Hoe langer in Nederland, des te beter de score
Psychologische tests onderzocht
door Remko van den Berg - 01.06.2001
Dossier: Arbeid
Onlangs promoveerde Remko van den Berg onder het motto 'Psychologisch onderzoek in een multiculturele samenleving'. Reden voor het LBR (nu Art.1) om bij Van den Berg aan te kloppen en hem te vragen voor Zebra Magazine de belangrijkste resultaten van zijn studie samen te vatten. Zijn onderzoek wijst uit dat wie langer Nederlands onderwijs genoten heeft, beter scoort in de onderzochte tests. Als aan enkele voorwaarden wordt voldaan, kunnen psychologische tests goed gebruikt worden bij allochtonen.
Het gebruik van psychologische tests bij allochtonen is een complex en gevoelig onderwerp. Naar aanleiding van enkele klachten besloot het LBR eind jaren tachtig te onderzoeken of psychologische tests discriminerend werken. In nauw overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen werd een testscreeningcommissie in het leven geroepen die de meest gebruikte tests in Nederland op culturele vertekening en discriminatoire elementen ging screenen. Het rapport van deze commissie maakte duidelijk dat de meeste psychologische tests zeer terughoudend ingezet dienden te worden bij allochtone kandidaten. Van vrijwel geen enkele test was concreet onderzocht of ze een eerlijke vergelijking tussen allochtone en niet-allochtone kandidaten toestonden. Erger was dat sommige tests ronduit etnocentrisch waren: ze gaven allochtonen het gevoel een vreemdeling te zijn waarvoor de test niet is bedoeld. Na 1990 zijn er diverse studies uitgevoerd naar de toepasbaarheid van psychologische tests bij allochtonen (bijv. Van Leest 1997, Te Nijenhuis 1997, Van den Berg 2001)
Test en subtests
Doel van mijn promotieonderzoek was om vast te stellen of een intelligentie- of capaciteitentest die is aangepast voor gebruik bij allochtonen, voor kandidaten met uiteenlopende culturele achtergronden gebruikt kan worden. Voorspelt deze test op een vergelijkbare manier voor autochtonen en allochtonen het toekomstig functioneren in opleiding of werk? Het ging mij specifiek om de elegant genaamde MCT-M, de Multiculturele Capaciteiten Test. Deze test bestaat uit acht subtests, die zowel verbale als non-verbale intelligentieaspecten meten. Een tweede doelstelling vormde het vaststellen van de invloed van bepaalde achtergrondkenmerken van allochtone kandidaten op de testuitslag, bijvoorbeeld taalbeheersing, gevolgd onderwijs en verblijfsduur in Nederland. Ook wilde ik weten of er testkenmerken zijn die voor bepaalde groepen een verschillend effect hebben op de testuitslag; voorbeelden hiervan zijn de invloed van een tijdslimiet en van bepaalde antwoordstrategieën.
Betekenis en antwoordstrategie
Wat heb ik ontdekt? Wel, de onderzoeksresultaten laten zien dat elke subtest van de MCT-M vragen bevat die een beetje verschillend functioneren voor de onderzochte autochtone en allochtone groep. Gezien de geringe effecten durfde ik de conclusie aan dat de betekenis van de tests hierdoor vrijwel niet beïnvloed wordt. De MCT-M meet op vergelijkbare wijze de intelligentie van autochtonen en allochtonen.
Wel is het zo dat hoe meer een intelligentietest een beroep doet op in Nederland gedoceerde kennis en vaardigheden, hoe minder de test voor met name de eerste generatie allochtonen geschikt is. Mijn onderzoek laat voorts zien dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat allochtone kandidaten een andere antwoordstrategie hanteren dan autochtone kandidaten. Allochtonen leggen meer nadruk op snelheid in verhouding tot nauwkeurigheid en slaan meer items over. Een verklaring voor dit verschil in antwoordstrategie kan gezocht worden in de geringere ervaring van allochtone kandidaten met tests: allochtone kandidaten zijn hierdoor minder 'testslim' en doorzien de consequenties van een bepaalde antwoordstrategie minder snel. Het verschil in antwoordstrategie kan er toe leiden dat de testscores van allochtonen ten opzichte van autochtone kandidaten, los van hun werkelijke capaciteiten, lager zijn. Hoewel het gemiddelde effect gering is kan dit in individuele gevallen tot een belangrijke onderschatting van de werkelijke capaciteiten van allochtone kandidaten leiden.
Etniciteit, verblijfsduur en de rol van het onderwijs
Voor alle subtests van de MCT-M heb ik verschillen in testscores gevonden tussen autochtonen en eerste generatie allochtonen. Bij de groep tweede generatie allochtonen vond ik vrijwel geen verschillen met de autochtone groep. Met andere woorden: de MCT-M maakt minder onderscheid tussen autochtonen en eerste generatie allochtonen dan andere tests. Dit geringere verschil in scores wordt veroorzaakt door de aanpassingen die bij de ontwikkeling van de MCT-M zijn gepleegd om de toepasbaarheid bij allochtone kandidaten te vergroten. Verblijfsduur en de leeftijd waarop men naar Nederland is geëmigreerd, blijken namelijk grote invloed te hebben op de MCT-M testprestaties van eerste generatie allochtonen. Hoe langer men in Nederland verblijft en hoe jonger men naar Nederland is geëmigreerd, des te hoger de testscores. Wanneer de groep eerste generatie allochtonen wordt opgesplitst in een groep die voor het zevende jaar en een groep die na het zevende levensjaar naar Nederland is geëmigreerd, dan blijkt dat eerste generatie allochtonen die op jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen nog slechts op drie subtests significant lager scoren dan de autochtone groep. Voor de tweede generatie allochtonen is alleen de gemiddelde score op één subtest nog significant lager dan die van de autochtone groep. Deze resultaten leren een duidelijke en zeer belangrijke les: hoe jonger men naar Nederland komt des te hoger de testscores.
Wat is hier de oorzaak van? Taalbeheersing is niet de enige reden, want het is niet waarschijnlijk dat dan ook de scores op de non-verbale tests zouden stijgen. Acculturatie is evenmin de belangrijkste oorzaak, aangezien verblijfsduur vooral een relatie laat zien met de verbale tests maar juist niet met de non-verbale tests. De meest plausibele verklaring voor de stijging van de scores is: het gevolgd hebben van Nederlands onderwijs en dan met name van het basisonderwijs. Wie basisonderwijs volgde beheerst de Nederlandse taal beter, kan beter rekenen en voert intelligentietests beter uit. In dit kader is het onderzoek van Flynn (1987) interessant. Flynn stelde vast dat intelligentietestscores, en met name de non-verbale intelligentie testscores, de laatste 20 tot 30 jaar in Nederland en in andere Westerse landen met ongeveer 15 IQ punten zijn gestegen. Als verklaring voor deze stijging voerde hij onder andere een mogelijke kwalitatieve verandering in scholing aan. In Nederland is in deze periode inderdaad sprake geweest van een verandering van onderwijsmethoden en lesmateriaal. In de jaren vijftig lag de nadruk in het onderwijs nog sterk op feitenkennis, denk bijvoorbeeld aan jaartallen en topografische rijtjes. Daarna ging het onderwijs steeds meer een beroep doen op inzicht en abstract probleemoplossen. Wanneer dit inderdaad een verklaring vormt voor de gestegen intelligentietestscores dan sluit dit bijzonder goed aan bij mijn onderzoek, waarin ik tot de conclusie kom dat de MCT-M testscores van allochtonen vooral samenhangen met de leeftijd waarop men naar Nederland is gekomen. Zoals Flynn terecht stelt is het niet zo dat allochtonen steeds intelligenter worden; ze worden wel beter in abstract probleemoplossen.
De vraag blijft dan echter: in hoeverre is dit abstract probleemoplossen belangrijk voor het functioneren in de Nederlandse maatschappij? Flynn concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat de collectieve stijging in intelligentietestscores heeft geleid tot duidelijke maatschappelijke of wetenschappelijke winst. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een stijging van uitvindingen, patenten of een toename van 'genieën'. Ditzelfde geldt voor de verschillen tussen autochtonen en eerste generatie allochtonen. Er worden verschillen gevonden, maar deze verschillen zijn geen weerspiegeling van werkelijke intelligentieverschillen. De verschillen worden gedeeltelijk veroorzaakt door verschillen in taalbeheersing en testslimheid en gedeeltelijk door verschillen in scholing.
Voorspelling en prestaties
Mijn proefschrift toont onweerlegbaar aan dat de MCT-M goed gebruikt kan worden bij het voorspellen van school- of werkprestaties van zowel allochtone als autochtone kandidaten. Toch is enige voorzichtigheid geboden, zoals trouwens bij iedere psychologische test. Uit het onderzoek blijkt dat taalvaardigheid invloed heeft op zowel intelligentietestscores als beoordelingen. Het cruciale onderscheid daartussen is soms moeilijk te zien. De test maakt onderscheid tussen autochtonen en allochtonen in gevallen waarbij taalvaardigheid een groter invloed heeft op de beoordeling van werkprestaties. En de test is dan minder nauwkeurig in zijn voorspelling van de prestaties van eerste generatie allochtone kandidaten, dan die van autochtone kandidaten.
Rekening houden met achterstanden
Psychologische tests kunnen goed gebruikt worden bij allochtone kandidaten, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Onderzoek moet allereerst hebben laten zien dat de tests niet partijdig zijn en dat de tests school- of werkprestaties van allochtonen goed voorspellen.
Het is belangrijk om bij het psychologisch onderzoek van allochtone kandidaten rekening te houden met mogelijke achterstanden die van invloed zijn op testprestaties. Die achterstanden zijn typisch de Nederlandse taalbeheersing. De dienstdoende psycholoog dient na te gaan of kandidaten de Nederlandse taal voldoende beheersen en de instructie van de test goed begrijpen. In de tweede plaats moeten allochtone kandidaten nog beter voorbeid worden op de test dan autochtone kandidaten. Hierbij kan gedacht worden aan extra oefenopgaven, informatie over antwoordstrategieën en meerkeuzevragen en over oplossingsprincipes. Tenslotte is het gebruik aan te bevelen van psychologische tests waarbij in de constructiefase aandacht is besteed aan vraag- en testpartijdigheid en waarbij belemmeringen voor allochtone kandidaten zoveel mogelijk zijn weggenomen, zoals de MCT-M. Het gebruik van verschillende tests voor autochtone en allochtone kandidaten is geen goed idee, om de eenvoudige reden dat dan vergelijking onmogelijk wordt.
Verschillen meten tussen eerste en tweede generatie
Bij de interpretatie van de testresultaten, die volgt op de testafname, dient de achtergrond van de eerste generatie allochtone kandidaat te worden betrokken. Hierbij gaat het met name om de beheersing van de Nederlandse taal, de verblijfsduur, de leeftijd waarop men naar Nederland is gekomen en het aantal jaren Nederlands onderwijs dat is gevolgd. Voor tweede generatie allochtone kandidaten is het belangrijk na te gaan in hoeverre verschillen in taalbeheersing nog een rol spelen en of verschillen in taalbeheersing en mogelijk ook culturele achtergrond een rol hebben gespeeld in de schoolloopbaan.
Tenslotte is het noodzakelijk om bij het ontwikkelen van nieuwe psychologische meetinstrumenten, onderzoek te doen naar de verschillen tussen autochtonen en eerste en tweede generatie allochtonen. Het gaat me dan, academisch geformuleerd, om de verschillen in vraag- en testbetekenis en naar verschillen in de relatie met achtergrondkenmerken. Helaas gebeurt wordt hier nog zeer weinig rekening mee gehouden, 11 jaar na het LBR-rapport. De bestaande algemeen gebruikte psychologische instrumenten moeten dringen onderzocht worden op bruikbaarheid bij allochtoon-etnische groepen. Het gebruik van instrumenten die niet zijn onderzocht kan immers leiden tot het onterecht afwijzen van geschikte allochtone kandidaten in selectieprocedures. In de V.S. zijn bedrijven verplicht aan te tonen dat de selectieinstrumenten die ze gebruiken niet leiden tot het onterecht afwijzen van minderheidsgroepen. In Nederland ontbreekt jurisprudentie op dit gebied, maar het zou zeker goed zijn om in het geval van afwijzing op basis van de resultaten van een psychologische test van een eerste generatie allochtone sollicitant eens een juridische procedure te starten.
Dr. Remko van den Berg is directeur van het Nederlands Onderzoekscentrum Arbeidsmarkt en Allochtonen, verbonden aan de afdeling Arbeids- & Organisatiepsychologie aan de Vrije Universiteit. Stichting NOA ontwikkelt verschillende multiculturele psychologische tests.
Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 2 / juni 2001.
LITERATUUR:
- Berg, van den R.H. (2001). Psychologisch onderzoek in een multiculturele samenleving. Psychologische tests, interview- en functioneringsbeoordelingen. Academisch proefschrift. Amsterdam: NOA
- Flynn, J.R. (1987). Massive IQ gains in 14 nations: What IQ tests really measure. Psychological Bulletin, 101, 171-191.
- Jong, de M.J., & Batenburg,Th. A. van (1984). Etnische herkomst, intelligentie en schoolkeuzeadvies. Pedagogische studiën, 61, 362-371.
- Resing, W.C.M., Bleichrodt, N. & Drenth, P.J.D. (1986). Het gebruik van de RAKIT bij allochtoon etnische groepen. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 41, 179-188.
Zie ook:
www.noa-vu.nl






