Juridische analyse uitspraken Wilders
door Wies Dinsbach, Carolina de Fey en Eddie Nieuwenhuizen - 24.04.2008
Dossiers: Overheden en politieke ontwikkelingen, Wet- en regelgeving tegen discriminatie
Hieronder de samenvatting van de juridische analyse van Art.1 van de uitspraken die Geert Wilders vanaf 2004 heeft gedaan over de islam.
Klik hier voor de volledige analyse [pdf].
Samenvatting
Het is niet nieuw dat politici in Nederland zich scherp uitlaten over specifieke bevolkingsgroepen in de samenleving. In het verleden heeft dit tot scherpe discussie geleid en in een enkel geval tot een veroordeling wegens discriminatie. Vanaf 2004 veroorzaakt Geert Wilders (PVV) als politicus veel ophef met zijn uitspraken en wordt opnieuw een scherp publiek debat gevoerd over de wenselijkheid en de wettelijke toelaatbaarheid om op deze wijze maatschappelijke kwesties aan de orde te stellen.
Art.1 heeft vanuit een juridische invalshoek bekeken of bij de uitspraken en voorstellen van Wilders sprake is van discriminatie. Daarbij is gelet op de in Nederland belangrijke vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet), het verbod op discriminatie (artikel 1 van de Grondwet) en de uitwerking van deze artikelen in het wetboek van strafrecht.
Vrijheid van meningsuiting is een groot goed in een democratische rechtstaat. In Nederland heeft een ieder het recht om zonder toestemming een mening te uiten. Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat men onbeperkt een mening kan uiten. Men heeft een 'verantwoordelijkheid volgens de wet', dat wil zeggen dat men rekening moet houden met wettelijke regels en met de andere grondrechten in de Grondwet. De grenzen aan de vrijheid van meningsuiting zijn onder meer geregeld in het wetboek van strafrecht. Hier is bijvoorbeeld vastgelegd wanneer sprake is van smaad, laster en belediging en wanneer sprake is van discriminatie. De rechter kijkt per individueel geval naar de feiten en omstandigheden en maakt een zorgvuldige afweging.
Bij politici zoals Wilders speelt de bijzondere omstandigheid dat volksvertegenwoordigers meer ruimte hebben dan de gewone burger om standpunten naar voren te brengen. Het politieke debat is een fundamenteel onderdeel van de democratische samenleving en politici dienen een optimale uitingsvrijheid te hebben zonder vrees voor juridische aansprakelijkheid. Deze context laat veel ruimte voor scherpe en zeer kritische opmerkingen. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mogen uitlatingen zelfs schokkend, aanstootgevend of verontrustend zijn voor delen of het geheel van de bevolking.
Bekijkt men de uitlatingen van Wilders - waaronder ook de film Fitna - per individueel geval dan lijkt in enkele gevallen wel en in andere gevallen geen sprake te zijn van discriminatie. Het grote belang dat wordt gehecht aan vrijheid van meningsuiting en Wilders' positie als volksvertegenwoordiger spelen hierbij een rol. Het Openbaar Ministerie (OM) onderzoekt op dit moment de strafbaarheid van enkele uitlatingen naar aanleiding van ingediende aangiften.
Bekijkt men de uitlatingen die Wilders in de afgelopen vier jaar heeft gedaan als geheel, dan tekent zich een beeld af van steeds weer herhaalde uitlatingen die een hele bevolkingsgroep in een zeer negatief daglicht plaatsen. Het is de vraag of deze keer op keer herhaalde en steeds verdergaande uitlatingen nog kunnen worden beschouwd als een bijdrage aan een politiek debat. De uitlatingen hebben een schadelijke impact op een hele bevolkingsgroep die vanwege haar religie wordt neergezet als een vermeend gevaar voor de Nederlandse samenleving. Dit wekt de indruk van discriminatie. Of dit volgens de wet inderdaad zo is, is nog niet door een rechter getoetst. Indien dit door een aangifte juridisch wordt getoetst kan hier duidelijkheid over ontstaan.
Naast zijn uitlatingen over de islam doen Wilders en de PVV dikwijls voorstellen die in strijd zijn met grondwettelijke rechten zoals vrijheid van godsdienst (artikel 6) en vrijheid van onderwijs (artikel 23). Deze voorstellen zijn juridisch onhaalbaar en onwenselijk omdat ze leiden tot ongelijke toepassing van deze grondrechten en vrijheden. Daaronder bijvoorbeeld het voorstel om geen moskeeën meer te bouwen, islamitisch onderwijs af te schaffen en het bezit van de koran te verbieden. Ook is het voorstel de islam anders te behandelen dan andere religies in strijd met het discriminatieverbod (artikel 1) op grond waarvan de overheid alle godsdiensten gelijk dient te behandelen. In samenhang met de uitlatingen van Wilders over de islam versterken deze voorstellen de indruk dat sprake is van discriminatie.
Behalve de eventuele juridische strafbaarheid of wettelijke haalbaarheid van Wilders uitlatingen en voorstellen, heeft zijn optreden ongewenste maatschappelijke effecten. Door zich bij herhaling zeer negatief uit te laten over de islam, creëert Wilders een buitengewoon negatief beeld van een religie en de mensen die de islam belijden of die ermee worden geassocieerd. Dit kan leiden tot discriminatie en krenking van menselijke waardigheid van moslims en tot angstgevoelens jegens hen. Ook kan dit negatieve beeld leiden tot bijvoorbeeld verminderde participatie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs. Dit is schadelijk voor het individu en evenmin in het belang van de samenleving als geheel vanwege het verlies aan maatschappelijk waardevolle talenten.
Het is aan de strafrechter om een uitspraak te doen of er bij de uitlatingen van Wilders daadwerkelijk sprake is van discriminatie. Op dit moment ligt een groot aantal aangiften bij het OM. Hij beraadt zich erover of deze aangiften aan de strafrechter moeten worden voorgelegd. Behalve het maatschappelijk belang hebben de beslissing van het OM en een eventuele rechterlijke uitspraak groot belang voor Art.1 en de bij haar aangesloten antidiscriminatiebureaus vanwege hun werk op het gebied van het voorkomen en bestrijden van discriminatie.






