Scholen niet optimaal geholpen door Kledingleidraad Van der Hoeven
Scholen niet optimaal geholpen door Kledingleidraad Van der Hoeven
door Jeroen Visser - 01.07.2003
Dossier: Onderwijs
Op 11 juni 2003 heeft het Ministerie van Onderwijs de 'Leidraad kleding op scholen' uitgebracht en over de scholen verspreid. De leidraad moet in het onderwijs duidelijkheid verschaffen over het al of niet mogen verbieden van gezichtsbedekkende sluiers, hoofddoekjes, bomberjacks en naveltruitjes. Over de alles bedekkende sluiers en weinig verhullende naveltruitjes is de Leidraad van de minister inderdaad klaar en helder. De Leidraad sluit hier aan bij opvattingen die maatschappelijk weinig omstreden zijn en die ook nauwelijks stof voor het juridisch dispuut aandragen. Dit geldt in veel mindere mate voor de in de Leidraad aangegeven richtlijnen ten aanzien van hoofddoekjes en met extreemrechtse opvattingen geassocieerde kledingsstukken als bomberjacks.
In januari van 2003 gaf het LBR in een persbericht aan dat een verbod op het dragen van een gezichtsbedekkende chador mogelijk is, wanneer een onderwijsinstelling of werkgever dat verbod op functionele gronden goed motiveert en vastlegt. Bij zon verbod kan er sprake zijn van indirecte discriminatie van vrouwen en op grond van geloof. Wettelijk is echter vastgelegd dat een objectieve rechtvaardiging van een maatregel zwaarder kan wegen dan het, in beginsel, niet toegestaan zijn van indirecte discriminatie. Het chadorverbod was actueel geworden doordat twee leerlingen van het ROC Amsterdam het verbod van hun school aankaartten bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). Het CGB bevestigde in maart dat het ROC de gezichtssluier mag verbieden omdat open interactie in het onderwijs zwaarder moet wegen dan het recht om een sluier te dragen. In haar kledingleidraad volgt de minister dit oordeel van het CGB.
Naveltruitjes, baseballpetten en andere lichaamsbedekkende of -onthullende kledingstukken stellen de minister voor minder problemen dan kledingsstukken die verbonden kunnen zijn aan de religieuze, politieke of etnische identiteit van personen. Anders dan godsdienstige overtuiging, vrijheid van meningsuiting en non-discriminatie op grond van ras, zijn het recht op sex-appeal en een hip imago niet door de wet beschermd. Voor dergelijke kledingvoorschriften kan een school zondermeer een verbod instellen. Enige voorwaarde is dat de school daarbij voldoet aan de procedurele eisen die gelden bij het vastleggen van het verbod.
Ingewikkelder wordt het wanneer het gaat om het wettelijk wel of niet toegestaan zijn van hoofddoekverboden. Voor het openbaar onderwijs, dat toegankelijk moet zijn voor personen van alle gezindten, ligt de zaak eenvoudig. Uit godsdienstige overtuiging kunnen mensen een hoofddoek, Chador, keppeltje of tulband dragen. Het verbieden van dergelijke kleding is in strijd met Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Zon verbod maakt namelijk indirect onderscheid op grond van godsdienst, aangezien het verbod alleen aanhangers van de betreffende godsdienst treft. Het doet verder niet ter zake dat andere gelovigen, die dezelfde godsdienst aanhangen, zon kledingvoorschrift niet als verplichtend zien. Wel is, omdat het om indirect onderscheid gaat, een verbod mogelijk wanneer daar een objectieve rechtvaardiging voor is. Zoals dat het geval is bij het chadorverbod.
Naast de objectieve rechtvaardiging ziet de minister echter nog een uitzondering, namelijk voor het bijzonder onderwijs. De minister stelt in de Leidraad: "Een katholieke of protestants-christelijke school mag leerlingen of docenten ( ) verbieden een hoofddoek of gezichtsbedekkende sluier te dragen, als de school aannemelijk kan maken dat zulke geloofsuitingen het onmogelijk maken de grondslag van de school te verwezenlijken. Zon verbod mag alleen worden toegepast als er een consequent aannamebeleid wordt gevoerd in het licht van de grondslag van de school ( )."
Nu zijn er twee soorten consequent aannamebeleid. Of de school neemt consequent alleen leerlingen van de eigen gezindte aan, of de school laat consequent leerlingen van diverse gezindten toe. Voor een school die consequent kiest voor leerlingen van de eigen godsdienst, zijn problemen met godsdienstige kledingsvoorschriften niet aan de orde. Een school die wel leerlingen van diverse levensovertuigingen toelaat, mag bij de toelating eisen tellen, zoals het respecteren van de grondslag en het deelnemen aan alle activiteiten op school. Maar wanneer een bijzondere school leerlingen van een bepaalde godsdienst toelaat, moet zij hen ook toestaan zich naar die godsdienst te gedragen, bijvoorbeeld door het dragen van een hoofddoek of keppel. Anders handelt zij in strijd met de AWGB.
Begin augustus doet de CGB, aan wiens mening de minister grote waarde hecht, uitspraak in een zaak waarin precies zon kwestie aan de orde is. Een katholieke school, die moslims toelaat, verbiedt hoofddoeken met een beroep op haar grondslag. Twee leerlingen hebben dit verbod bij het Utrechtse antidiscriminatiebureau STAD aanhangig gemaakt. Na vergeefse bemiddelingspogingen is de zaak aan het CGB voorgelegd. Door STAD en LBR is het verzoek aan de Commissie zodanig geformuleerd dat, in de eerste week van augustus, een principe-uitspraak over deze kwestie verwacht kan worden. Dan zal blijken of de Leidraad aanpassing behoeft.
Het standpunt van de minister ten aanzien van soms met extreemrechtse opvattingen geassocieerde kledingsstukken als bomberjacks, maakt het voor scholen eerder moeilijker dan gemakkelijker om maatregelen en beleid te ontwikkelen wanneer rond dergelijke kledingstukken en symbolen problemen ontstaan. In haar Leidraad stelt de minister: "Soms laten mensen met hun kleding zien dat zij zich identificeren met bepaalde (politieke) ideeën ( ) geassocieerd met extreemrechtse opvattingen. Het verbieden van zulke kleding kan de in de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting aantasten. Een school mag daarom dergelijke kleding niet verbieden vanwege de inhoud van zulke ideeën. Beperkingen aan zulke kleding stellen mag wel om andere redenen, bijvoorbeeld als het nodig is om wanordelijkheden te voorkomen."
De minister doet het voorkomen alsof bij een dergelijk kledingverbod onmiddellijk sprake is van direct onderscheid naar politieke of levensovertuiging. Maar scholen hebben over het algemeen pas een probleem wanneer groepsvorming en daarbij horende uitingen het klimaat op de school zodanig aantasten dat de schoolleiding haar plicht om leerlingen en personeel te beschermen, tegen ongewenst gedrag, discriminatie, etc., niet meer kan nakomen.
Wanneer een school met extreme tegenstellingen en bedreigend gedrag wordt geconfronteerd, zal zij op vele manieren proberen af te spreken hoe men binnen de school met elkaar om wil gaan en hoe afspraken daarover worden gehandhaafd. Als daarbij blijkt dat een algemeen verbod noodzakelijk is op uitingen die voor anderen bedreigend zijn, dan mag de school zon verbod instellen om aan haar wettelijke beschermplicht te voldoen, en kunnen bepaalde vormen van kleding onder dat verbod vallen.
Leerlingen die door zon verbod bepaalde kleding niet meer mogen dragen, zouden kunnen stellen dat de school verboden onderscheid maakt op grond van levens- of politieke overtuiging. In juridische zin zal het voor hen dan echter, anders dan de minister wellicht denkt, nog moeilijk zijn aan te tonen dat de kleding symbool staat voor hun politieke of levensovertuiging. Maar ook wanneer die interpretatie wordt geaccepteerd, gaat het niet om direct maar om indirect onderscheid. Er is geen sprake van direct onderscheid gericht op uitingen van een bepaalde overtuiging; maar door een algemene maatregel, gericht op het handhaven van een veilig klimaat op scholen, worden wellicht uitingen van personen met een bepaalde overtuiging onevenredig vaak getroffen. In zon geval is er sprake van indirect onderscheid. Scholen kunnen echter aanvoeren dat er voor dit indirecte onderscheid een objectieve rechtvaardiging is: het uitoefenen van haar beschermlicht. Rechtsprekende instanties zouden dit moeten accepteren.
Afgezien van de juridische aspecten, is het maatschappelijk onwenselijk het alleenrecht van zulke algemene symbolen als vlaggen of kledingkenmerken aan bepaalde extreemrechtse of extreemnationalistische groepen te laten. De Nederlandse vlag, bijvoorbeeld, is in Nederland een symbool voor velen, en geen onderdeel van het uniform van een bepaalde, intolerante stroming.
Jeroen Visser was hoofd communicatie LBR (nu Art.1)
Dit artikel verscheen eerder in Zebra Magazine 2 / juli 2003.
Zie ook:
CGB-advies 'Gezichtssluiers en hoofddoeken op scholen' (10-6-2003)






