Reageer altijd, maar bedenk wat je wilt bereiken
Verslag studiedag
door Leyla Hamidi en Evelyne Hurkmans - 26.07.2003
Dossier: Radicalisme en extremisme
In het onderwijs zijn de discussies niet van de lucht. De burqa, de chador, het hoofddoekje en andere kledingvoorschriften, taalgebruik, extreemrechtse uitingen en groepsvorming. Het LBR (nu Art.1) organiseerde daarom op 4 juni 2003 een studiedag: 'Dilemma's in het onderwijs: Chador, Lonsdale, groepsvorming - wat doe ik eraan?' In verschillende workshops kregen de deelnemers uit het onderwijs, het jongerenwerk en het welzijnswerk achtergrondinformatie, praktische handreikingen en suggesties om problemen te voorkomen of aan te pakken. Een verslag van twee workshops.
De aanleiding voor het LBR (nu Art.1) om de studiedag te organiseren, was een aantal recente conflicten in het onderwijs. Het ROC Amsterdam wilde meisjes die een volledige gezichtssluier droegen de toegang tot de school te ontzeggen. In Landgraaf stuurde een middelbare school leerlingen naar huis als zij op school verschenen in kleding van het merk Lonsdale. Ook scholen in Middelburg stelden een dergelijk verbod in. Het Haagse ROC haalde de media met een mogelijk verbod op het spreken van vreemde talen binnen de school. Daarnaast was er de vrees voor uit de hand lopende discussies over internationale gebeurtenissen als de oorlog in Irak en het Palestijns-Israëlisch conflict. Kortom, voldoende stof voor een onderwijs-studiedag.
Er waren vijf workshops: groepsvorming en groepsprocessen onder jongeren, wettelijke kaders voor regelgeving in het onderwijs, rechts-extremisme onder jongeren, hoe om te gaan met een multi-etnische en multiculturele schoolpopulatie en de workshop 'Reageren op
'. De deelnemers konden er twee kiezen en dat deed Zebra Magazine ook.
Reageren op... racisme en discriminatie
In de workshop `Reageren op ' konden de deelnemers met behulp van een professionele acteur moeilijke gesprekssituaties oefenen. In de workshop werd gewerkt met concrete cases die de deelnemers zelf vanuit hun eigen praktijk hadden aangedragen. De deelnemers waren enthousiast over de workshop. De ervaring leert dat ofschoon veel mensen in eerste instantie wat huiverig ten opzichte van rollenspelen staan, ze na afloop concluderen dat ze er toch veel van hebben geleerd. Als ze gaan spelen in een levensechte interactie, in veilige omgeving, dan komen ze zichzelf als het ware tegen. Er komen zaken naar boven waarvan ze in eerste instantie niet zo bewust van waren. Ze krijgen feedback en kunnen hun reacties bijstellen. De training was erop gericht de deelnemers te laten ontdekken waar ze sterk in zijn, ze te bemoedigen en niet af te kraken en ze laten ontdekken wat wel en wat niet werkt in een specifieke situatie. Een opvallende conclusie: vaak blijkt dat men zijn doelen te hoog stelt in dit soort situaties. Mensen willen oplossen, foute ideeën rechtzetten. Het is beter eerst een signaal te geven en er op een ander moment op terug te komen. Zo houd je de regie in handen.
Een van de cases schetst de situatie in een klas. De acteur speelt leerling Jan en drie deelnemers spelen leerlingen en een docent. Jan heeft geen zin in de les, hij is een beetje agressief en wat gefrustreerd. De docent wil weten wat de leerlingen vinden van de rellen tussen etnische groepen. Er ontstaat discussie. Jan maakt provocerende opmerkingen, verbaal en non-verbaal, en maakt neerbuigende opmerkingen in de richting van de docent. Het is goed dat we ons verdedigen, vindt hij. De aandacht van de docent richt zich uitsluitend op leerling Jan. Jan domineert de situatie, hij krijgt veel ruimte. Jan ging respectloos met de docent om, ofschoon deze daar weinig last van bleek te hebben. Uitgangspunt van de trainers is: hoe ga je met elkaar om op school, hoe praat je met elkaar? Behandel je elkaar met respect? Eis dan ook respect voor jezelf als docent. In dit kader is het schoolbeleid ook belangrijk. Wat zijn de afspraken die je met elkaar als school maakt?
Gesprekstechnieken
De workshop 'Reageren op ' gebruikt algemene, bekende gesprekstechnieken. Uitgangspunt is dat als je iets wilt bereiken je de discussie moet aangaan en interesse voor je gesprekspartner moet tonen. Je moet je niet te veel uit het veld laten slaan door de opmerkingen waarop je reageert. Je kunt zelf het gesprek in de hand houden. Bijvoorbeeld door vragen te stellen en ervoor te zorgen dat de ander over het onderwerp gaat nadenken. Je moet bekijken hoe je het voor jezelf makkelijker kunt maken. De leerling moet niet de agenda bepalen. Als docent dien je te weten wanneer je bepaalde zaken aan de orde wilt stellen. Het moet niet alleen gaan om de docent en de leerling die stoort. Je wilt stimuleren dat ze van elkaar leren en dat ze dus onderling in discussie gaan. De docent is daarbij de procesbewaarder. Hij dient daarbij uit te gaan van algemene regels. Bijvoorbeeld, wij behandelen elkaar in deze klas met respect. Een uitgangspunt als rechtvaardigheid is voor iedereen te begrijpen en gemakkelijker dan specifieke regels die bepaalde groepen betreffen, zoals in het geval van non-discriminatie. Daarnaast is het gemakkelijker om te werken met regels die niet alleen voor die ene docent, maar voor de hele organisatie gelden, bijvoorbeeld wanneer je een gedragscode instelt. In het algemeen dien je te werken aan een goede, veilige sfeer in de school waardoor mensen voor hun mening durven uit te komen. Maar: er zijn geen standaardoplossingen. De aanpak moet bij de situatie passen en bij jezelf.
Signaal afgeven
Een andere case beschrijft de situatie waarbij een groepje leerlingen op de gang staat en napraat over de voorlichting over discriminatie die het net heeft gekregen van een medewerker van een ADB. De docent loopt langs en hoort het groepje praten over 'kutmarokkanen die maar voor zichzelf moeten opkomen'. De vraag is wat doe je dan, zeg je er wat van en zo ja, wat dan? De trainers gaan ervan uit dat je in eerste instantie niet moet willen overtuigen of proberen leerlingen te veranderen. Dat is vaak te hoog gegrepen. Je kunt beter je doel lager stellen en alleen een signaal afgeven - 'zo gaan we hier niet met elkaar om'. Later kun je er nog op terug komen. Dat is effectiever. Geef in een dergelijke groepssituatie echter altijd een signaal af, er staan immers ook ander leerlingen bij die anders de indruk kunnen krijgen dat wat binnen de klas niet is toegestaan buiten de klas wel mag. Het uitgangspunt is 'reageer altijd, maar bedenk wat je wilt bereiken'. Wil je een gesprek, begin dan met een vraag. Doe een beroep op het algemene rechtvaardigheidsgevoel van de leerling. Voorkom dat er wordt gesproken over groepen. Je kunt nooit namens de groep (de Nederlanders, de Marokkanen) praten. Je hebt allemaal je eigen individuele verantwoordelijkheid. Je ziet soms dat een persoon die op zijn of haar gedrag wordt aangesproken, zich ten onrechte voelt aangesproken en vervolgens de ander beschuldigt van discriminatie. Maak dan duidelijk dat je hem of haar persoonlijk aanspreekt op zijn of haar gedrag en dat dit geen discriminatie is.
Het thema racisme/discriminatie is vaak beladen, maar eigenlijk is het een onderwerp als elk ander. Over het algemeen wachten mensen lang met reageren. Discriminatie remt mensen af. Maar het gaat gewoon om ontoelaatbaar gedrag - niet meer, niet minder. Als iemand midden in een vergadering ineens zijn voeten op tafel legt, dan zeggen we ook onmiddellijk, `doe die voeten eens weg'. Zo zou het ook moeten zijn met discriminatie. Het feit dat iemand discrimineert zegt nog niets over die persoon, wie hij is en hoe hij denkt. Hij is niet per se fout. Je moet aan dergelijk gedrag niet meteen een etiketje plakken, dan wordt het onbespreekbaar. Dat het gedrag niet te tolereren is, staat vast. Daarom wil je het stoppen. Je kunt en moet over een zwaar beladen onderwerp als racisme gewoon praten.
Een training helpt mensen om dergelijke moeilijke situaties te oefenen en te bespreken. Het doel is om mensen te bemoedigen en te sterken. Wil je het geleerde toepassen in de praktijk dan is veiligheid in de klas een voorwaarde. De docent en zijn of haar collega's dienen samen met hun leerlingen een cultuur te creëren waarin zaken bespreekbaar zijn. Bij de kreet `Hamas, Hamas, joden aan het gas' ligt bijvoorbeeld een grens, ook als het om vrijheid van meningsuiting gaat. Het tast het gevoel van veiligheid en de sfeer in de klas aan. Het gaat er immers om problemen en conflicten hanteerbaar te maken. Docenten moeten grenzen duidelijk stellen - maar het is niet hun levenstaak.
Groepsvorming
De workshop Groepsvorming en groepsprocessen onder jongeren - en hoe hier mee om te gaan, onder leiding van Baud Vandenbemden, beloofde theorie en praktijk te koppelen. Vandenbemden is een sociaal assistent uit België, gespecialiseerd in de Themagecentreerde Interactie (TGI). In deze wat onbekende discipline verzorgt hij regelmatig trainingen. Daarnaast is hij onder meer werkzaam als ambulant jongerenwerker bij Punt Welzijn te Weert.
In het eerste deel van de workshop liet Vandenbemden de deelnemers kennis maken met een model uit de integrale psychologie van Ken Willber. Dit bleek een verrassend handzaam model dat inzichtelijk maakt dat het wereldbeeld van jongeren zich ontwikkelt. Ook de rol van jongerengroepen werd hierbij besproken. Acht belangrijke fasen werden belicht - een viertal van bijzondere betekenis voor jongeren. Fase 3 draagt de naam Machtsgoden. Het draait in deze fase om macht en uiterlijk vertoon. Voorbeelden van helden zijn rockzangers, James Bond en gelukszoekers. Fase 4 wordt gekenmerkt door Conformistische regels. Strakke regels en uitgesproken waarden zijn belangrijk. Het Goed en Kwaad zijn helder. De jongere wordt geleid door een almachtige Ander. Er is slechts sprake van één weg, één visie. Associaties hiermee zijn bewegingen als het Vlaams Blok en personen als Osama Bin Laden. Fase 5 heet Wetenschappelijk presteren. Jongeren in deze fase hechten aan objectiviteit en logica. Status, ambitie en macht worden bereikt door rede. Denk daarbij aan carrièremakers. Een jongeling in deze fase is sterk gericht op het individu. Fase 6 is de fase van de Sensitieve zeef. Deze fase is een waar poldermodel met ruimte voor praten en verzoening. In deze fase heeft men interesse voor bijvoorbeeld milieu en de multiculturele samenleving.
Vandenbemden benadrukte dat de fasen slechts een kapstok zijn om inzicht te verkrijgen. De fasen moeten niet gezien worden als een weg naar de top: ze bestaan niet echt, maar zijn een denkmodel.
Evolutie in jezelf
In kleine groepjes werd gewerkt om vanuit de persoonlijke geschiedenis van de deelnemers het model praktisch toe te passen. Men vroeg zich bijvoorbeeld af welke twee groepen jongeren de persoonlijke geschiedenis het meest beïnvloedden. Was er sprak van evolutie in je groep? Zo ja - welke evolutie? De koppeling naar de eigen ervaring met jongeren werd door de deelnemers al snel gemaakt. Vandenbemden concludeerde dat men groepen jongeren doorgaans een te grote stap wil laten maken: van de machtsgoden naar het wetenschappelijk presteren of misschien wel de sensitieve zeef. Dit is niet realistisch. Een rechts-extremistische jongere (fase 3) kun je niet veranderen in een vredesactivist (fase 6). Simpelweg omdat iemand in fase 4 niet open staat voor ideeën van anderen - laat staan dat hij in staat is om te overleggen en begrip te tonen. Een stap van de machtsgoden naar de conformisten is echter wel haalbaar als voorlopig tussenstation. Ook een omslag bij de conformisten bewerkstelligen is een reële optie. Jongeren die in deze fase zitten, zijn gevoelig voor regels en waarden. De eerste stap is dan om als groepsbegeleider inzichtelijk te krijgen welke regels er gelden en vervolgens nieuwe (positieve) normen en waarden te introduceren. Vooral het inzicht om niet te grote stappen willen maken was voor veel deelnemers een leermoment.
Het IK, WIJ, HET en GLOBE-model
In het tweede gedeelte van de workshop doken de deelnemers dieper in de Themagecentreerde Interactie. TGI kent vooral in de Verenigde Staten en Duitsland aanhangers. De grondgedachte is het door Ruth Cohn ontwikkelde IK, WIJ, HET en GLOBE-model. Dat model gaat ruwweg als volgt: elke situatie waarin mensen bij elkaar zijn en samen met iets bezig zijn is een systeem - thuis, op school, bij de voetbalclub of op de camping. Het individu (IK), de interacties (WIJ), de taak (HET) vormen samen: de GLOBE. Voor begeleiders die met jongeren werken is het allereerst belangrijk om met thema's te werken die in de groep leven. Met deze tools - IK, WIJ, HET en GLOBE - gaf de Belg een tweede opdracht: 'bedenk hoe je een groep jongeren waarmee je werkt, zou willen veranderen. Hoe kun je deze groep positief beïnvloeden? Probeer een ingang te vinden'. Vandenbemden spoorde de deelnemers aan om 'op zoek te gaan naar dat wat energie creëert'. Wat houdt de groep bezig? In principe verdient daarbij alles respect. Voor begeleiders is het van groot belang om zorgvuldig om te gaan met de groepsstructuur. Hierdoor wordt vertrouwen gekweekt en voelen groepsleden zich verbonden met elkaar. Zo ontstaat voor iedere jongere uiteindelijk de ruimte om te leren en te veranderen.
De deelnemers vonden een ware voedingsbodem om inzicht te krijgen in hun jongeren en de mogelijkheden om ze positief te beïnvloeden. Nu kreeg de ene deelnemer daarbij meer instrumenten voor de praktijk in handen dan de ander. Dat kon haast niet anders omdat de groep deelnemers zeer divers was. Degenen die werkzaam zijn in het jongeren welzijnswerk of onderwijs konden direct aan de slag. De wijkagent en de beleidsambtenaar daarentegen hadden niet direct iets aan de praktische vaardigheden, maar waren - net als eigenlijk alle deelnemers - blij ervaringen te kunnen uitwisselen. 'Het is een verademing om eens te praten over problemen met mensen die werken met dezelfde doelgroep maar vanuit een ander perspectief', aldus een van de deelnemers.
Drs. M.G.C.E. Hamidi is beleidsmedewerker internationale zaken bij Art.1, drs. E.G.M. Hurkmans was informatieadviseur bij het LBR (nu Art.1)







