ECRI: meer actie vereist tegen racisme en discriminatie
Art.1 steunt aanbevelingen Derde Rapport over Nederland
13.11.2008
Dossiers: Art.1 en discriminatiebestrijding, Europa en non-discriminatie, Overheden en politieke ontwikkelingen
Het verharde publieke en politieke debat in Nederland trekt bevolkingsgroepen uit elkaar in plaats van verdraagzaamheid te bevorderen. Dat constateert de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) in het Derde Rapport over Nederland, gepubliceerd op 12 februari 2008. Art.1 dringt de overheid erop aan de kritiek en de aanbevelingen van ECRI serieus te nemen.
In het Derde Rapport over Nederland maakt ECRI een inschatting van de situatie omtrent racisme en intolerantie in Nederland ten opzichte van de situatie beschreven in haar tweede rapport eind 2000. Het rapport is samengesteld uit een brede selectie van schriftelijke bronnen, afkomstig van zowel de overheid als van onafhankelijke instituties. Ook Art.1 leverde een bijdrage. Hierin stelt Art.1 onder meer de toegenomen vijandige sfeer tegen moslims aan de orde. Een signaal dat ECRI in haar rapport beaamde.
Politiek en publiek debat
Volgens het ECRI-rapport is de situatie omtrent racisme en intolerantie sinds 2000 op een aantal aspecten verslechterd. Met name het politieke en publieke debat over integratie en etnische minderheden is, mede als gevolg van de moord op Theo van Gogh, gekenmerkt door een scherpte die polarisatie tussen de autochtone bevolking en etnische minderheden oproept.
Terwijl dit debat meestal op de integratie van de moslimgemeenschap is gericht, is het klimaat ook rond bijvoorbeeld de Antilliaanse gemeenschap in Nederland verslechterd. ECRI moedigt de Nederlandse overheid dan ook aan om een klimaat van verdraagzaamheid te stimuleren en de vijandschap tussen verschillende groepen in Nederland tegen te gaan.
Beleid
Daarnaast levert ECRI kritiek op de Wet inburgering in het buitenland. Vanwege de mogelijk discriminatoire effecten van de wet die immigranten uit niet-westerse landen benadeelt ten opzichte van immigranten uit westerse landen, is het belangrijk om op de uitvoering van de wet nauw toe te zien, aldus ECRI.
Verder wordt de overheid in het rapport opgeroepen om praktijken van mogelijk racial profiling bij overheidsorganen te onderzoeken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over beleid rondom de identificatieplicht en preventief fouilleren.
Maar ECRI heeft niet alleen kritiek. Het rapport geeft aan dat er ook een aantal positieve ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in Nederland, zoals het streven naar een landelijk dekkend netwerk van antidiscriminatievoorzieningen.
Reactie Art.1
In een brief aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie Ella Vogelaar, heeft Art.1 zijn steun aan de meeste van ECRIs aanbevelingen verleend en zijn eigen visie eraan toegevoegd. Art.1 is het eens met ECRI over het feit dat de overheid het verharden van het publieke debat moet tegengaan, juist omdat de overheid een voorbeeldfunctie inneemt binnen het discours. Het is echter ook van belang dat iedereen zich verantwoordelijk voelt voor het maatschappelijk klimaat. Met name de media moeten zich inzetten voor evenwichtige berichtgeving om stigmatisering van bevolkingsgroepen te voorkomen. In deze context vraagt Art.1 aan de overheid om terughoudend op te treden met oog op de vrijheid van meningsuiting.
Tot slot brengt Art.1 andere discriminatiegronden naast etniciteit onder de aandacht, die in combinatie met rassendiscriminatie van belang kunnen zijn. Discriminatie van migrantenvrouwen is bijvoorbeeld vaak van andere orde dan discriminatie van mannen. Ook migranten met een handicap en homoseksuelen uit etnische minderheden kunnen met meervoudige discriminatie in aanraking komen.
In een reactie op het ECRI-rapport heeft het kabinet het scherpe debat in Nederland verdedigd. Volgens het kabinet heeft dit debat juist ervoor gezorgd dat problemen benoemd worden en vervolgens oplossingen worden gevonden. Vervolgens roept het kabinet wel op tot een debat die met respect wordt gevoerd en bijdraagt aan maatschappelijke oplossingen.






