Relatief weinig Nederlanders zijn bang voor moslims
Kruistocht der opiniemakers
door Gé Grubben - 01.10.2004
Dossier: Beeldvorming
De dreiging zit hem niet in de islam, maar in de manier waarop met de islam wordt omgegaan, vindt Gé Grubben. Waar bij burgers het gezond verstand lijkt te overheersen, lijkt een aantal politici en opiniemakers begonnen te zijn aan een kruistocht in de polder.
Griezelen uit onbegrip kopte De Volkskrant van 26 juni 2004. Het artikel opende met de tekst: Veel Nederlanders zijn bang voor moslims. Het is de angst in het middenrif, deels voortkomend uit onwetendheid, bewijst een TNS NIPO-onderzoek in opdracht van de Volkskrant.
Een groot deel van het artikel is gevuld met voorbeelden van dit gegriezel. En er wordt flink gegoocheld met het begrip veel. Volgens het artikel weet de gemiddelde Nederlander nauwelijks iets van moslims en wil men er eigenlijk ook niets van weten. Intussen maakt hij zich wel steeds meer zorgen over wat komen gaat. Hij is bang.
Niet alleen de man en vrouw in de straat bekruipt de angst, ook intellectuelen en zelfs kenners van de islam hebben er last van.
Veel Nederlanders?
Het heeft er alle schijn van dat de schrijvers van het artikel het onderzoeksrapport niet hebben gelezen. Of misschien was de uitkomst ervan toch niet geheel wat zij gehoopt hadden. Het lijkt er in ieder geval sterk op dat ze hun eigen zienswijze tot uitgangspunt hebben genomen.
Lezing van het onderzoeksrapport leert dat een op de drie Nederlanders negatief staat tegenover moslims en een op de zes de aanwezigheid van moslims als bedreigend ziet. Veruit de meeste mensen staan neutraal tegenover moslims. Volgens het onderzoek blijkt het dus nogal mee te vallen met de negatieve attitudes van de witte Nederlanders tegenover moslims.
Waarom wordt aan die conclusie geen aandacht besteed, maar wordt een bedreiging die door een kleine minderheid wordt gevoeld zo breed uitgemeten? Waarom wordt met de melding dat zelfs kenners van de islam er last van hebben gesuggereerd dat er alle reden voor angst is?
Opvallend in het TNS NIPO-onderzoek is dat tweederde van de respondenten aangeeft geen contact te hebben met moslims. Degenen die wel contact hebben met moslims zijn in hun oordelen over moslims positiever. Tweederde baseert zijn oordeel op van horen zeggen en de media. Dat slechts een op de drie Nederlanders negatief oordeelt over moslims is gelet op de berichtgeving en publieke discussie positief nieuws.
Hype
Het Volkskrant-artikel staat niet op zichzelf. De islam en moslims zijn hot items in het publieke debat en gewilde onderwerpen in de media. Doorgaans generaliserend gepresenteerd en gespeend van iedere nuance.
In 2002 gebruikten politici stevige taal om het vermeende haatonderwijs op islamitische scholen aan te pakken. Tientallen artikelen werden eraan gewijd. Een BVD-rapport zou buitenlandse inmenging en haatonderwijs binnen islamitische scholen aantonen. Maar de BVD stelde in haar rapport dat er geen enkele aanwijzing te vinden was.
Na de aanslagen van 11 september werd gegoocheld met cijfers om maar vooral aan te tonen dat de terroristen op brede steun konden rekenen van moslims in Nederland. De splinter AEL werd tot buitengewone proporties opgeblazen. De ene hype volgt de andere op.
Daar waar ieder mens zich voor zijn eigen daden moet verantwoorden, moeten (vermeende) moslims zich verantwoorden voor de daden van individuen. Als een imam negatieve uitspraken doet over homoseksualiteit, eist de samenleving dat iedere moslim publiekelijk de rechten van homoseksuelen erkent.
Zegt een bisschop identieke dingen, dan is hij gewoon niet van deze tijd. Als een paar K-Marokkanen kransen aan gort schoppen, moeten alle Marokkanen en moslims openlijk respect betonen voor alle Nederlandse gevallenen en oorlogsslachtoffers. Het bekladden van een moskee heet gewoon een incident.
Negatieve beeldvorming ten aanzien van moslims en uitgesproken anti-islamisme en islamofobie zijn niet nieuw. Het is ook niet het directe gevolg van 11 september of een andere gebeurtenis, maar is verbonden met een eeuwenoude historie. 11 september en andere gebeurtenissen zijn slechts katalysatoren.
Opiniemakers
Waar bij burgers het gezond verstand lijkt te overheersen, lijkt een aantal politici en opiniemakers begonnen te zijn aan een kruistocht in de polder. Iedere publieke manifestatie van de islam, of het gaat om hoofddoeken of minaretten, wordt bestreden.
Men meent dat deze geloofsuitingen niet passen in onze seculiere en verlichte samenleving. Geloof is privé en hoort achter gesloten deuren. Maar men wil zelfs kunnen controleren wat er achter de gesloten deuren gebeurt. Wat leren kinderen op de islamitische school? Wat houdt de imam de gelovigen voor?
Hoe irrationeel men zelf is, wil men niet meer zien. Als we bijzonder onderwijs niet kunnen verbieden twee van de drie scholen is op bijzondere grondslag dan stellen we quota van achterstandsleerlingen in om islamitische scholen tegen te gaan.
Discriminatie
De mate waarin opiniemakers invloed hebben op de opinie van de burger is moeilijk vast te stellen. Wel is vast te stellen, dat moslims geconfronteerd worden met discriminatie. Vrouwen worden geweerd voor functies omdat zij een hoofddoek dragen. Het is voor moslims sowieso al moeilijker om aan een baan te komen, omdat een op de vier werkgevers liever geen buitenlanders in dienst neemt. Sommige scholen wringen zich in allerlei bochten om verzwarting tegen te gaan. Moskeeën kunnen niet gebouwd worden zonder veel tumult en tegenwerking. En ook in het publieke domein worden moslims met grote regelmaat belaagd.
Het is opmerkelijk dat in het maatschappelijk debat nauwelijks aandacht is voor deze discriminatie en achterstelling. Sterker nog, het lijkt er op dat het debat de discriminatie legitimeert.
Onlangs schreven verontruste ouders brieven naar de directie van een school en de onderwijswethouder, want een vrouw die eerder gewerkt had als OALT-leerkracht (opleidingen allochtonen levende talen) had een reguliere baan als onderwijzeres gekregen en de ouders vreesden dat zij niet neutraal was. Vreesden, niet wisten of constateerden, maar vreesden, want ze droeg een hoofddoek. De leerkracht verklaarde direct dat ze neutraal was. Hebben die ouders wel eens aan een andere leerkracht gevraagd of hij of zij neutraal is?
Opiniemakers willen ons doen geloven dat de islam een mogelijke bedreiging is voor onze rechtstaat. Maar de dreiging zit hem niet in de islam, maar in de manier waarop wij met de islam omgaan. Elementaire rechten en doodnormale fatsoennormen worden aangetast.
G. Grubben, beleidsmedewerker bij Art.1.






