Generalisaties lossen nooit een probleem op
Aanslagen op moslims tonen noodzaak tot correctie vijandbeeld
door Dick Houtzager - 01.12.2001
Dossier: Beeldvorming
Aanslagen op moslims als vergelding op de aanslagen van 11 september 2001. Nederland hoorde bij de koplopers in de EU wat betreft het aantal incidenten gericht tegen islamitische burgers en instellingen. Een vijandbeeld, niet gebaseerd op feiten en rede, is de voedingsbodem voor geweld tegen minderheden. Waar komen vijandbeelden vandaan en wat kun je ertegen ondernemen? Dick Houtzager beschrijft de incidenten na 11 september en was bij de bijeenkomst over vijandbeelden die door het LBR (nu Art.1) georganiseerd werd.
Direct na de aanslagen in New York en Washington op 11 september waren moslims en islamitische instellingen in veel westerse landen het doelwit van agressie en geweld. Binnen een week na de aanslagen verzocht het Europees Waarnemingscentrum tegen Racisme (EUMC) in Wenen, de nationale focal points om gegevens aan te leveren over de anti-islamitische incidenten. Uit het eerste Europese rapport, gebaseerd op de gegevens van de focal points, bleek dat de in Nederland geregistreerde incidenten talrijker waren dan in andere lidstaten. Nederland had de twijfelachtige eer om met België, Denemarken en Zweden koploper van de Unie te zijn. Dat de registratie in Nederland, door het bestaan van een netwerk van Anti-discriminatiebureaus, wellicht beter is dan in andere landen, kan een verklaring zijn voor de hoeveelheid gesignaleerde incidenten. De incidenten op zich waren voor velen hoe dan ook aanleiding om te veronderstellen dat het met de integratie van minderheden minder goed zit dan werd aangenomen.
De boodschap dat de meeste van de 800.000 islamitische gelovigen in Nederland gewoon deelneemt aan de Nederlandse samenleving en er geen reden is om bang te zijn voor islamitische Nederlanders, wil er bij een deel van de samenleving niet in . En altijd zijn er politici en andere opiniemakers die van dergelijk vijanddenken gebruik maken.
Niet alle incidenten gemeld
In de periode tot 19 oktober werden in Nederland 55 anti-islamitische incidenten geregistreerd die direct in verband gebracht kunnen worden met 11 september. Daarbij is nog niet gerekend het voorval in Apeldoorn in november, waarbij twee mannen met hun auto een man van Turkse afkomst ernstig verwondden onder het uitroepen van: Zo, alweer een moslim minder.
De aard van de gerapporteerde incidenten verschilde nogal. Het overgrote deel van de meldingen betrof verbaal geweld tegen personen, maar ook bekladdingen van moskeeën en islamitische scholen met racistische leuzen werden gemeld. Van ernstiger aard waren de pogingen tot brandstichting en vernieling van islamitische instellingen. Ook op het internet, het medium bij uitstek voor (anonieme) scheldpartijen, werd agressief gereageerd op moslims.
In de twee rapportages aan het EUMC wordt geconstateerd dat er, met name wat betreft het verbale geweld, sprake is van onderrapportage. Veel slachtoffers melden incidenten niet, zo is de ervaring. De gerapporteerde voorvallen vormen maar een deel van alle gebeurtenissen, zo valt te vrezen.
Massahysterie
Ook op de publieke opinie in Nederland hebben de aanslagen in New York en Washington hun uitwerking niet gemist. Opiniepeilingen in de weken na 11 september leidden tot soms verbijsterende resultaten: zo zei een meerderheid van de Nederlandse moslims begrip te kunnen opbrengen voor de aanslagen, en 8% van de ondervraagde moslims zei het tonen van vreugde over de aanslagen niet af te keuren . Een tweede enquête, gepresenteerd op 23 september in het programma Netwerk, bevestigde in grote lijnen de uitkomsten van de eerdere enquête.
In een volgende peiling, gehouden door het NIPO, werd autochtone Nederlanders gevraagd naar hun mening over moslims. Van de ondervraagden vond 62 procent dat moslims in Nederland die de aanslagen goedkeurden, het land uitgezet moesten worden. Voor de Volkskrant, die de poll had laten uitvoeren, reden om op de voorpagina te koppen: Radicale moslims het land uit. Uit dezelfde peiling bleek dat een kleine meerderheid van de Nederlanders bereid zou zijn om persoonlijke vrijheden in te leveren in ruil voor veiligheid.
Dat thema kwam ook aan de orde in nog een opiniepeiling, gepubliceerd op 17 oktober 2001 in het Algemeen Dagblad. Gevraagd naar welke maatregelen de overheid dient te nemen om aanslagen in de toekomst te voorkomen, bleek een meerderheid bereid om een beperking in de persoonlijke levenssfeer te accepteren. Ook vond ruim 20% het een goede maatregel om asielzoekers uit islamitische landen in de toekomst te weren.
Enig tegenwicht tegen de waarde van deze peilingen kwam van NRC Handelsblad, waar Wouter Knapper de peilingen zelf een vorm van terrorisme noemde . En psycholoog Jaap van Ginneken omschreef in het AD de grote bereidheid om persoonlijke vrijheden op te offeren als massahysterie .
Vijandbeelden
Uit de incidenten en met name uit de uitkomsten van de opiniepeilingen blijkt dat de aanslagen van 11 september 2001 voeding hebben gegeven aan het ontwikkelen van vijandbeelden. De fysieke en mondelinge aanvallen op moslims zijn een uiting van een anti-islamisme; het niet-afkeuren van de aanslagen in de VS zijn een vorm van anti-amerikanisme. Om te analyseren waarop die vijandbeelden in Nederland zijn gebaseerd en om te bekijken hoe iets tegen dergelijke beelden ondernomen kan worden, organiseerde het LBR op 8 november 2001 een bijeenkomst over dit onderwerp.
Sprekers Ido Abram, Sajidah Abdu Sattar en Ruth Oldenziel discussieerden onder leiding van Eerste-Kamerlid Ans Zwerver over antisemitisme, islamofobie en anti-amerikanisme.
Wereldconferentie: een stap te ver
Ido Abram verwees naar de wereldconferentie tegen racisme in Durban. Daar werd erkend dat antisemitisme een van de oudste vormen van racisme is. Het hedendaags antisemitisme neemt toe, met als Nederlandse voorbeelden het bekladden van joodse graven en synagogen en publicaties die de holocaust ontkennen. De wereldconferentie besteedde daar terecht aandacht aan. Tegelijkertijd werd Israël beschuldigd van systematisch racisme ten aanzien van de Palestijnen, wat gebeurde in termen van genocide en etnische zuiveringen. Het in één adem noemen van Israëlis en nazis is een stap te ver voor veel joden én niet-joden, concludeerde Abram.
Kennis over islam ontbreekt
Islamofobie of anti-islamisme is volgens publiciste Sajidah Abdus Sattar terug te voeren op de geschiedenis, waarin vanaf de middeleeuwen tussen West-Europa en de islamitische gebieden een rivaliteit heeft bestaan. Oorlogen en kolonisatie hebben de relatie gekenmerkt. Europa benijdde en vreesde de moslims, wat een vijandbeeld heeft gevormd. Het einde van het kolonialisme heeft in de meeste staten weliswaar onafhankelijkheid gebracht, maar kon het tragische wederzijdse onbegrip niet wegnemen, vindt Abdus Sattar. In veel islamitische gebieden heerst nog steeds een gevoel van overheersing door het Westen: Coca Cola en CNN beheersen de economie en de nieuwsvoorziening. In het Westen was het wegvallen van de Sovjetunie aanleiding om een nieuw gevaar op te voeren: het groene gevaar, de islam. Voor de huidige, heftige reacties tegen moslims voerde Abdus Sattar een paar factoren aan. Ze stelde dat het in Nederland aan kennis omtrent de islam ontbreekt, waardoor associaties de boventoon voeren. Ook is het, door de ontkerkelijking in Nederland, voor veel mensen niet begrijpelijk wat de rol van de godsdienst in andere landen betekent. Tenslotte stelt de immigratie het Westen voor een probleem: migratie bevestigt het superioriteitsgevoel van het Westen, vanuit het idee dat zij ons nodig hebben, maar tegelijkertijd wordt niet geaccepteerd dat de nieuwe inwoners andere ideeën uiten.
Amerika: boegbeeld en schrikbeeld
Anti-amerikanisme is veranderlijk naar tijd en naar plaats, stelde Ruth Oldenziel, als Universitair Hoofddocent verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Zij noemde als voorbeeld dat na 11 september in Frankrijk werd gezegd: wij zijn allemaal Amerikanen, terwijl Frankrijk binnen Europa zich het meest anti-Amerikaans opstelt als het gaat om economie en cultuur. Voor Europa is Amerika zowel een boegbeeld als een schrikbeeld. Europa projecteert op Amerika datgene wat het niet is, maar graag zou willen zijn. Tegelijkertijd zet het zich af tegen het Amerikaanse kapitalisme en modernisme. Dat beeld kent wel nuances: in Frankrijk bijvoorbeeld zet de elite zich af tegen de Amerikaanse consumptiecultuur, terwijl het gewone volk de Amerikaanse luxe en zijn symbolen omarmt.
De Amerikaanse cultuur is zo exporteerbaar, dat die daardoor als bedreigend wordt ervaren, ook in de islamitische wereld. Volgens Oldenziel zijn de stereotypering en de demonisering kenmerkende facetten van het anti-Amerikanisme.
Corrigeren vijandbeelden
Als het zelfbewustzijn van minderheden groeit, neemt het racisme toe, stelde Abram. De emancipatie van minderheden en hun acceptatie door de meerderheid zijn volgens hem twee kanten van dezelfde medaille. Hij meent dat intercultureel onderwijs een belangrijke rol speelt bij het bestrijden van vijandbeelden. Er kunnen bij het onderwijs meer groepen worden bereikt dan de leerlingen alleen; de klas, de school en de omgeving zijn terreinen waar het onderwijs invloed op heeft. Het propageren van de gedachte dat dialoog meer oplevert dan geweld, kan een begin van een oplossing zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met politiek en religieus fundamentalisme, dat niet gebaat is bij een dialoog. Daarnaast moeten in de berichtgeving genoeg nuances voorkomen. Generalisaties hebben nooit een probleem opgelost, zegt Abram.
Abdus Sattar toonde zich voorstander van een dialoog, maar merkte op dat een interne dialoog vooraf moet gaan aan een dialoog die met andere groepen wordt gevoerd. Een dialoog moet worden gevoerd door gelijkwaardige partijen, iets dat ontbreekt in de manier waarop moslims in Nederland ter verantwoording zijn geroepen na 11 september. Veel moslims kruipen daardoor in een slachtofferrol, wat niet bijdraagt aan een beter beeld. Om tot correctie van vijandbeelden te komen, moeten ook binnen de eigen kring uitwassen effectiever aangepakt worden.
Leren helpt, beaamt Oldenziel. Met meer informatie kun je proberen vooroordelen aan te pakken. Maar het erkennen van onderlinge verschillen is van groot belang. In de negentiende eeuw worstelden de Verenigde Staten met een probleem van multiculturaliteit. Niet de smeltkroes, waar ieder met het opgeven van de eigen identiteit in opging, was het antwoord, maar pluralisme. President Bush heeft in zijn reacties na 11 september vanuit die achtergrond begrepen dat moslims deel uitmaken van de Amerikaanse maatschappij, iets dat premier Kok in Nederland nog niet door heeft. In zijn benadering van islamitische minderheden kan hij nog iets leren van de Amerikanen.
Een belangrijke conclusie van de discussie was, dat opinieleiders, zoals politici, kranten- en televisiemakers een eigen, niet geringe verantwoordelijkheid in dit proces hebben. Genuanceerde standpunten en een zuivere berichtgeving dragen bij aan het leren en de dialoog. Gehoopt mag worden dat gewelddadige incidenten als gevolg van 11 september snel zullen afnemen. Op verbale incidenten zal wel gelet moeten worden, zeker met de verkiezingsstrijd in het vooruitzicht.
Dick Houtzager was redacteur van Zebra Magazine
Dit artikel verscheen eerder in Zebra Magazine, nr.4, december 2001






