciteit in bepaalde wijken geen woning mogen betrekken zodat zij over de stad gespreid worden. Met name in Rotterdam in jaren 70 en 80 geprobeerd zo’n beleid van de grond te krijgen maar dat lukt niet door juridische en maatschappelijke bezwaren.
In 2003 kwam in Rotterdam de discussie over een mogelijk spreidingsbeleid weer op gang door de sterke toename van kansarmen in bepaalde wijken in de stad. In deze discussie heeft men het over kansarmen en niet over allochtonen of migranten. Het is echter duidelijk dat de discussie met name over migranten gaat. In het najaar van 2004 is de gemeente Rotterdam begonnen met een proef waardoor kansarmen (mensen met een inkomen lager dan 120 procent van het minimuminkomen) geen woning kunnen betrekken in de huursector in bepaalde wijken of stadsdelen. Er wordt dus niet gespreid op basis van etniciteit maar op basis van inkomen. De Commissie Gelijke Behandeling heeft in juli 2005 geoordeeld dat Rotterdam discriminerend bezig. Rotterdam heeft zijn beleid echter doorgezet daarin gesteund door de regering. Op 1 januari 2006 is namelijk de ‘Wet maatregelen grootstedelijke problematiek’ in werking getreden. Op grond van deze Wet kan een gemeente voor bepaalde buurten extra eisen stellen aan nieuwkomers. Daarbij is in de Wet het inkomenscriterium van 120 procent vervallen ten gunste van het criterium inkomen uit arbeid. De Wet maakt het dus mogelijk om in bepaalde buurten mensen te weren die geen inkomen uit arbeid hebben. De gemeente Rotterdam heeft in 2006 gebruik gemaakt van de wet door een aantal buurten te benoemen waar deze vestigingseisen gesteld kunnen worden. Art.1 vindt de wet indirect discriminerend met name voor allochtonen en gehandicapten en heeft dan ook zijn bezwaren kenbaar gemaakt toen het voorstel voor de wet werd gedaan (Zie) . Tot nu toe zijn er bij de antidiscriminatiebureaus geen klachten binnengekomen die verband hielden met de ‘Wet maatregelen grootstedelijke problematiek’


Bovenstaande is gedeeltelijk gebaseerd op: Houtzager, D. en Schriemer, R. (2006) Huisvesting en interetnische problemen in de woonbuurt. Uit: Boog, I. (red) Monitor rassendiscriminatie. Rotterdam / Amsterdam / Leiden: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie /
Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten /
Anne Frank Stichting / Universiteit Leiden

Literatuur

Bolt, G.S. (2001) Wooncarrières van Turken en Marokkanen in ruimtelijk perspectief. Proefschrift Universiteit Utrecht

Bolt, G.S. (2004) Over spreidingsbeleid en drijfzand. Uit: Migrantenstudies 20(2), p. 60-73

Dagevos, J. en Odé, A. (2003). Minderheden in Amsterdam : Contacten, concentratie en integratie. Amsterdam: Wetenschappelijke Raad voor Amsterdam / SISWO

Coenders, M., Silversmith, J., I. Boog en W. Dinsbach (2006). Kerncijfers 2005.
Jaaroverzicht discriminatieklachten bij Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten. Amsterdam: Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten

Duyvendak, J.W. en Hortulanus, R. (1999). De gedroomde wijk: Methoden, mythen en misvattingen in de nieuwe wijkaanpak. Utrecht: Forum

Houtzager, D. en Schriemer, R. (2006) Huisvesting en interetnische problemen in de woonbuurt. In: Boog, I. (red) Monitor rassendiscriminatie. Rotterdam / Amsterdam / Leiden: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie /
Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten /
Anne Frank Stichting / Universiteit Leiden

Jansen, J. (2006) Bepaalde huisvesting. Een geschiedenis van opvang en huisvesting van immigranten in Nederland, 1945-1995. Amsterdam: Aksant

Kempen, R. van, Hooimeijer, P., Bolt, G.S. , Burgers, J., Musterd, S., Ostendorf, W. en Snel, E. (2000). Segregatie en concentratie in Nederlandse steden. Mogelijke effecten en beleid. Assen: Van Gorcum

Laan Bouma-Doff, W. van der (2005). De buurt als belemmering? Assen: Koninklijke van Gorcum

Lindner, L. (2002). Ruimtelijke segregatie van afkomstgroepen in Den Haag : Wiens keuze? Den Haag: Bureau Discriminatiezaken

Thouars, B. de, Lindner, L. en Putten, L. van (2004). ‘Zijn uw buren ook zo anders?’ Quickscan Burenruzies met een discriminatoir aspect. Den Haag: Bureau Discriminatiezaken

Uunk, W. (2002). Concentratie en achterstand. Over de samenhang tussen etnische concentratie en de sociaal-economische positie onder allochtonen en autochtonen. Assen: Van Gorcum


Bekijk artikelen »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Mediatheek

De mediatheek van Art.1 is te bezoeken op afspraak.
Neem contact op via het contactformulier of tel. 010 - 201 02 01.


Art.1 is onder meer verbonden aan: