Weerbaarheid, geen slachtofferschap
Nieuwe voorzitter LBR kiest voor daadkracht en perspectief
door Jeroen Visser - 01.09.2001
Dossier: Art.1 en discriminatiebestrijding
Sinds het voorjaar van 2001 heeft het LBR-bestuur een nieuwe voorzitter. Ir. Gilbert Wawoe volgde mr. drs. R. E. Karg MPM op, die het voorzitterschap sinds 1997 heeft bekleed. Jeroen Visser vroeg de nieuwe voorzitter naar zijn ideeën over de rol die het LBR dient te spelen. Het vergroten van de weerbaarheid van mensen in de multiculturele samenleving is zijn leidraad.
Ir. G.R. (Gilbert) Wawoe, geboren op de Antillen in 1937, heeft een succesvolle loopbaan achter de rug bij de Koninklijke Shell. Hij was onder meer Directeur Algemene Zaken van Shell Curaçao NV en, in Londen, Regionaal Directeur Zuid Oost Azië voor Shell International Petroleum Company. Per 1 januari 1994 is hij benoemd tot Staatsraad (lid van de Raad van State), met in zijn portefeuille onder meer Koninkrijkszaken. In zijn maatschappelijk leven was en is hij actief in vele functies, waarbij opvalt dat met name het onderwijsveld op zijn aandacht kan rekenen. De heer Wawoe is momenteel onder meer voorzitter van het Comité van Aanbeveling Nationaal Monument Slavernijverleden en, sinds dit voorjaar, voorzitter van het LBR.
Tijdens het interview blijkt dat het nauwelijks nodig is hem een vraag te stellen. Weloverwogen, nagenoeg op dicteersnelheid, vertelt Gilbert Wawoe wat hem bewoog tot aanvaarden van het voorzitterschap van het LBR.
Persoonlijk gemotiveerd
Ik ben op de Antillen geboren, heb in Nederland gestudeerd en een loopbaan achter de rug bij de Shell, een Brits-Nederlandse organisatie. In mijn leven heb ik veel mensen meegemaakt die niet in Nederland zijn geboren maar wel met de Nederlandse gemeenschap moeten omgaan. Zo kreeg ik zicht op de talrijke misverstanden en problemen die kunnen ontstaan als je probeert te leven in een gemeenschap die niet de jouwe is. Een speciale dimensie is het bovendien wanneer je, zoals ik, uit een land komt dat een ex-kolonie is van Nederland.
Direct wil ik daar aan toevoegen dat ik eveneens, beter dan wie dan ook, op de hoogte ben van de grote voordelen die het heeft om in zon situatie te verkeren. Als Antilliaan krijg je in Nederland de mogelijkheden om je talenten ten volle te benutten. Er gelden geen wettelijke beperkingen voor zelfverwerkelijking. Integendeel, er worden speciaal mogelijkheden geschapen voor mensen met een bepaalde achterstand. En, naar mijn ervaring, is het bedrijfsleven grotendeels meritocratisch ingesteld. Je wordt niet zozeer beoordeeld op de kleur van je haren, je ogen of je huid maar op je verdiensten. Zeker de internationaal opererende bedrijven zijn in grote mate zo ingesteld. Dat heeft als voordeel dat je in een wedstrijd zit waar iedereen gelijke kansen heeft, als je die maar goed gebruikt. Je kunt zelf dus werken aan hoe hard en hoe goed je meedoet aan deze wedstrijd.
Desondanks is het natuurlijk zo, dat er beperkingen zijn die te maken hebben met het feit dat je geen Europeaan bent. Dat heb ik zelf meegemaakt, op sociaal gebied maar ook op andere gebieden. Ik geloof dat het een taak is om lotgenoten te helpen, voor elke burger, maar zeker voor diegenen die in de positie zijn om dat te kunnen doen. Naar mijn overtuiging kan het LBR in die zin iets voor mensen betekenen.
Niets is echt onmogelijk
Toen mij werd gevraagd of ik de functie van voorzitter van het LBR wilde bekleden, was mijn grootste probleem hoe pas ik het in, in mijn leven en werk. Er is veel te doen. Zelf heb ik niet de neiging afwachtend toe te kijken, maar om in te grijpen en te veranderen. Wellicht heeft dat te maken met mijn ingenieursachtergrond. Voor een ingenieur hoort niets echt onmogelijk te zijn. Als je een weg wilt aanleggen en er staat een berg in de weg, dan ga je bedenken hoe je toch die weg kunt realiseren. Je bouwt een tunnel, legt een weg aan om de berg heen, of je graaft de hele berg af. Maar je gaat er van uit dat het kan, hoe dan ook. Met deze mentaliteit kijk ik ook naar maatschappelijke problemen. Door te overleggen en te onderhandelen kun je tot oplossingen komen.
Er zijn groepen met achterstanden. Zoals mensen met een taalachterstand die niet met het regulier onderwijs kunnen meekomen. Ik geloof dat wij als gemeenschap de verplichting hebben deze taalachterstanden weg te werken wanneer die mensen beletten zich te ontplooien. Daarvoor kunnen we onderwijskundige en opvoedkundige oplossingen aandragen. Als je dat niet doet, ontstaat er een tweedeling tussen mensen die mee kunnen komen en mensen die niet mee kunnen komen. Daar heeft niemand baat bij. Daarom is het goed dat het LBR de aandacht vestigt op zaken als de zwarte en witte scholen. Zwarte scholen doen het normaal gesproken minder goed. Maar dat is geen wet van Meden en Perzen. De ingenieur in mij zegt dat het mogelijk moet zijn zwarte scholen tot goede scholen te maken. Door selectie van leer- en onderwijsmethoden, met technische hulpmiddelen. In de Verenigde Staten zijn, in de jaren vijftig, de tijd van de apartheid daar, uitstekende zwarte universiteiten opgezet. Daar kwamen topacademici vandaan die later leiders werden in de beweging voor gelijke rechten in de Verenigde Staten. Zon model staat mij voor ogen. De onderwijs- en prestatiecriteria mogen absoluut niet lager liggen dan op witte scholen. Daarmee help je achterstandsgroepen niet. Integendeel, het leidt er alleen maar toe dat mensen later minder weerbaar zijn in de samenleving.
Geen slachtofferschap uitdragen
We moeten mensen stimuleren uitdagingen aan te gaan. De opgave van het LBR ligt dan ook niet in het bevestigen van mensen in hun slachtofferschap en zieligheid, maar juist in het verschaffen van grotere weerbaarheid aan mensen om sociaal, maatschappelijk te overleven. Dat is onze leidraad in een samenleving die nu al multicultureel is. Daar hoeven we niet over te blijven discussiëren en cijferen. Die multiculturaliteit kan een versterking betekenen wanneer we groepen met achterstanden faciliteren om achterstanden weg te werken.
Een taak voor het LBR is ook mensen de kans te geven zich bewust te zijn van die multiculturele samenleving. Het concept van School Zonder Racisme past daar goed in. Leer mensen van jongs af aan dat anders zijn gewoon is, dat mensen die anders zijn een deel van de maatschappij zijn. Zonder dat je er consequenties van meer of minder zijn aan hoeft te verbinden.
Er blijven in Nederland mensen met racistische ideeën, ondanks de inspanningen van veel mensen. Als het goed gaat met de economie heb je daar minder last van. Maar bij tegenslagen in de maatschappelijke ontwikkeling wordt er snel een zondebok gezocht. Zelfs wanneer we mensen weerbaar maken en we hun Nederlandse omgeving bewust proberen te maken dat anders zijn niet minder hoeft te zijn, blijft het noodzakelijk dat mensen voor ondersteuning bij een instelling terechtkunnen wanneer zijn discriminerend worden behandeld. Niet om uit te huilen, maar om mensen weerbaarder te maken, en onrecht recht te zetten. Een jurisprudentieoverzicht is dan bijvoorbeeld belangrijk, dat verduidelijkt de positie van mensen in een dergelijke situatie.
Racisme kan groeien als een gezwel. Kleine en nieuwe ontwikkelingen moet je daarom observeren en signaleren. Op een zakelijke manier, zonder slachtofferschap te bevestigen, moet we ons vervolgens beraden hoe bepaalde ontwikkelingen een halt toegeroepen kunnen worden. Momenteel zijn er in Nederland gelukkig geen racistische politieke vertegenwoordigers, maar we moeten niet op onze lauweren rusten.
Actuele kwesties
Ook wanneer ik naar actuele kwesties kijk, stel ik weerbaarheid en het vinden van oplossingen centraal. Slachtofferschap biedt geen perspectief.
Rassenrellen zoals deze zomer in Engeland zullen hier niet zo snel plaatsvinden. De tegenstellingen tussen de diverse gemeenschappen zijn in Engeland scherper dan in Nederland, in Nederland zijn meer overlegsituaties, en een groep als bijvoorbeeld de Surinamers is al veel meer geassimileerd dan mensen vaak denken. Het is onze taak te voorkomen en te waarschuwen voordat het zover komt. We moeten er ook voor waken mensen het idee te geven dat er in de Nederlandse situatie een rechtvaardiging bestaat voor relletjes.
Ten aanzien van het slavernijverleden zijn onderzoek, verspreiding van kennis en het in kaart brengen van de gevolgen van de slavernij belangrijk. Slavernij ging gepaard met verschrikkelijk lichamelijk en psychisch leed. Maar een vergelijking met de holocaust levert niets op en is onterecht. Bij de slavernij was het arbeidspotentieel van mensen het doel, bij de holocaust ging het om uitmoorden van mensen. Dat er een groep mensen is die voelt dat zij in een achterstandspositie verkeert door deze slavernijgeschiedenis, behoren we te respecteren. Maar ik geloof niet dat we in deze context over herstelbetalingen aan individuen moeten praten. Al was het maar omdat wij Caribische mensen zo fantastisch kunnen mengen, dat er nog maar weinig zuivere nazaten bestaan. Dat is deels ook een verklaring voor het feit dat het slavernijverleden voor velen geen groot issue is. Ik kan mij ook voorstellen dat de Verenigde Staten ten aanzien van de wereldconferentie over racisme heeft laten weten dat zij oplossend gericht wil bezig zijn, gericht op de toekomst, in plaats van op deze manier teruggaan naar het verleden.
Wat me dwars zit, is dat journalisten en onderzoekers hun onderwerpen nogal eens geen recht doen. Er wordt te vaak overdreven of geschermd met cijfers die de werkelijkheid geen recht doen. Het gevaar van stigmatiseren ligt op de loer. Wanneer wordt gesproken over Antilliaanse jongeren, associëren mensen hen snel met criminaliteit. Niet met de 1700 studenten die met een beurs in Nederland studeren en waarvan meer dan tachtig procent hun studie met goed gevolg afrondt. Of met de jongeren die het Antilliaanse Zomercarnaval of de Koninkrijksspelen tot een groot succes maken. Toch gaat het om dezelfde jongeren. Dat vergeten mensen vaak.
Jeroen Visser is medewerker Marketing en Communicatie van het LBR.
Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 3 / september 2001






