mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Ethnic profiling / 4. Nederland

4. Nederland

door Yvet Blom

Dossier: Politie en justitie

Tags: discriminatie ras, etnische registratie, identificatieplicht, politie

4. Nederland

4.1 Inleiding

De reden dat ethnic profiling lastig tegen is te gaan kan liggen in de vooroordelen die politieambtenaren hebben ten opzichte van mensen met een donkere huidskleur, een buitenlands voorkomen of een bepaalde religie. Ze gaan er bij voorbaat al vanuit dat deze mensen de moeite waard zijn om te controleren. In februari 2005 spreekt de Rotterdamse wethouder Veiligheid, mevrouw Van den Anker, vroeger werkzaam bij de politie, zichzelf hierover uit in het Rotterdams Dagblad: “Ik durf de stelling aan dat het vooroordeel over vervelende Turken en Marokkaanse ettertjes door de politie zelf in stand wordt gehouden.” Dit is volgens Van den Anker te wijten aan het voortdurend bevestigen van de vooroordelen door heftige gebeurtenissen die tijdens briefings besproken worden. Hierdoor zal de politie eerder een groepje donkergekleurde jongens aanspreken dan witte jongens. Het is volgens Van den Anker moeilijk om dit patroon te doorbreken, vanwege het sterke teamgevoel binnen de politie. “Het is noodzakelijk om bij dat team te horen, want zonder dat team kun je in levensbedreigende situaties niets beginnen en dus dien je mee te gaan in de heersende machocultuur, waarin vooroordelen snel worden overgenomen”, aldus van den Anker.

De vraag of de Nederlandse politie zich schuldig maakt aan ethnic profiling heeft de afgelopen jaar flink wat stof op doen waaien. Het D66-Tweede Kamerlid Boris Dittrich heeft daarom de kamervraag of de regering haar steun heeft uitgesproken voor het introduceren van de techniek van ethnic profiling als antiterrorismemaatregel aan de Nederlandse regering voorgelegd. De minister van Justitie heeft daarop, ook namens de minister van Buitenlandse Zaken, in oktober 2006 geantwoord dat de Nederlandse regering deze praktijk niet steunt.

4.2 Ethnic profiling bij andere rechtshandhavende lichamen

Het anders bejegenen van etnische minderheden is niet enkel een handelingswijze die voorkomt bij de politie, zo blijkt uit onderzoek door de Utrechtse criminologe Mieke Komen (Het Parool, 6 oktober 2005). Het blijkt ook aan de orde te zijn in de strafrechtspleging. Komen deed onderzoek aan de hand van 241 strafdossiers, waaruit zij concludeerde dat etnische minderheden gemiddeld 53 dagen langer in detentie zitten dan autochtonen. Volgens Komen worden allochtonen strenger gestraft, zelfs wanneer de omstandigheden bij allochtonen hetzelfde zijn als bij autochtonen. De oorzaak ligt volgens Komen hoofdzakelijk bij de gedragsdeskundigen, zoals de psycholoog en de psychiater. De autochtone gedragsdeskundige begrijpt het gedrag van de allochtoon vaak niet, of interpreteert deze op onjuiste wijze, waardoor het oordeel over de allochtoon veelal negatief uitpakt. De rechter neemt dit oordeel mee in zijn beslissing, waardoor de hoogte van de straf vaak hoger uitpakt. In dit onderzoek van Komen worden de scheve verhoudingen wederom duidelijk. Mensen die, op grond van ras, etniciteit, huidskleur of religie, verschillen van de Nederlandse autochtoon worden ook in de rechtspraak anders behandeld dan hun autochtone medemens. Dit kan de consequentie in zich dragen dat het beeld van de ‘criminele allochtoon’ versterkt wordt, aangezien allochtonen gemiddeld langer in detentie zitten. Ook aan de hand hiervan kan het effect van het gebruik van groepsprofielen onterecht versterkt worden.

4.3 Preventief fouilleren

Preventief fouilleren is het fouilleren van een persoon zonder enige aanleiding of verdenking van een concreet strafbaar feit. Preventief fouilleren is altijd al mogelijk geweest met toestemming van de betrokkene wanneer er geen sprake is van verdenking in de zin van artikel 27 Wetboek van strafrecht (WvSr). De Koninklijke Marechaussee heeft daarnaast altijd de bevoegdheid gehad om preventief te fouilleren in het beschermde gebied op luchthavens, waar reizigers aankomen en vertrekken, op grond van artikel 52 lid 4 Wet wapens en munitie (WWM).
In 2002 is het wetsvoorstel-Van de Camp tot wijziging van de Gemeentewet en de WWM aangenomen. Met deze wetswijziging zijn grotere bevoegdheden aan de politie toegeschreven wat betreft het onderzoeken van verpakkingen, vervoermiddelen en onderzoek aan kleding. Het preventief fouilleren vindt plaats in veiligheidsrisicogebieden ter bestrijding van zinloos geweld (Kamerstukken ІІ, p. 1 – 2), waaraan een ieder die zich in het betreffende risicogebied bevindt aan kan worden onderworpen. Dit veiligheidsrisicogebied wordt door de burgemeester aangewezen wanneer de gemeenteraad deze bevoegdheid aan de burgemeester heeft verleend (artikel 151b lid1 Gemeentewet). Preventief fouilleren is een bevoegdheid die de politie naar eigen discretie mag invullen en die door persoonlijke ervaring en intuïtie mogelijk kan leiden tot willekeur tegen personen met een etnisch voorkomen.

4.4 Antiterrorismemaatregelen

Op 14 november 2006 is het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven door de Eerste Kamer aangenomen (Handelingen ІІ, 2005-2006, nr 81, p.5007-5008). De streefdatum van de inwerkingtreding is 1 januari 2007. De wet biedt bijzondere opsporingsbevoegdheden als observatie, infiltratie, pseudo-koop en de telefoontap, die gebruikt kunnen worden bij aanwijzingen dat een terroristische aanslag wordt voorbereid. Ook komen er meer mogelijkheden om informatie in te winnen, personen in bewaring te nemen en preventief te fouilleren. Dat wil zeggen dat opsporingsambtenaren niet meer een redelijke vermoeden van een strafbaar feit behoeven bij terrorisme, aanwijzingen zijn voldoende. De officier van justitie mag door de komst van deze wetgeving bepaalde gebieden aanwijzen waarin preventief gefouilleerd mag worden. Daarnaast is het mogelijk dat bij Algemene maatregel van bestuur een veiligheidsrisicogebied wordt aangewezen. Dit gebied is dan een semi-permanent gebied en betreft luchthavens, stations, industriegebieden en overheidsgebouwen. De officier van justitie hoeft in een dergelijk geval geen bevel te geven, wat de opsporingsambtenaar de mogelijkheid biedt om naar eigen discretie personen preventief te fouilleren omwille van terrorismewetgeving. In deze nieuwe wetgeving vervalt de democratische controle die de gemeenteraad uitoefende op het beleid van de burgemeester. Het risico op willekeurige selectie is daardoor vergroot en kent nog minder controlemogelijkheden.

4.5 De identificatieplicht

Na de terreuraanslagen van 11 september 2001, werd er op 28 november 2002 een conceptvoorstel voor de invoering van een algemene identificatieplicht bij de Tweede Kamer der Staten Generaal ingediend. Drie jaar later is dit voorstel een wet en op 1 januari 2005, treedt de Wet op de uitgebreide identificatieplicht in werking. De wet stuitte op tegenspraak. Eén van de bezwaren was de kans op een discriminatoire toepassing van de bevoegdheid door politie en toezichthouders bij de uitoefening van hun reguliere taken. Na het conceptwetsvoorstel van 28 november 2002, heeft het LBR zijn zorgen geuit omtrent de mogelijke discriminatoire toepassing van de wet en in een advies aangegeven dat een selectie op etnische kenmerken voorkomen dient te worden. Deze aanbevelingen zijn destijds door het kabinet overgenomen, waardoor een discriminatoire en willekeurige toepassing voorkomen zou moeten worden. Het criterium dat een identiteitscontrole ‘redelijkerwijs noodzakelijk’ dient te zijn, lijkt echter een te beperkt criterium, waardoor er te veel ruimte kan bestaan voor een selectieve invulling, wat ethnic profiling in de hand werkt. In een rapport van het WODC uit 1989, waarin gekeken wordt naar de toepassing van de identificatieplicht in het buitenland, is gebleken dat er op zekere hoogte sprake is van een selectieve toepassing van de wet in België, door voornamelijk mensen met lang haar of mensen met een donkergetinte huid te controleren.

De Wet op de beperkte identificatieplicht

Al sinds 1984 is de invoering van een identificatieplicht in Nederland een discussiepunt, welke op gang is gebracht door de toenmalige minister van Justitie, Korthals Altes. Korthals Altes doelde op een algemene identificatieplicht en dat stuitte veel Nederlanders tegen de borst. De wonden van de Tweede Wereldoorlog waren nog diep, waardoor er emotionele bezwaren ontstonden doordat de identificatieplicht nog niet los gezien kon worden van de welbekende ‘Ausweiss’. Uiteindelijk werd op 1 juni 1994 toch een identificatieplicht ingevoerd. Geen algemene maar wel een beperkte identificatieplicht. De Wet op de beperkte identificatieplicht houdt in dat iedereen zich in bepaalde situaties moet identificeren en geldt als een uiterst middel ‘ter vergemakkelijking van de opsporing en vervolging van strafbare feiten’. Wanneer een persoon zich in de verplichte gevallen niet kan identificeren, kan deze worden gevraagd naar diens sociaal-fiscaal nummer, hij kan worden gefouilleerd, zes uur worden vastgehouden en er mogen vingerafdrukken en foto`s worden afgenomen. Door deze wet worden zaken als fraudebestrijding, ordehandhaving en de controle op illegale buitenlanders tegengegaan.

De Wet op de uitgebreide identificatieplicht

De Wet op de uitgebreide identificatieplicht is een uitbreiding op de identificatieplicht van 1994 en vloeit voort uit het beleidsplan ‘Naar een veiliger samenleving’. De wet heeft als doel een instrument te verschaffen om de handhaving en het toezicht door de overheid te ondersteunen en te versterken. Voor de burger betekent dit dat er sinds 2005 een toonplicht geldt. Dat wil zeggen dat iedereen die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, verplicht is op vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Wanneer er niet voldaan wordt aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, dan kan er een strafrechtelijke sanctie volgen, namelijk een geldboete van de tweede categorie 5. De ambtenaar die zo een dergelijke sanctie oplegt, heeft hierin dus een discretionaire bevoegdheid 6. Hij kan vanuit opportune overwegingen besluiten om de persoon die niet in staat is zijn of haar identiteitsbewijs te tonen, deze niet te sanctioneren. De ambtenaar kan de persoon in kwestie ook opdragen het identiteitsbewijs op het bureau langs te laten brengen. Volgens het college van procureurs-generaal in hun Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht dient een coulante behandeling voorkomen te worden, omdat anders ‘de waarde van de identificatieplicht voor de rechtshandhaving wordt ondergraven’. Dit is een dubbelzinnigheid in de wet: wettelijk gezien is het niet verplicht om een identiteitsbewijs te dragen, maar als je er niet een kunt tonen, maak je jezelf schuldig aan een strafbaar feit.

Bezwaren identificatieplicht

De invoering van de identificatieplicht stuitte niet enkel op morele bezwaren, maar ook op bezwaren afkomstig uit het strafrecht. De uitgebreide identificatieplicht maakt namelijk een inbreuk op het recht voor de eerbiediging door de overheid van de persoonlijke levenssfeer. Dit recht is een grondrecht dat is neergelegd in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in respectievelijk artikel 10 en artikel 8. Inbreuk maken op dit grondrecht is enkel toegestaan wanneer er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Artikel 10 uit de Nederlandse Grondwet stelt dat de mogelijkheid om inbreuk te maken voldoende helder in de wet geregeld dient te zijn. Aan deze eis is vrijwel geheel tegemoet gekomen in de Wet op de uitgebreide identificatieplicht, zij het dat het criterium ‘voor zover redelijkerwijs noodzakelijk is’, zoals hierboven al vermeld, willekeur in de hand zou kunnen werken. Artikel 8 van het Europees Verdrag stelt een tweede voorwaarde voor een inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De inbreuk moet volgens dit artikel noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, de openbare orde of de voorkoming van strafbare feiten. Dat wil zeggen dat het middel, in casu de inbreuk, proportioneel dient te zijn aan het te bereiken doel, namelijk de openbare veiligheid bewaren. Het is de vraag of de identificatieplicht daadwerkelijk zo proportioneel is als dat de regering impliceert. Heeft de nieuwe wet wel een dusdanig effect dat hij ingevoerd diende te worden? Volgens Pauline Westerman (2006) is dit niet meer een vraag van de huidige tijd. Het is volgens Westerman tegenwoordig gebruikelijk geworden om regels te gebruiken als onderdelen van doeleinden en niet om regels op te stellen die gelden als middelen om doeleinden te bereiken. Hierdoor is de effectiviteitsvraag van een tweede orde en dient de identificatieplicht gezien te worden als een onderdeel van het doel, namelijk het garanderen van een veiliger samenleving. Het probleem van het op deze wijze hanteren van de wet, is dat het weinig ruimte open laat voor discussie en dat daarom de suggestie dat de identificatieplicht niet tot meer veiligheid leidt, niet relevant meer is. De identificatieplicht is nog enkel een product.

5 Een geldboete van de tweede categorie is ten minste € 336 en ten hoogste € 3350.

6 Dit is de ruimte die een ambtenaar heeft om een beslissing naar eigen inzicht te maken.

Gerelateerde artikelen

  • Criminaliteit in en om asielzoekerscentra

    20.10.2002 - Het gevaar van een asielzoekerscentrum voor zijn omgeving wordt vaak overschat. De werkelijkheid achter de cijfers blijkt minder..
  • Conferentie Gezamenlijke Aanpak Discriminatie 2007

    30.06.2007 - Op 7 juni 2007 vond in het Museum voor Communicatie in Den Haag de eerste conferentie Gezamenlijke Aanpak Discriminatie plaats...
  • Dat mag ook wel eens worden gezegd

    01.09.2002 - Dat politieke correctheid voor velen tot het verleden behoort is inmiddels een gegeven. Alles mag gezegd worden, en in dat licht..
  • Politie

    Indien iemand zich gediscrimineerd voelt, kan aangifte worden gedaan bij de politie. .. Indien iemand zich gediscrimineerd voelt, kan aangifte worden gedaan bij de..

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: