Strafrechtelijke vervolging discriminatie moet beter
14.01.2008
Dossier: Politie en justitie
De strafrechtelijke vervolging van discriminatoire delicten moet nog steeds worden verbeterd. Vooral een exactere definitie en een betere registratie van discriminatie is noodzakelijk. Dit blijkt uit onderzoek van het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht.
Het rapport Strafbare discriminatie, verricht in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en uitgevoerd door het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht, geeft een overzicht over de afhandeling van incidentele discriminatie in de periode 2000-2005. Daaronder worden onder meer verstaan discriminerende uitingen (strafbaar onder art. 137c e.v. Sr), genoemd specifieke discriminatie, en commune delicten met een discriminatoir motief, commune discriminatie. Het rapport stelt dat er problemen zijn bij de juridische aanpak van specifieke discriminatie, maar de aanpak van commune discriminatie blijkt nog moeilijker te zijn.
Dit komt omdat er geen eenduidige definitie bestaat van commune discriminatie onder Nederlandse juristen en dat er dan ook in de praktijk verschillende interpretaties ervan worden gebruikt. Ook het vaak gebruikte concept 'hate crime' is, volgens het rapport, geen geschikte oplossing voor het probleem, omdat het, door de speciale nadruk op spectaculaire incidenten, aandacht afleidt van de veel grotere hoeveelheid gewone discriminatiedelicten. Er blijkt verder geen consensus te bestaan onder de betrokken functionarissen van het Openbaar Ministerie over de vraag in hoeverre een discriminatoir motief reden voor een hogere strafmaat is.
Wat betreft specifieke discriminatie, heeft het Openbaar Ministerie in de onderzoeksperiode 2000-2005 op een totaal van 1.452 feiten 803 dagvaardingen uitgebracht. Jaarlijks zijn door de rechter tussen 93 en 118 veroordelingen uitgesproken. Volgens het onderzoek wordt in ongeveer 40 procent van de veroordelingen een geldboete opgelegd en in 40 procent van de veroordelingen een gevangenisstraf. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om lage sancties: de meeste boetes komen op minder dan 500 euro en bijna de helft van de gevangenisstraffen bedragen 1 tot 30 dagen. Bovendien zijn de straffen vaak voorwaardelijk.
Als er sprake is van commune discriminatie, gaat het in de meeste gevallen om eenvoudige belediging. Toch besteedt het rapport vooral aandacht aan openlijke geweldpleging en bedreiging met enig misdrijf. Er zijn echter moeilijk uitspraken te doen hierover, omdat er volgens de auteurs geen (buiten-)wettelijke criteria bestaan aan de hand waarvan kan worden bepaald of een delict een discriminatoire achtergrond heeft (p. xxiii). Ook al wordt er niet uitsluitend op het gevoel geoordeeld, er bestaat wel degelijk een gebrek aan eenduidigheid in de veroordelingen. Er lijkt gebrek aan deskundigheid te bestaan, zowel binnen de politie als binnen het Openbaar Ministerie ten opzichte van het erkennen van discriminatiecriminaliteit.
Ondanks de ongewisse gegevens komt uit het onderzoek naar voren, dat bij de meeste discriminatoire delicten (hetzij van specifieke, hetzij van commune aard) sprake is van rassendiscriminatie. Het gaat om delicten gericht op de huidskleur en/of etnische afkomst van het slachtoffer. Daarbij zijn de daders overwegend mannelijk (90 procent), etnisch autochtoon (80 procent) en jong. Ook hebben vele daders al een starfbald, hoewel zelden van discriminatoire aard.
De onderzoekers concluderen dat meer onderzoek in deze materie noodzakelijk is, vooral om het definitieprobleem op te lossen. Daarvoor moet de registratie van strafbare discriminatie worden verbeterd, om een zekere twijfel over de effectiviteit van het strafrecht bij discriminatiecriminaliteit (p. xxvii) uit de weg te ruimen en de signaalfunctie van het strafrecht te versterken.






