Rechter: inburgeringsexamen buitenlandse partner niet verplicht
door Dick Houtzager - 18.07.2008
Dossiers: Overheden en politieke ontwikkelingen, Wet- en regelgeving tegen discriminatie
Het afleggen van een inburgeringsexamen voor partners in het buitenland is niet verplicht. Op 15 juli bepaalde de Amsterdamse rechtbank dat de exameneis niet op de goede manier in de wet is opgenomen. Om die technische reden mag de regeling niet langer toegepast worden. Art.1 heeft eerder gewezen op discriminatie in de wet, omdat inwoners van westerse landen het examen niet, en anderen het examen wel moeten afleggen. Ook de internationale mensenrechtenwaakhond Human Rights Watch kwam tot die conclusie.
Eisen
Volgens de rechtbank moet een aanvraag voor verblijf in Nederland, een Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV), altijd worden afgegeven als aan acht eisen is voldaan. Die eisen staan omschreven in het Vreemdelingenbesluit. Er zijn bepalingen opgenomen over het aantonen van een geldig huwelijk of partnerschap, het hebben van geldige papieren en over het inkomen van de partner in Nederland dat 120 procent van het minimumloon moet bedragen. Omdat deze bepalingen niet de eis van het slagen voor het inburgeringsexamen omvatten, kan ook de Nederlandse Staat deze eis niet stellen voor het afgeven van een MVV.
De Staat kan nog tegen de uitspraak in beroep bij de afdeling rechtspraak van de Raad van State.
Discriminatie
Art.1 heeft al eerder laten weten tegen het verplichte inburgeringsexamen in het buitenland te zijn. Volgens Art.1 leidt de bestaande regeling, opgenomen in de Wet inburgering buitenland (WIB), tot discriminatie op grond van ras en nationaliteit. Dit omdat het examen door mensen uit bepaalde landen wel en door anderen niet hoeft te worden afgelegd. De landen waarvoor een uitzondering wordt gemaakt zijn westerse landen en Japan. De landen waar de examenplicht wel geldt, zijn de traditionele immigratielanden als Turkije en Marokko en andere niet-westerse landen.
Volgens Art.1 is deze indeling willekeurig. Immers, de kans om succesvol in Nederland in te burgeren, wat het doel is van de WIB, hangt niet af van het land van herkomst maar van de mogelijkheden en de vaardigheden die de individuele migrant heeft. De recente ophef over de problematische inburgering van Polen in enkele grote steden, is hier een voorbeeld van. Polen zijn als EU-onderdanen vrijgesteld van de verplichte inburgering.
De Amsterdamse rechtbank heeft zich overigens niet over het discriminatieaspect gebogen.
De internationale mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch heeft de Nederlandse regering in het voorjaar 2008 ook laten weten dat de inburgeringsplicht in het buitenland in strijd is met internationale rechtsnormen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank dringt de organisatie er opnieuw op aan om de wet in te trekken.






