Dat mag ook wel eens worden gezegd
Het schijntaboe over minderheden en criminaliteit
door Eddie Nieuwenhuizen - 01.09.2002
Dossiers: Media en berichtgeving, Politie en justitie
Dat politieke correctheid voor velen tot het verleden behoort is inmiddels een gegeven. Alles mag gezegd worden, en in dat licht is de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in bepaalde vormen van criminaliteit een terugkerend onderwerp. Weer een taboe doorbroken, luidt de conclusie. Eddie Nieuwenhuizen betoogt dat er geen sprake is van een taboe. Al in 1988 werd de trom geroerd over de criminaliteit van groepen Marokkaanse jongeren in Amsterdam.
In de zomer van 2002 veroorzaakte het jaarverslag van de Blokker veel commotie door de uitspraken die erin stonden over minderheden en criminaliteit. In het verslag stond onder meer dat de meeste overvallers op winkelzaken van Blokker van allochtone afkomst zijn. Voorts werd in het jaarverlag gesuggereerd dat er over de criminaliteit onder etnische minderheden jarenlang niet gesproken mocht worden. Er zou daarop een taboe rusten in stand gehouden door gezagsdragers en beroepsmoralisten.
In de maatschappelijke discussie over criminaliteit onder minderheden is dit taboe een terugkerend refrein. Een refrein dat als volgt luidt: De criminaliteit onder minderheden wordt onder de tafel geveegd en iedereen die het onderwerp ter sprake brengt, wordt monddood gemaakt. Dat is jarenlang zo geweest maar nu moet daaraan een eind worden gemaakt. Er is veel criminaliteit onder minderheden en dat mag ook wel eens worden gezegd.
Hardnekkig idee over taboe
Het probleem met deze redenering is dat er helemaal geen taboe op criminaliteit onder allochtonen bestaat. Al jarenlang wordt er naar dit onderwerp onderzoek gedaan, verschijnen er artikelen over in kranten en tijdschriften en worden er beleidsnotas over geschreven. Toch is het beeld dat er een taboe zou bestaan op allochtone criminaliteit hardnekkig. In dit artikel geef ik een beknopt overzicht over hoe vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw met het probleem van de criminaliteit onder etnische minderheden in Nederland werd omgegaan. Daarbij ga ik vooral in op hoe criminaliteit onder minderheden werd gesignaleerd in wetenschap, media en politiek.
Omzichtige benadering
Al in de jaren zeventig van de twintigste eeuw verschenen er onderzoeken naar criminaliteit onder etnische minderheden in Nederland. Zo was er het onderzoek van Buikhuisen en Timmerman naar criminaliteit onder Zuid-Molukse jongeren uit 1971 en het onderzoek van Van Amersfoort en Biervliet naar criminaliteit onder Surinamers en Zuid-Molukkers uit 1975. In beide onderzoeken werd geconcludeerd dat Surinamers en Zuid-Molukkers meer en andersoortige delicten plegen dan autochtone Nederlanders. In de jaren zevntig en tachtig verschenen er verschillende studies naar criminaliteit onder diverse etnische groepen. Criminaliteit onder etnische minderheden was in die tijd een politiek en maatschappelijk zeer gevoelig onderwerp. In de onderzoeken werd omzichtig omgesprongen met de cijfers over criminaliteit onder allochtonen. Hoge criminaliteit onder allochtonen werd vooral verklaard door de demografische samenstelling van de allochtone bevolkingsgroepen en de sociaal-economische positie van allochtonen.
Omslag
Eind jaren tachtig vond er een duidelijke omslag plaats. In 1988 ontstond namelijk veel ophef over een uitgelekt rapport van onderzoeker Kees Loef over criminaliteit onder Marokkaanse jongeren in Amsterdam, dat in zijn geheel werd afgedrukt in dagblad Het Parool. In dit geheime rapport wordt gesproken over 200 tot 300 criminele Marokkanen die zich ophouden in het stegengebied in het centrum van Amsterdam. Er was veel kritiek op het rapport maar het zorgde er wel voor dat er een golf van publiciteit losbarstte en het vraagstuk van de criminaliteit onder jonge Marokkanen aanhoudend in het nieuws kwam. Er verschenen journalistieke reportages, wetenschappelijke rapporten en beleidsnotities. In NRC Handelsblad van 14 januari 1989 stond een groot artikel over de onhandelbaarheid van Marokkaanse jongeren. De opening van het artikel loog er niet om: Drieëndertig procent van alle Marokkaanse jongens heeft geregistreerd politiecontact. Bijna de helft is recidivist en pleegt meer en ernstiger delicten dan jongeren uit andere etnische groepen. Niemand durft op te treden, want iedereen is doodsbenauwd om van discriminatie te worden beschuldigd. In 1990 promoveerde cultureel-antropoloog Hans Werdmöller met een proefschrift over een randgroep van Marokkaans jongeren. Dit proefschrift was een herhaling van een onderzoek dat hij begin jaren tachtig had verricht naar een Marokkaanse randgroep. Dit onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van de vele klachten die autochtone bewoners van de Amsterdamse wijk De Pijp hadden over de overlast die werd veroorzaakt door Marokkaanse randgroepjongeren. In beide onderzoeken wordt een pessimistisch beeld geschetst van de positie waarin veel Marokkaanse jongeren verkeren: veel werkloosheid, lage scholing en hoge criminaliteit.
Verschil tussen etnische groepen
Een jaar eerder, in 1989, was al een kwantitatief onderzoek van Junger en Zeilstra naar de omvang van criminaliteit onder allochtone jongeren verschenen. De onderzoekers vergeleken de politie- en justitiecontacten van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse jongens met een groep Nederlandse jongens uit een vergelijkbaar sociaal-economisch milieu. Geconcludeerd werd dat allochtonen vaker met de politie in aanraking komen dan de vergelijkbare Nederlandse groep jongens. De oververtegenwoordiging was onder Marokkaanse jongens groter dan onder Turkse en Surinaamse jongens.
Deze taal maakt duidelijk dat rond 1990 het taboe over de criminaliteit onder etnische minderheden is doorbroken. Er wordt onderzoek naar gedaan, er zijn cijfers beschikbaar en er wordt over gepubliceerd in de media. Ook wordt de criminaliteit onder etnische minderheden minder gerelativeerd dan voorheen gebruikelijk. De relatief hoge criminaliteit kan niet uitsluitend worden verklaard uit sociaal-economische achterstand en discriminatie. Daar zijn bijvoorbeeld de verschillen tussen de diverse etnische groepen te groot voor.
De overheid bleef ondertussen niet stilzitten. Zo werd in 1987 in Gouda een project opgezet om de criminaliteit onder Marokkaanse jongeren tegen te gaan. In 1991 verscheen daar een evaluatie-onderzoek over. (Terlouw en Susanne 1991) De resultaten van het project vielen tegen: een daling van de criminaliteit onder de doelgroep werd niet geconstateerd.
Commissie Van Traa
In 1995 was het de criminoloog Bovenkerk die opnieuw het taboe over criminaliteit onder etnische minderheden doorbraak. Voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden, de Commissie Van Traa, verklaart hij dat de georganiseerde misdaad zich heeft genesteld in enkele grotere immigrantengroepen. Er kwam veel commentaar op de uitlatingen op Bovenkerk. Vooral de uitspraak dat enkele tientallen procenten van de volwassen Turkse mannen in Amsterdam in enigerlei functie bij de georganiseerde misdaad betrokken zijn stond bloot aan veel kritiek omdat Bovenkerk deze cijfers nauwelijks hard kon maken. Echter, de bom was wederom gebarsten en het maatschappelijke debat over criminaliteit onder minderheden werd weer op gang gebracht. Het aantal wetenschappelijke studies over criminaliteit onder minderheden kwam in stroomversnelling terecht. Enkele van deze onderzoeken trokken veel aandacht in de media. Zo kwam in 1998 een proefschrift uit van Marion van San naar criminaliteit onder Antilliaanse jongeren met de titel Stelen en steken. Voor dit onderzoek trok de onderzoekster lange tijd op met Antilliaanse jongeren in de Amsterdamse Bijlmer. Van San kwam in deze studie met een prikkelende stelling. Het criminele gedrag onder Antilliaanse jongeren is niet alleen te verklaren uit hun maatschappelijke achterstand. Het ligt ook aan de opvoeding; moeders grijpen vaak bewust niet in en zijn zo medeverantwoordelijk voor de criminaliteit van hun zonen. In 1998 promoveerde Frank van Gemert met een dissertatie Ieder voor zich. In deze dissertatie doet Van Gemert verslag van een antropologisch onderzoek naar criminaliteit onder Marokkaanse jongeren in Rotterdam-Zuid. Oorzaak van de hoge criminaliteit zoekt Van Gemert in het onderlinge wantrouwen onder Marokkanen waar ieder voor zich te werk gaat. Dit onderlinge wantrouwen heeft zijn oorsprong in de Marokkaanse Rif, de streek waar de meeste Marokkaanse migranten in Nederland vandaan komen. Dat is een arme en moeilijk toegankelijke streek waar de inwoners in een voortdurende onderlinge strijd zijn gewikkeld om de schaarse hulpbronnen.
Culturele factoren benadrukt
Zowel Van San als Van Gemert zijn cultureel-antropologen. Dit geen toeval. Veel criminologisch onderzoek in Nederland is cultureel-antropologisch van aard. Culturele factoren worden dan ook vaak naar voren gebracht om criminaliteit onder etnische minderheden te verklaren. Daarbij wordt aan bepaalde cultuurelementen een dwingende kracht toegeschreven waaraan migranten zich niet kunnen onttrekken. De simpele dichotomieën waarin de Nederlandse of westerse cultuur wordt gesteld tegenover de niet-westerse cultuur staan overigens bloot aan kritiek. (Bovenkerk 2002)
CRIEM-nota
De uitlatingen van Bovenkerk voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden waren aanleiding voor de rijksoverheid om het CRIEM-project op te zetten. Doel van dit project was om de aard, omvang en oorzaken van de criminaliteit onder etnische minderheden scherper in beeld te krijgen en om mogelijke oplossingen te geven. In 1997 kwam er een nota uit over dit project. Daarin werd wederom geconstateerd dat allochtone bevolkingsgroepen zijn oververtegenwoordigd op het gebied van criminaliteit. Het aandeel van Marokkaanse en Antilliaanse jongeren is het hoogst, Surinaamse jongeren nemen een tussenpositie en Turkse jongeren scoren het laagst. Antilliaanse, Surinaamse en Marokkaanse jongeren worden vaker verdacht van diefstal door middel van geweld, vermogensdelicten en delicten tegen de Opiumwet dan Nederlandse verdachten. Turkse jongeren worden vaker verdacht van gewelddelicten en economische delicten. De oorzaken van deze bovenproportionele criminaliteit onder etnische minderheden hangen samen met factoren als sociaal-economische positie, leeftijd en woonomgeving maar deze vormen geen afdoende verklaring, aldus de nota. Aanvullende verklaringen worden vooral gezocht in de integratie- en acculturalisatieproblemen die etnische minderheden ondervinden. Bij de bestrijding van criminaliteit wordt vooral aangedrongen wordt op meer preventie.
De resultaten van het CRIEM-project bevestigen de conclusies die Junger en Zeilstra in 1989 al hadden getrokken. Dat is opvallend dat omdat er geen nauwkeurig cijfermateriaal bestaat. De registratie van de etnische afkomst van verdachten door de politie is namelijk in 1974 afgeschaft. Toch bestaan er onder de diverse onderzoekers geen verschillen in inzicht voor wat betreft omvang en aard van de criminaliteit onder etnische minderheden in Nederland. Steeds komt het reeds geschetste beeld naar boven. De onenigheid tussen de diverse onderzoekers gaat over de oorzaken van de criminaliteit. Toch blijft er om het onderwerp de waas van een taboe hangen en blijven journalisten het taboe doorbreken. De laatste jaren zijn in het dagblad Trouw de criminoloog Frank Rutenfrans en journalist Jaffe Vink voortdurend bezig met onthullingen en oproepen aan de Nederlandse samenleving om de realiteit onder ogen te zien. Ook de Volkskrant had het in zijn hoofdcommentaar op de uitlatingen van Blokker over een taboe dat is doorbroken.
Het is nu 2002. Dertien jaar geleden schreven kranten in Nederland al in duidelijke bewoordingen over criminaliteit onder etnische minderheden, maar veel journalisten schijnen daarvan niet op de hoogte te zijn. Het lijkt wel of het debat over criminaliteit en minderheden rituele trekken heeft gekregen waarbij het doorbreken van het taboe een vast onderdeel is geworden.
Drs. E. Nieuwenhuizen is medewerker documentatie bij Art.1
Gebruikte literatuur
Amersfoort, J. van en Biervliet, W. (1997). Criminaliteit van minderheden. In: E. Wolk (red), De bedreigde burger. Utrecht: Spectrum
Bovenkerk, F.(2002). Essay over de oorzaken van allochtone misdaad. In: J. Lucassen en A. de Ruijter, Nederland multicultureel en pluriform? Een aantal conceptuele studies. Amsterdam: Aksant
Beunders, H.(1989). Lijfgericht, keihard, meedogenloos. De onhandelbaarheid van Marokkaanse jongeren in de Randstad. In: NRC Handelsblad, 14 januari 1989
Buikhuisen, W. en Timmerman, H. (1971) Criminaliteit onder Ambonnezen. In: Nederlands tijdschrift voor criminologie
Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden, Nota, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1997
Gemert, F. van (1998) Ieder voor zich. Kansen, cultuur en criminaliteit van Marokkaanse jongens. Amsterdam: Het Spinhuis
Junger, M. en Zeilstra, M. (1989) Deviant gedrag en slachtofferschap onder jongens uit etnische minderheden I. Arnhem/Den Haag: Gouda Quint / WODC
San, M. van (1998). Stelen en steken. Delinquent gedrag van Curaçaose jongens in Nederland. Amsterdam: Het Spinhuis
Terlouw, G.J. en Susanne, G.(1991) Criminaliteitspreventie onder allochtonen. Evaluatie van een project voor Marokkaanse jongeren. Arnhem/Den Haag: Gouda Quint / WODC
Werdmölder, H.(1990). Een generatie op drift. De geschiedenis van een Marokkaanse randgroep. Arnhem: Gouda Quint
Werdmölder, H. (1986. Van vriendenkring tot randgroep. Marokkaanse jongeren in een oude stadswijk. Houten: Het Wereldvenster






