Uitleg strafrechtartikelen
Uitleg strafrechtartikelen
02.03.2007
Dossier: Wet- en regelgeving tegen discriminatie
In veel gevallen dient men het strafrecht te zien als laatste middel in de bestrijding van discriminatie. Indien men gedrag wil beïnvloeden zijn er vaak betere instrumenten waarmee dat bereikt kan worden. Wil men echter normen stellen dan is het strafrecht een goed instrument. In het huidige Wetboek van Strafrecht is een aantal bepalingen opgenomen op grond waarvan rassendiscriminatie niet is toegestaan. In het onderstaande zullen deze bepalingen deels worden genoemd. Na een toelichting op de inhoud van het begrip ras, de eis van openbaarheid, de eis van opzet en de mogelijke botsing met de vrijheid van meningsuiting, zal een nadere toelichting op elk artikel volgen. Deze bepalingen kunnen worden gebruikt om aangifte bij de politie te doen, waarna de klacht als het goed is doorgespeeld wordt naar het Openbaar Ministerie, dat de zaak via een officier van justitie aanhangig kan maken bij de rechter. In de Aanwijzing Discriminatie is door het OM neergelegd hoe door de politie en het OM dient te worden gehandeld in discriminatiezaken.
Wetboek van Strafrecht
Door de ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie (IVUR) in 1971 verplichtte Nederland zich tot het opstellen van een wettelijke voorziening waarmee rassendiscriminatie kon worden tegen gegaan. Vanaf 1971 kent ons Wetboek van Strafrecht anti-discriminatiebepalingen die in de loop der jaren zijn aangescherpt en uitgebreid met andere discriminatiegronden.
De artikelen die betrekking hebben op rassendiscriminatie zijn verspreid over het Wetboek van Strafrecht te vinden. In artikel 90quater Sr wordt een algemene definitie van discriminatie gegeven.
Als misdrijven worden strafbaar gesteld:
- Het beledigend uitlaten over een groep mensen op grond van hun ras (art. 137c)
- Het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van of gewelddadig optreden tegen mensen vanwege hun ras (art. 137d)
- Het openbaar maken van uitlatingen waarvan men weet of kan vermoeden dat ze voor een groep mensen
wegens hun ras beledigend zijn, dan wel aanzetten tot haat of discriminatie (art. 137e) - Het deelnemen aan of het verlenen van steun aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun
ras (art. 137f) - Het in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf discrimineren van mensen wegens hun ras (art. 137g). Dit laatste is tevens als overtreding strafbaar gesteld in artikel 429quater.
Het is belangrijk om op te merken dat de anti-discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht discriminatie op grond van ras strafbaar stellen, terwijl in het civiele recht naast onderscheid op grond van ras ook onderscheid op basis van nationaliteit onrechtmatig is.
Het begrip ras
Het begrip ras wordt naar vaste jurisprudentie ruim uitgelegd. "Ras" houdt ook in huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Ook begrippen als "buitenlanders", "vreemdelingen" en "asielzoekers" kunnen onder het begrip vallen. Zo is het verboden bij een winkel aan te geven dat maar twee asielzoekers tegelijk naar binnen kunnen. Daarmee discrimineert men op grond van ras.
Openbaarheid
In de artikelen 137c, d en e Sr is opgenomen dat discriminatoire uitlatingen "in het openbaar" moeten zijn gedaan willen ze strafbaar zijn. Voor een antwoord op de vraag wanneer uitlatingen in het openbaar zijn gedaan kan aansluiting worden gezocht bij de betekenis die de Hoge Raad aan het begrip "in het openbaar" heeft gegeven bij het misdrijf opruiing (art. 131 Sr): ""In het openbaar" betekent niet dat de opruiende woorden worden geuit op een openbare plaats; maar dat zij worden geuit onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze, dat zij door het publiek kunnen worden gehoord."
Opzet
Ten aanzien van misdrijven geldt de algemene regel dat opzet moet worden bewezen. Deze regel geldt dus ook voor de discriminatie-misdrijven (art. 137c tot en met g). Voor het aantonen van opzet kan de constructie van het voorwaardelijk opzet worden gebruikt. Het leerstuk van het voorwaardelijk opzet houdt in dat de verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans, dat hij in strijd met de wet handelt. Hij neemt het gevolg van zijn daden op de koop toe; met andere woorden: hij neemt een risico. Of verdachte al dan niet de bedoeling heeft gehad om in strijd met de wet te handelen doet niet terzake.
Vrijheid van meningsuiting
Herhaaldelijk beroept een verdachte zich op de vrijheid van meningsuiting als hij vervolgd wordt op grond van de artikelen 137c, d of e Sr. Natuurlijk staat het uiten van een mening vrij aan een ieder. Maar deze vrijheid kent grenzen en het toelaatbare wordt overschreden indien een van de discriminatie-artikelen wordt overtreden. Met die artikelen heeft de wetgever duidelijke grenzen gesteld aan de vrijheid van meningsuiting. Sommige uitingen van vrijheid van mening kunnen botsen met het grondrecht gevrijwaard te worden van rassendiscriminatie. De rechter zal bij een dergelijk conflict de knoop moeten doorhakken. De artikelen 137c, d en e Sr zijn daarbij de leidraad. Stelt de rechter vast dat een van de discriminatiemisdrijven is overtreden, dan lijkt er nauwelijks ruimte meer om een beroep te doen op de vrijheid van meningsuiting. Een beroep op dat grondrecht biedt dan niet langer bescherming.
Nadere toelichting bij artikel 137c Sr
Of een uitlating al dan niet beledigend is, kan worden nagegaan aan de hand van de criteria die zijn ontwikkeld bij Titel XVI van het Wetboek van Strafrecht - Belediging. Een uitlating is beledigend als zij kwetsend of grievend is en de eer en de goede naam aantast.
Het bijzondere van de belediging bij artikel 137c Sr is, dat de gedane uitlating beledigend moet zijn voor "een groep mensen wegens hun ras". Dit onderdeel geeft in de praktijk weinig moeilijkheden. Het wezenlijke is immers dat de individuele persoon beledigd wordt, omdat hij of zij tot een bepaalde etnische groep behoort. De Hoge Raad heeft overwogen dat:
"rechtbank en hof terecht hebben aangenomen dat passages als "een Duitse jodin - die dus blijkbaar ook niet is vergast" en "de agressieve en kijvende Duitse jodin" uitlatingen bevatten "waarvan het voor iedere normale lezer duidelijk is dat deze voor de joodse bevolkingsgroep in beledigende vorm zijn vervat". Die passages bevatten immers uitlatingen die bezwaarlijk anders kunnen worden uitgelegd dan als beledigend voor joden wegens hun ras. Op grond van dat oordeel konden Rechtbank en Hof aannemen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bedoelde uitlatingen voor joden aldus beledigend waren."
Voor het oordeel of passages uit bijvoorbeeld een artikel beledigend zijn, kan de context van belang zijn. Voorts oordeelde het Hof Amsterdam in 2000 in de zaak Waterdrinker, waarin de schrijver een van zijn romanfiguren discriminerende taal in de mond legde. In eerste instantie werd hij veroordeeld, maar het hof sprak hem vrij omdat niet kon worden aangenomen dat de uitlatingen gedaan door de romanfiguur kunnen worden aangemerkt als uitlatingen van de schrijver zelf. Onder omstandigheden - bijvoorbeeld indien verdachte zijn romanfiguur slechts gebruikt om zijn eigen opvattingen te ventileren, indien de passage niet in het boek of de context past, of indien de passage een zo grote nadruk krijgt dat deze een eigen leven gaat leiden - kon dit wel het geval zijn. De Hoge Raad nam in 2001 afstand van de redenering dat de uitlating van een romanfiguur in beginsel niet kan worden toegeschreven aan verdachte. Een passage moet niet op zichzelf worden gelezen, maar gelet moet worden op de aard en strekking van de roman en de plaats die de betreffende passage daarin inneemt, naast andere omstandigheden die een rol spelen.
Ook de manier waarop een politieke boodschap is verpakt kan in samenhang met bijvoorbeeld een tekening of lay-out bij de beoordeling van de beledigende uitlating betrokken worden. Zo bekeek het Hof Arnhem niet alleen de inhoud van een pamflet van "Neerlands Herstel" maar ook de titel, alsmede de op het titelblad aangebrachte karikaturale tekening.
Nadere toelichting bij artikel 137d Sr
In dit artikel, dat veel overeenkomsten met artikel 137c Sr vertoont, staat centraal het aanzetten tot haat en discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed. "Aanzetten" sluit opzet in, dus ook voorwaardelijk opzet. De term moet ruimer opgevat worden dan "uitlokken". De strafbaarheid van "aanzetten" is niet afhankelijk van de vraag of de haat, de discriminatie of het gewelddadig optreden daadwerkelijk erop volgt, zodat ook het "trachten te bewegen" onder dit begrip valt. Kortom, het gaat in deze om de afzender, niet om de adressant. Het al dan niet resultaat hebben van het aanzetten doet niet ter zake.
Evenals voor het voorgaande artikel, geldt voor artikel 137d Sr dat de bedoeling van de dader niet relevant is. Aan de hand van de gedane uitlatingen dient beoordeeld te worden of er sprake is van aanzetten tot haat of discriminatie. De Rechtbank Zwolle oordeelde over pamfletten van de Centrumpartij '86 dat: "het anno 1994 als een feit van algemene bekendheid mag worden geacht dat teksten als de onderhavige in brede kringen van de samenleving worden opgevat als beledigend en tot discriminatie aanzettend karakter."
Nadere toelichting bij artikel 137e
Artikel 137e Sr heeft een ander karakter dan de twee hierboven besproken artikelen. Dat blijkt ook uit de strafmaat. De maximumstraf bij deze strafbepaling is zes maanden in tegenstelling tot één jaar in de voorgaande twee artikelen.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de woorden "anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving" in art. 137e Sr zijn opgenomen om de vrijheid van meningsuiting niet onnodig te beperken (Kamerstukken II 1967/1968, 9724, nr. 3, p. 5).
Of uitlatingen "anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving" ter verspreiding in voorraad worden gehouden dient uit de bewijsmiddelen te blijken. "Zakelijke berichtgeving" moet door de verdachte moet worden aangevoerd. Indien een verdachte een dergelijk verweer voert, hoeft de rechter in zijn vonnis daarop niet uitdrukkelijk te reageren. De rechter kan volstaan met de verklaring dat hij het feit bewezen acht. Daarmee bestempelt hij de aard van de berichtgeving tot niet-zakelijk.
De bedoeling van de verdachte, die bij de vorige twee artikelen niet van belang was, kan bij artikel 137e Sr een rol spelen bij de beoordeling of de verspreiding al dan niet ten behoeve van zakelijke berichtgeving strekte.
Onder "voorwerpen" worden naast geschreven teksten, ook films, televisieopnamen, geluidsbanden en dergelijke begrepen (Kamerstukken II 1967/1968, 9724, nr.3, p.5). Wanneer een voorwerp al dan niet beledigend is, blijkt niet eenduidig uit de rechtspraak. Een standaardlijst van verboden voorwerpen bestaat er dan ook niet. Zo vond de Rechtbank Breda dat een voorwerp voorstellende een swastika door een adelaar wordt vastgehouden, zonder meer een voorwerp is waarin een uitlating is vervat als bedoeld in art. 137e lid 1 onder 1 Sr. De Hoge Raad heeft echter een andere opvatting hierover: "Het Hof heeft, weliswaar aannemelijk achtend dat de emblemen onder omstandigheden moeten worden beschouwd als voorwerpen die een uitlating, als bedoeld (in art. 137e Sr, red.) bevatten, in dit geval geoordeeld dat het gebruik dat de verdachte van de betrokken emblemen heeft gemaakt (te weten: het ter verkoop in voorraad hebben voor verzamelaars van militaire curiosa, naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld) deze nog niet tot de in de wet bedoelde voorwerpen maakt."
Ook het boek Mein Kampf is een voorwerp zoals door dit artikel bestreken. Wel is het zo dat de Minister van Justitie op 7 maart 2002 verklaard heeft dat de verkoop van dit boek in de toekomst niet langer vervolgd zou moeten worden.
Zoals eerder vermeld, is sinds 1992 ook het ongevraagd doen toekomen van een voorwerp waarin racistische uitlatingen zijn vervat strafbaar gesteld. Daarmee kan ook in gevallen waarin het niet meteen zeker is of er sprake is van verspreiden - bijvoorbeeld omdat één persoon één exemplaar van een beledigend geschrift ontvangt - strafrechtelijk worden opgetreden. Ook valt hieronder het drukwerk dat ongevraagd in de bus geduwd wordt.
Nadere toelichting bij artikel 137f Sr
Deelnemen aan discriminerende activiteiten als bedoeld in art. 137f Sr houdt in het verrichten van daden die deel uitmaken van een gezamenlijk handelen. Het artikel lijkt dan ook aan te sluiten bij artikel 140 Sr (verboden organisatie). Van degene die verdacht wordt van overtreding van deze strafbepaling wordt vereist, dat hij bewust en daadwerkelijk aan activiteiten welke gericht zijn op discriminatie deelneemt. Steunverlening in financiële of anderszins materiële zin aan discriminerende activiteiten sluit immateriële steunverlening (bijvoorbeeld adhesiebetuigingen) uit.
Nadere toelichting bij artikelen 137g en 429quater Sr
Artikelen 137g en 429quater Sr betreffen beide discriminatie in het kader van een ambt, beroep of bedrijf. Bij artikel 137g moet men echter opzet bewijzen, omdat het om een misdrijf gaat, terwijl dit in het geval van artikel 429quater Sr, een overtreding, niet hoeft.
Onder "ambt" moet volgens de Hoge Raad worden verstaan iemand die door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking teneinde een deel van de taak van de staat of zijn onderdanen te verrichten. Het gaat om mensen die in overheidsdienst zijn. Discriminerende politie-ambtenaren bijvoorbeeld kunnen op grond van dit artikel worden vervolgd. Ook met de aanvulling "ambt" zullen er instellingen blijven die niet onder deze strafbepaling vallen, zoals scholen en verpleegtehuizen. Evenwel staat in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag, dat onderwijsinstellingen op commerciële basis en maatschappelijke instellingen geacht kunnen worden een bedrijf uit te oefenen. Voor de aanpak van discriminatie door de categorie instellingen die niet onder artikel 137g Sr valt, staat natuurlijk altijd de civiele weg open.
De artikelen 137g en 429quater Sr verbieden het discrimineren wegens ras in de uitoefening van ambt, beroep of bedrijf. In het algemeen moet men onder "beroep of bedrijf" verstaan het verrichten van activiteiten die als hoofd- of nevendoel het verwerven van inkomen of het maken van winst hebben. Die activiteiten dienen ten laste gelegd en bewezen te worden, anders volgt vrijspraak. De aard van de activiteiten is voorts doorslaggevend.
In horecazaken met betrekking tot weigering van toelating, kan zowel de portier worden gedagvaard als de eigenaar van een discotheek. Wordt een beheerder of bedrijfsleider van een horecabedrijf binnen vijf jaar tijd twee maal onherroepelijk tot geldboetes van 500 euro of meer veroordeeld wegens overtreding van artikel 429quater Sr, dan dient de horeca-vergunning te worden ingetrokken door het college van B&W. Dit op grond van artikel 4 lid 2 onder c van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Uiteraard hebben B&W - los van bovenbedoelde wettelijke verplichting - ook de bevoegdheid maatregelen te nemen gericht op intrekking of beperking van de verleende vergunning bij gebleken (herhaling van) rassendiscriminatie.
Een verweer dat vaak in horecazaken wordt aangevoerd voor het weigeren van mensen uit etnische groepen is een ordemaatregel. Dit levert altijd achterstelling van die personen wegens ras op. Immers, hoe legitiem het ook moge zijn om de orde in een discotheek te willen handhaven, zodra iemand vanwege zijn ras wordt geweigerd, is er sprake van discriminatie op grond van ras. Dit is ook het geval, indien die weigering geschiedt met het motief om het gevaar voor de verstoring van de goede omgang tussen de bezoekers van de discotheek zoveel mogelijk te verminderen. Hetzelfde geldt wanneer die personen op andere momenten wel (zouden) worden toegelaten. Het motief of het tijdelijke karakter van de weigering ontnemen aan de weigering van betrokken personen niet de strafbaarheid als bedoeld in artikel 429quater Sr.
Conclusie
De bepalingen die neergelegd zijn in het Wetboek van Strafrecht geven duidelijk een grens aan wat toelaatbaar is en wat niet. Hoewel het begrip ras ruim geïnterpreteerd wordt, moet voor een veroordeling aan vrij hoge eisen worden voldaan: te denken valt aan het openbaarheidvereiste en het opzetvereiste. Ook is de rechter redelijk terughoudend in de beoordeling van bijvoorbeeld artikelen en literatuur. Het is dus zeker niet zo dat men in Nederland zijn mening helemaal niet vrij kan uiten.
Literatuur
Civiel- en strafrechtprocedures
Werkgroep recht en rassendiscriminatie, Utrecht. 1986
Gelijkheid, gelijkwaardigheid, discriminatie en het recht
Dijk, P.L. . . e.a.
VU Amsterdam, Amsterdam, 1985
Racistische en rechts-extreme partijen in Nederland
Eck, F. van . . (red)
LBR, Rotterdam, 2002
Goed, er is een richtlijn - Maar hoe is het met de effectiviteit gesteld ?
Verslag van de conferentie 'Samenwerking politie, Openbaar Ministerie en Anti Discriminatie Bureaus'
NCB, Utrecht, 1997
De behandeling van discriminatiezaken door politie en justitie : Onderzoek naar het opnemen van aangiften, toepassen van politiesepot en de vervolging van discriminatiezaken
Holthuizen, M.
RU Utrecht - wetenschapswinkel Rechten, Utrecht, 1992
Strafbare belediging
Janssens, A.L.J.
Thela Thesis, Amsterdam, 1998
Antisemitisme en strafrecht
Kant, H. van de
Doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Leiden, 1993
De juridische aanpak van racistische/antisemitische uitlatingen : Strafrechtelijke, civielrechtelijke en administratiefrechtelijke mogelijkheden
Kieft, E. van de en F. Klooster
RU Utrecht - wetenschapswinkel Rechten, Utrecht, 1990
Bewijsrecht en discriminatie bij de arbeid
Leenders, M.A.J.
W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1997
Legal instruments to combat racism on the internet : Report prepared by the Swiss Institute of Comparative Law European Commission against Racism and Intolerance (ECRI)
Raad van Europa
Strasbourg (F), 2000
Legal measures to combat racism and intolerance in the member states of the Council of Europe
European Commission against Racism and Intolerance (ECRI)
Raad van Europa
Strasbourg (F), 1997
Wegens gebrek aan bewijs : Problemen rond de strafrechtelijke handhaving van het verbod van discriminatie wegens ras
Magram-Tetteroo, A.J.M.
DoctoraalscriptieStrafrecht Rijksuniversiteit Leiden1987
Discriminatie en strafrecht : Monografieën strafrecht 6
Neut, J.L. van der
Gouda Quint, Arnhem, 1986
Rechtspraak rassendiscriminatie : 1995-2000
Nieuwboer, J.W. (red)
LBR - W.E.J. Tjeenk Willink, Rotterdam/Zwolle, 2001
Met recht discriminatie bestrijden : Een juridische handleiding bij de bestrijding van discriminatie op grond van ras en nationaliteit
Pattipawae, C.F. en C.A. Tazelaar (red)
LBR - W.E.J. Tjeenk Willinlk, Utrecht / Deventer, 1997
Rechtspraak rassendiscriminatie : Editie 1995
Possel, A.C. (red)
LBR - W.E.J. Tjeenk Willinlk, Utrecht / Deventer, 1995
Rechtspraak rassendiscriminatie 1986-1987
Possel, A.C. (red)
Koninklijke Vermande, Lelystad, 1988
Rechtspraak rassendiscriminatie
Possel, A.C. (red)
Koninklijke Vermande, Lelystad, 1987
Rechtspraak rassendiscriminatie : 1988-1990
Possel, A.C. (red)
LBR - W.E.J. Tjeenk Willink, Utrecht/Zwolle, 1991
Vrijheid van meningsuiting en discriminatie in Nederland en Amerika
Rosier, T.
Ars Aequi Libri, Nijmegen, 1997
De praktijktest als bewijs van rassendiscriminatie bij kamerverhuur
Spee, G.
RU Utrecht - wetenschapswinkel Rechten, Utrecht, 1992
Strafrecht en rassendiscriminatie
Werkgroep recht en rassendiscriminatie, Utrecht, 1985






