Nieuwe maatregelen tegen segregatie in onderwijs
Commentaar Art.1 op plannen staatssecretaris Dijksma
17.03.2008
Dossier: Onderwijs
Begin februari 2008 maakte staatssecretaris Sharon Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen haar plannen bekend om segregatie in het onderwijs tegen te gaan. Naast het voortzetten van reeds bestaand beleid, zal in diverse grote steden geëxperimenteerd worden met aanvullende maatregelen. Verschillende hiervan zijn voorgesteld door of sluiten aan bij de visie van Art.1. Maar Art.1 heeft ook kritiek. Zo is het plan dat scholen quota en aparte wachtlijsten gaan gebruiken voor verschillende doelgroepen, in strijd met de wet.
Aanpak etnische segregatie
In het coalitieakkoord van de regering Balkenende IV is afgesproken dat segregatie in het onderwijs bestreden moet worden. Zonder dat dit specifiek genoemd wordt, gaat het hierbij om etnische segregatie. Autochtone en allochtone leerlingen zijn ongelijk verdeeld over de Nederlandse scholen waardoor gesproken wordt van 'zwarte' en 'witte' scholen. Het 'gemengd' naar school gaan van allochtone en autochtone leerlingen wordt door het huidige kabinet wenselijk geacht vanwege de vermeende bijdrage aan integratie en verbeterde schoolprestaties van allochtone leerlingen.
Uit onderzoeken blijkt dat de invloed van de samenstelling van de schoolbevolking geen eenduidig effect heeft op integratie en schoolprestaties. Desalniettemin acht Art.1 het bevorderlijk voor de sociale cohesie wanneer kinderen én ouders van verschillende achtergronden dagelijks met elkaar in contact komen in en om school.
De mogelijkheden om onderwijssegregatie tegen te gaan zijn beperkt. De segregatie in het onderwijs hangt namelijk sterk samen met de segregatie in de wijken. Ook beperkt de vrijheid van onderwijs volgens Artikel 23 van de Nederlandse Grondwet het aantal sturingsmaatregelen. Ouders zijn vrij om, al dan niet op levensbeschouwelijke grondslag, zelf een school voor hun kind te kiezen.
Maatregelen landelijk
Met de maatregelen die staatssecretaris Dijksma op landelijk niveau neemt, borduurt zij voort op het advies van de Onderwijsraad uit 2005 en de eerdere maatregelen van voormalig onderwijsminister Maria van der Hoeven. Deze maatregelen zijn: investeren in kwaliteit, het vergroten van onderwijskansen door de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs te verhogen, verplicht overleg tussen scholen en gemeente en het verspreiden van kennis en ervaring rondom de aanpak van segregatie.
Deze maatregelen roepen weinig bezwaren op. Wel roepen zij de vraag op in hoeverre zij daadwerkelijk zullen bijdragen aan minder segregatie. Wat houdt 'verplicht overleg' in? Hoe 'hard' moeten de gemaakte afspraken tussen school en gemeente zijn? Wat zijn de consequenties als er niets gebeurt?
Maatregelen lokaal
Terecht merkt de staatssecretaris op dat onderwijssegregatie sterk afhankelijk is van de lokale situatie en daarom op lokaal niveau opgelost moet worden. Zij stelt daarom voor om naast het landelijk beleid in de G4 en in de gemeenten Eindhoven, Nijmegen en Deventer te gaan experimenteren met aanvullende maatregelen.
Een behoorlijk aantal van deze experimentele maatregelen is eerder ook door Art.1 (destijds LBR) aanbevolen. Het instellen van een vast inschrijfmoment is hier een voorbeeld van. Deze maatregel kan voorkomen dat de vaak hoger opgeleide ouders hun kind al zeer vroegtijdig inschrijven op de populaire (lees: witte) school waardoor de school vaak al vol zit op het moment dat andere, vaak allochtone of lager opgeleide, ouders dit doen.
Ook het geven van voorlichting aan allochtone én autochtone ouders over de verschillende scholen, het werken aan positieve beeldvorming over de diverse scholen, het hanteren van een toegankelijk en transparant aannamebeleid en het voorkomen van segregatie in de voorschoolse voorzieningen, sluiten aan bij de visie van Art.1.
Een andere aanbeveling van Art.1, het stellen van een maximum aan de ouderbijdrage, om te voorkomen dat sommige ouders hierdoor afgeschrikt worden, is helaas niet overgenomen.
Wettelijke bezwaren
Het voorstel om op lokaal niveau te experimenteren met dubbele wachtlijsten en quota roept wettelijke bezwaren op. Het is nu nog niet duidelijk op basis van welke criteria er onderscheid gemaakt zal worden. Maar het hanteren van aparte wachtlijsten voor kinderen van allochtone dan wel autochtone afkomst of voor kinderen mét dan wel zonder leerachterstand, zal leiden tot direct of indirect onderscheid. Direct onderscheid is zonder meer verboden in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Indirect onderscheid mag alleen als de maatregel passend en noodzakelijk is om het in principe legitieme doel (gemengde scholen) te bereiken1.
Zolang er nog andere mogelijkheden zijn, en die zijn er zo blijkt uit de plannen van de staatssecretaris, is het maken van onderscheid niet noodzakelijk en dus in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving. Een ouder (autochtoon of allochtoon) die door maatregelen als gescheiden wachtlijsten en quota zijn of haar kind niet kan plaatsen op de school van zijn of haar voorkeur, maakt een goede kans om bij de rechter of de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in het gelijk te worden gesteld.
Conclusie
Het was niet te verwachten dat juist nu een doorbraak zou komen in het oplossen van onderwijssegregatie. De vrijheid van onderwijs, die het huidige kabinet hoog in het vaandel heeft staan, en de gelijkebehandelingswetgeving beperken het aantal maatregelen dat is toegestaan. Zo zijn dubbele wachtlijsten en de quota in strijd met de AWGB en daarom niet de juiste oplossing voor de segregatie. Naast de wettelijke beperkingen bij het vinden van een oplossing zijn er echter ook kansen blijven leggen, zoals het stellen van een maximum aan de ouderbijdrage.
Daartegenover staat dat de nu voorgestelde maatregelen een kans bieden om te onderzoeken wat wél mogelijk en effectief is bij het streven naar gemengde scholen. Alle leerlingen in Nederland hebben tenslotte recht op een school waar zij zich welkom voelen en kwalitatief goed onderwijs ontvangen. Art.1 ziet dan ook graag dat maatregelen zoals het hanteren van een vast inschrijfmoment en het geven van voorlichting aan ouders serieus worden genomen en getoetst worden op hun effectieve bijdrage aan het tegengaan van segregatie.
1 Zie CGB-oordeel 2001-99 en CGB-oordeel 2003-105






