Wet maatregelen grootstedelijke problematiek aangenomen
door Joost van der Vlist - 16.01.2006
Dossier: Huisvesting en verhoudingen in de buurt
Op 21 december 2005 is door de Eerste Kamer het wetsvoorstel Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek aangenomen. In dit voorstel wordt gekozen voor een restrictieve aanpak, zonder vast te leggen dat er ook geïnvesteerd moet worden in de betreffende wijken. Het wetsvoorstel oogstte veel kritiek en aanname van het wetsvoorstel was dan ook niet vanzelfsprekend. In de optiek van het LBR (nu Art.1) is het voorstel indirect discriminerend. Het LBR heeft zich daarom vanaf het begin tegen het wetsvoorstel verzet.
In de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek worden drie maatregelen genoemd. De eerste wordt in hoofdstuk 2 van de wet genoemd: De Kansenzone. In een kansenzone kan de gemeente beslissen de onroerende zaaksbelasting te verminderen tot maximaal 500.000,-.
De tweede maatregel is van toepassing op de toegang tot de huizenmarkt. In artikel 8 van hoofdstuk 3 van de wet staat dat de gemeente via de huisvestingverordening kan bepalen dat woningzoekers die korter dan 6 jaar onafgebroken ingezetenen zijn van de regio, slechts in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning indien zij beschikken over inkomen uit arbeid. Lid 2 geeft aan dat in gevallen waar dit leidt tot onbillijkheid, de burgemeester en wethouder toch mogen overgaan tot het afgeven van een vergunning. Op de eis om te beschikken over inkomen uit arbeid zijn uitzonderingen. Mensen die een pensioen dan wel studiefinanciering krijgen kunnen niet uitgesloten van huizenmarkt vanwege het ontbreken van inkomen uit arbeid.
Als laatste maatregel worden de mogelijkheden voor de gemeentebesturen uitgebreid om na sluiting van een pand het beheer te laten overnemen.
Het LBR constateert dat er nog steeds onderscheid voortvloeit uit de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Indirect worden met name allochtonen en gehandicapten het slachtoffer van deze wet. Het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 Grondwet verplicht de Staat om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Indirect onderscheid kan daarbij alleen worden toegestaan als er een objectieve rechtvaardiging tegenover staat. De regering verklaart in de nota naar aanleiding van het verslag dat er sprake is van een objectieve rechtvaardiging. 1 Het LBR kan zich niet vinden in de redenering, zoals die ook in de Memorie van Toelichting is opgenomen. Of in een concreet geval sprake is van objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat voor het bereiken van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan levert indirect onderscheid geen strijd op met de gelijke behandelingswetgeving.
De wet zoals aangenomen voldoet in volgens het LBR niet aan deze voorwaarden. Als er bij deze wet sprake is van een legitiem doel dan is het zeer de vraag of het middel geschikt is om het doel te bereiken. Er is immers nooit een verband aangetoond tussen inkomen en sociale samenhang. Verder is nooit voldoende aangetoond en aannemelijk gemaakt dat mensen zonder inkomen uit werk voor meer illegale bewoning en overlast zorgen. 2 Naast het feit dat het voorgestelde middel niet geschikt is kan ook de noodzakelijkheid niet aangetoond worden. Er bestaan alternatieven om het gestelde doel te bereiken. Hiervoor is bijvoorbeeld door de gemeente Rotterdam een samenhangend regionaal totaal programma opgezet.
Investeringen in achterstandswijken zullen op de middellange termijn tot een andere bevolkingssamenstelling moeten leiden en zullen meer effect hebben dan de nu ingestelde wet. Ook in de Eerste Kamer bleek dat er veel zorgen zijn over de uitwerking van de wet. De PvdA heeft een motie ingediend die moest garanderen dat de maatregelen van de wet alleen ingezet mogen worden indien aantoonbaar is dat:
- er een plan voorhanden is met een integrale en intensieve aanpak van de specifieke problematiek in het betreffende gebied,
- er concrete afspraken bestaan tussen regiogemeenten en de sociale verhuurders over de beschikbaarheid van voldoende betaalbare huurwoningen in relatie tot de vraag, zowel in de bestaande voorraad als in de nieuwbouw,
- er aantoonbare maatregelen worden getroffen waardoor de slaagkansen op de woningmarkt van de betrokken groep mensen met een uitkering niet substantieel veranderen ten opzichte van de huidige situatie.
De motie van de PvdA is ingetrokken en heeft er helaas niet toe geleidt dat er ook positieve verplichtingen in de wet opgenomen zijn. Wel heeft de minister aangegeven dat de wet niet gebruikt mag worden voor een verkapt spreidingbeleid van allochtonen. Bij een vermoeden hiervan zal de minister geen toestemming geven tot maatregelen op grond van de wet.
Het LBR ziet het als een gemiste kans dat de PvdA-motie ingetrokken is. Het zou een verbetering zijn als er naast restrictieve maatregelen ook positieve inspanningverplichtingen in de wet opgenomen waren. Minister Pechtold heeft aangegeven dat er na vijf jaar een evaluatie plaats zal vinden. In de tussentijd zal het LBR de juridische tekortkomingen van deze wetgeving blijven aankaarten.
1 Nota naar aanleiding van het verslag, 17 augustus 2005, 30091.
2 CGB Advies 2005-3.






