Dossiers / Goederen en diensten
Elk jaar krijgen de Nederlandse antidiscriminatiebureaus een flink aantal klachten binnen op het gebied van goederen en diensten. De antidiscriminatiebureaus hanteren bij het registreren van hun klachten twee categorieën op het gebied van de toegang tot goederen en diensten: commerciële dienstverlening en amusement en horeca. Bij klachten over commerciële dienstverlening gaat het om zaken als handelen of het nalaten te handelen van commerciële instanties, organisaties, diensten en bedrijven. Veel klachten gaan bijvoorbeeld over onheuse bejegening door medewerkers van vervoersmaatschappijen of om onheuse of discriminatoire behandeling in winkels. Bij amusement en horeca speelt vooral het toelatingsbeleid van horecagelegenheden waardoor bepaalde categorieën zoals allochtone jongeren worden uigesloten.
In 2005 registreerden de antidiscriminatiebureaus 308 klachten binnen de categorie commerciële dienstverlening (Coenders et al, 2006). Dat is 6,9 procent van het totaal aantal geregistreerde klachten. Binnen de categorie horeca en amusement registreerden de antidiscriminatiebureaus 199 klachten. Dat is 4,5 procent van het totaal aantal geregistreerde klachten.
Van de oordelen van de Commissie Gelijke Behandeling betreft ongeveer een kwart het terrein van goederen en diensten waaronder ook onderwijs en huisvesting vallen (CGB, 2006). In 2005 velde de Commissie 42 oordelen op het gebied van goederen en diensten en in 2006 79 oordelen. Bij 38 van de oordelen in 2006 constateerde de Commissie wel een onderscheid en in 24 geen onderscheid.
Uit een onderzoek naar discriminatie-ervaringen blijkt dat verschillende etnische groepen zich gediscrimineerd voelen binnen bepaalde sectoren op het gebied van dienstverlening (Van den Berg en Evers, 2005). Daarbij gaat het om interacties in het openbaar vervoer en bij het winkelen, waarbij vooral sprake is van discriminerende bejegening in de vorm van opmerkingen en het niet gelijkwaardig behandeld worden. Treiteren in het openbaar vervoer wordt als vorm van discriminatie genoemd door 22 procent van degenen die discriminatie hebben ervaren. Bij het winkelen is het vooral het winkelpersoneel dat discriminerend gedrag vertoont. Ook andere klanten uiten zich discriminerend, vindt eenderde van de ondervraagden met discriminatie-ervaringen.
Aanbieders van goederen en diensten mogen geen onderscheid maken op een van de gronden die in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) staan. Dat zijn de gronden: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Het verbod om onderscheid te maken in de AWGB geldt voor commerciële aanbieders, maar ook voor instellingen op het terrein van welzijn, zorg en cultuur. Tevens vallen particulieren die in het openbaar goederen aanbieden onder de wet, net als overheidsdiensten. Uitzondering daarop vormt de publiekrechtelijke dienstverlening, zoals het afgeven van vergunningen en dergelijke. Naast deze civielrechtelijke normstelling kan ook strafrechtelijk beoordeeld worden of iemand in strijd met de wet heeft gehandeld. De artikelen 137g en 429quater Wetboek van Strafrecht bepalen dat het discrimineren in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf strafbaar is.
Leeftijd en handicap worden niet als discriminatiegrond genoemd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Voor deze gronden zijn aparte wetten gemaakt die echter beperkt geldig zijn op het gebied van goederen en diensten.
Discriminatie bij horecagelegenheden is een probleem dat al sinds de jaren 70 bekend is. Ondernemers in de horeca voeren diverse redenen aan op grond waarvan zij weigeren mensen van bepaalde etnische afkomst tot hun zaak toe te laten. Veel horecaondernemers vinden bepaalde allochtone groepen problematisch: jonge bewoners van asielzoekerscentra, Turken en Marokkanen. Aan de deur worden verschillende weigeringsgronden gehanteerd: een besloten avond, niet in het bezit van een vaste bezoekerspas, geen vaste klant, geen passende kleding, agressief gedrag of drankmisbruik (Houtzager, 2005). Uit het onderzoek Discriminatie-ervaringen 2005 (Van den Berg en Evers, 2005) komt naar voren dat het uitsluiten door discotheken vooral wordt ervaren door mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Bijna 15 procent geeft aan een of meerdere keren te zijn geweigerd door een uitgaansgelegenheid. Mensen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst hebben veel minder slechte ervaringen: ongeveer 4 procent zegt gediscrimineerd te zijn.
Discriminatie bij de toelating tot uitgaansgelegenheden kan worden bestreden met behulp van juridische instrumenten op civielrechtelijke, strafrechtelijke en administratiefrechtelijk vlak. Daarnaast kan zelfregulering een bijdrage leveren aan bestrijding van discriminatie op dit terrein.
Mensen die zich gediscrimineerd voelen, kunnen een oordeel over het toelatingsbeleid van uitgaansgelegenheden aan de Commissie Gelijke Behandeling vragen. De Commissie Gelijke Behandeling stelt dat toelatingsbeleid inzichtelijk, systematisch en controleerbaar moet zijn (Houtzager, 2006) Als aan die eisen niet is voldaan en de selectie van bezoekers aan de portier wordt overgelaten, is er ruimte voor willekeur. Dat levert in het algemeen strijd met de AWGB op. De handvatten die de Commissie Gelijke Behandeling in haar oordelen heeft ontwikkeld, zijn nuttig als uitgangspunt voor een toelatingsbeleid. Uit het evaluatieonderzoek dat de CGB in 2005 liet uitvoeren, bleek dat in een meerderheid van gevallen het oordeel wordt opgevolgd
Ook de strafrechter heeft in een langjarige reeks van uitspraken geoordeeld dat het weigeren van iemand, enkel wegens zijn huidskleur of etnische afkomst, verboden is (Houtzager, 2005). Het discriminatoir uitsluiten van discotheekbezoekers is strafbaar op grond van art 137g en 429quater Sr. In een aantal gevallen is met succes vervolging ingesteld. De Drank- en Horecawet, en in sommige gemeentes de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), geeft lokale overheden de mogelijkheid om horecaondernemers hun vergunning af te nemen, te beperken of niet te verlengen. Van deze mogelijkheid is, voor zover bekend, nog nooit gebruik gemaakt
Daarnaast zijn er vormen van zelfregulering. In 1999 bracht het Bedrijfschap Horeca een hernieuwde gedragscode tegen rassendiscriminatie uit, die bindend is voor alle horecaondernemingen in Nederland. De invoering van de code heeft echter niet geleid tot een afname van het aantal klachten over weigering van etnische minderheden aan de deur van discotheken (Houtzager, 2005).
Op lokaal niveau zijn diverse initiatieven genomen tegen discriminatie in de horeca. Zo zijn er in verschillende steden horecaconvenanten afgesloten. In de meeste gevallen zijn de convenanten vooral gericht op veiligheid en hebben weinig aandacht voor het tegengaan van discriminatie. Een dergelijk convenant heeft nauwelijks effect tegen discriminatie als geen aanvullende maatregelen worden genomen (Houtzager, 2005). In Rotterdam is een initiatief genomen dat meer perspectief biedt bij het bestrijden van discriminatie in uitgaansgelegenheden. Daar is in 2002 het Panel Deurbeleid opgericht. In dit panel zitten vertegenwoordigers van de Koninklijke Horeca Nederland, ondernemers, politie, gemeente, de Jongerenraad en het lokale antidiscriminatiebureau Radar. Dit panel beoordeelt het deurbeleid van individuele horeca-ondernemers en onderzoekt klachten over vermeende discriminatie in de horeca. Uit een evaluatie van dit panel verricht in 2007 komt naar voren dat het aantal klachten die bij het panel terechtkomen niet hoog is. Ook daalt het aantal klachten(Panel Deurbeleid Rotterdam, 2007). Klachten die worden aangenomen, worden wel sneller afgehandeld dan via een strafrechtelijke of civielrechtelijke procedure. Ook concluderen de deelnemers van het panel dat van het panel een preventieve werking uitgaat. Afgelopen jaren zijn in diverse andere gemeenten waaronder Amersfoort, Breda, Enschede, Gouda, Groningen, Lelystad, Tilburg, Utrecht en Zaanstad soortgelijke panels opgericht zoals in Rotterdam.
Een specifieke vorm van discriminatie op het terrein van goederen en diensten is postcodediscriminatie. Een voorbeeld daarvan is dat banken weigeren een hypotheek te verstrekken aan mensen die in een bepaald postcodegebied een huis willen kopen. Deze vorm van discriminatie wordt ook wel redlining genoemd en kan indirect onderscheid op grond van ras tot gevolg hebben als de betreffende gebieden vooral bewoond worden door etnische minderheden (Rodrigues, 1997 en Aalbers, 2002).
In Nederland is het vooral sociaal-geograaf Aalbers die onderzoek heeft verricht naar redlining op het gebied van hypotheekverstrekking (Aalbers, 2003; Aalbers, 2006). Hij heeft geconstateerd dat veel hypotheekverstrekkers in bepaalde wijken in Den Haag en Rotterdam, waar relatief veel etnische minderheden wonen, alleen een hypotheek willen verstrekken als deze met een Nationale Hypotheek Garantie (NHG) kan worden gefinancierd (Aalbers, 2006). Daarnaast zijn er zowel in Den Haag als in Rotterdam hypotheekverstrekkers die in bepaalde wijken waar veel etnische minderheden wonen, geen hypotheek willen verstrekken.
In 2006 heeft de Commissie Gelijke Behandeling een onderzoek gepubliceerd naar onderscheid op grond van afkomst bij de hypotheekverstrekking (CGB, 2006). Bij het onderzoek waren negen hypothecair financiers betrokken. Gekeken werd naar discriminatie van mensen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en naar postcodediscriminatie. Geconcludeerd werd dat vrijwel alle banken geen hypotheek verstrekken aan mensen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Daarnaast stellen banken extra eisen aan de financiering van woningen in bepaalde wijken waardoor met name allochtonen lastiger een hypotheek kunnen afsluiten. De CGB adviseert dan ook de acceptatiecriteria die banken hanteren, transparanter te maken en in sommige gevallen aan te passen. Het kan zijn dat een instelling die onderscheid maakt, daar een goede reden voor heeft. De gehanteerde criteria zijn echter vaak onnodig grofmazig oordeelt de GGB.
Een categorie die vaak te maken krijgt met redlining zijn mensen die wonen op woonwagenlocaties. In een aantal gevallen zag de Commissie Gelijke Behandeling de weigering om goederen te leveren in dergelijke locaties als indirect onderscheid(Houtzager, 2006). Als reden werd onder meer door de leveranciers aangevoerd dat op die betreffende plaatsen problemen met geweld en diefstal waren geweest. In enkele gevallen vond de CGB dat de weigering niet gerechtvaardigd was, omdat de leverancier geen bewijs kon overleggen, zoals een politieverklaring. Voorts zijn er aanwijzingen dat bewoners van woonwagens ernstige belemmeringen ondervinden bij het verkrijgen van financiële diensten van hypotheken en woonhuis- en inboedelverzekeringen (Rodrigues en Matelski, 2004) Het gaat daarbij met name om de weigering hypotheken en woonhuis- en inboedelverzekeringen te verstrekken.
Aalbers, M.B. (2003). Redlining in Nederland. Oorzaken en gevolgen van uitsluiting op de hypotheekmarkt. Amsterdam: Aksant
Aalbers, M.B. (2006) Direct en indirect onderscheid op de hypotheekmarkt in Arnhem, Den Haag en Rotterdam. Onderzoek in opdracht van de Commissie Gelijke Behandeling bij risicoselectie door hypotheeknemers. Amsterdam: AMIDSt
Berg, H. van den en J. Evers (2006). Discriminatie-ervaringen 2005. In: Boog, I. (red) Monitor rassendiscriminatie. Rotterdam / Amsterdam / Leiden: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie / Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten / Anne Frank Stichting / Universiteit Leiden
CGB (2006,b). Risicoselectie op grond van postcode en verblijfsstatus. Een onderzoek uit eigen beweging naar onderscheid door hypothecair financiers. Utrecht: Commissie Gelijke Behandeling
CGB (2007). Jaarverslag 2006. Utrecht: Commissie Gelijke Behandeling
Coenders, M., Silversmith, J., I. Boog en W. Dinsbach (2006). Kerncijfers 2005.
Jaaroverzicht discriminatieklachten bij Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten. Amsterdam: Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten
Houtzager, D. (2006). Goederen en diensten. In: Boog, I. (red) Monitor rassendiscriminatie. Rotterdam / Amsterdam / Leiden: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie /
Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten /
Anne Frank Stichting / Universiteit Leiden
Panel Deurbeleid Rotterdam (2007). Evaluatie Panel Deurbeleid. Rotterdam: Panel Deurbeleid Rotterdam
Rodrigues, P.R. en Matelski, M. (2004) Monitor racisme & extreemrechts. Cahier nr 3, Roma en Sinti. Amsterdam/Leiden: Anne Frank Stichting / Universiteit Leiden
De mediatheek van Art.1 is te bezoeken op afspraak.
Neem contact op via het contactformulier of tel. 010 - 201 02 01.
Art.1 is onder meer verbonden aan: