Verhuiswensen onderzocht: Allochtonen kiezen zelf niet voor slechte wijken
door Gideon Bolt - 01.02.2001
Dossier: Huisvesting en verhoudingen in de buurt
Hoe meer buitenlanders, des te slechter de buurt. Dat is het stempel dat media en beleidsmakers drukken op wijken waar veel allochtonen wonen. Dat de werkloosheid in concentratiebuurten hoger is en het opleidingsniveau lager dan in andere wijken, is geen nieuws. Zijn deze buurten misschien toch aantrekkelijk voor allochtonen, omdat bijvoorbeeld de moskee en de islamitische slager er te vinden zijn? Gideon Bolt ondervroeg Nederlanders, Turken en Marokkanen of de buurt voorziet in hun woonbehoefte. Zijn onderzoek weerlegt ook argumenten van diegenen die een gemeentelijk spreidingsbeleid zien als oplossing voor probleemwijken.
Buurten waar veel allochtonen wonen, worden meestal gezien als probleembuurten. Het zijn niet alleen de media die een dergelijk negatief stempel drukken op deze buurten, maar ook beleidsmakers en wetenschappers. Zo gebruiken beleidsambtenaren uit steden als Rotterdam en Utrecht het percentage allochtonen in de buurt als indicator voor sociale achterstand. Hoe meer buitenlanders in de buurt, des te slechter het met de buurt gaat.
Hoewel het, op zn zachtst gezegd, nogal discutabel is om het percentage allochtonen als achterstandsindicator te gebruiken, komt de associatie van allochtonen met achterstandsbuurten niet uit de lucht vallen. In het algemeen is er namelijk een sterk verband tussen het aandeel allochtonen in de buurt en het vóórkomen van problemen. Uit de Rapportage Minderheden 1995 van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat concentratiebuurten (buurten met een hoog aandeel allochtonen) slechter scoren op tal van indicatoren dan andere buurten. De werkloosheid is in concentratiebuurten hoger en de inkomens en het opleidingsniveau zijn er lager. Bovendien is in verhouding tot andere wijken de woonkwaliteit laag en de criminaliteit hoog.
Concentratie heeft voordelen
Het lijkt dan ook aannemelijk dat een woning in een niet-concentratiebuurt beter aan de aspiraties van huishoudens kan voldoen dan een woning in een concentratiebuurt, zeker als het gaat om Nederlandse huishoudens. Voor Turkse en Marokkaanse huishoudens zou dat anders kunnen liggen. Het wonen in concentratiebuurten kan voor hen namelijk ook bepaalde voordelen opleveren. Zo vergemakkelijkt het wonen in concentratiebuurten het onderhouden van contacten met familie, vrienden en landgenoten. Bovendien is in veel concentratiebuurten draagvlak ontstaan voor etnische voorzieningen. Deze voorzieningen maken de concentratiebuurt niet alleen extra aantrekkelijk voor leden van de etnische groep om er te gaan wonen (of om er te blijven), maar kunnen ook een rol spelen in het instandhouden van een eigen subcultuur en het bevorderen van onderlinge sociale contacten. Per etnische groep zijn er dus verschillen te verwachten in de mate waarin concentratiebuurten en niet-concentratiebuurten in de woonbehoeften voorzien.
Lombok en Kanaleneiland: verschillende wijktypes
Om deze verwachting te toetsen is in Utrecht een enquête gehouden onder Marokkaanse, Turkse en Nederlandse huishoudens. Het onderzoek is gehouden in twee concentratiebuurten en een aantal niet-concentratiebuurten. Niet-concentratiebuurten zijn gedefinieerd als buurten waar het aandeel Turken en Marokkanen lager is dan in de stad als geheel. De zes niet-concentratiebuurten die in het onderzoek zijn opgenomen hebben verder een gemiddelde sociaal-economische status met elkaar gemeen. In de beide concentratiebuurten (Lombok en Kanaleneiland-noord) ligt het aandeel Turken en Marokkanen sterk boven het stedelijke aandeel en is de sociaal-economische status (zoals in alle concentratiebuurten) laag. Lombok en Kanaleneiland-noord vertegenwoordigen twee verschillende typen concentratiebuurten in Utrecht. Lombok is een vooroorlogse concentratiebuurt die al een belangrijke functie had voor Turken en Marokkanen sinds de eerste gastarbeiders naar Nederland kwamen. Kanaleneiland-noord is een flatwijk gebouwd rond 1960 en een voorbeeld van een concentratiebuurt, waarin pas in de jaren tachtig een substantieel aantal Turken en Marokkanen kwam te wonen. Dat heeft alles te maken met het feit dat de sociale huursector (pas) eind jaren zeventig toegankelijk werd gemaakt voor Turken en Marokkanen. Sindsdien is de afhankelijkheid van de sociale huursector bij Turken en Marokkanen enorm toegenomen. In 1998 was maar liefst 92% van de Marokkaanse huishoudens en 80 % van de Turkse huishoudens aangewezen op de sociale huursector tegenover 42% van de Nederlandse huishoudens. Overigens is de gerichtheid van Turken en Marokkanen op de sociale huursector in de rest van Nederland zelfs nog iets sterker. Met de toegenomen afhankelijkheid van de sociale huursector is er (net als in de andere grote steden) sprake van een verschuiving van de etnische concentraties van vooroorlogse woongebieden naar vroeg-naoorlogse woongebieden. In Utrecht zijn er naast Lombok dan ook geen andere vooroorlogse buurten met een hoog aandeel Turken en Marokkanen. Buurten die qua bevolkings- en woningvoorraadkenmerken vergelijkbaar zijn met Lombok zijn vooral te vinden in de andere drie grote steden. Van de vroeg-naoorlogse concentratiebuurten zoals Kanaleneiland-noord, zijn er veel meer voorbeelden in Utrecht en de rest van Nederland. Kanaleneiland-noord is, gezien de hoge percentages Turken en Marokkanen (respectievelijk 21 en 43%), wel een zeer uitgesproken exponent van deze categorie concentratiebuurten.
Waardering voor de buurt
Lombok en Kanaleneiland-noord zijn, zoals eerder vermeld, buurten met een lage sociaal-economische status. Toch hebben deze buurten ten opzichte van niet-concentratiebuurten een aantal voordelen. Zo staan in beide buurten zowel een Turkse als een Marokkaanse moskee. Daarnaast zijn er in beide buurten Turkse en Marokkaanse winkels te vinden, hoewel het aanbod in Lombok veel groter is. Mede hierdoor wordt Lombok, veel meer dan Kanaleneiland-noord, gekenmerkt door een multiculturele sfeer.
Aan de Turkse en Marokkaanse respondenten is gevraagd in hoeverre zij de aanwezigheid van bovengenoemde aspecten in hun woonbuurt belangrijk vinden. Een ruime meerderheid van de Turken vindt de aanwezigheid van een moskee en Turkse en Marokkaanse winkels belangrijk. In beide concentratiebuurten worden deze voorzieningen dan ook intensief gebruikt. Ook de aanwezigheid van familieleden, vrienden en landgenoten wordt door de meeste Turkse en Marokkaanse belangrijk gevonden. In de concentratiebuurten blijkt dan ook dat een groot deel van het sociale leven zich in de eigen woonbuurt afspeelt. Zo heeft een meerderheid van de Turken en Marokkanen in beide buurten minimaal de helft van de vriendenkring in de eigen woonbuurt wonen; iets wat slechts voor een kleine minderheid van de Nederlandse respondenten opgaat.
Weggestopt in concentratiebuurt
Gezien de belangrijke rol die de concentratiebuurten spelen in het sociale leven van veel Turken en Marokkanen, ligt het dus voor de hand dat Turken en Marokkanen positiever tegen de concentratiebuurten aankijken dan Nederlanders. Daarvan is in de algemene beoordeling van de buurten echter niets terug te vinden. De drie onderzoeksgroepen zijn eensgezind negatief over Kanaleneiland-noord, terwijl Lombok en de overige buurten een ruime voldoende scoren. Behalve het feit dat de etnische groepen niet verschillen in hun oordeel over de buurten, valt dus op dat er niet zozeer een verschil in waardering is tussen de concentratiebuurten enerzijds en de overige buurten anderzijds, maar dat beide concentratiebuurten zeer verschillend beoordeeld worden. Dat komt ook terug als specifiek gevraagd wordt naar een oordeel over de bevolkingssamenstelling van de buurt. In Lombok is er bij alle groepen weinig ontevredenheid over de bevolkingssamenstelling van de buurt. In Kanaleneiland-noord is de ontevredenheid over de bevolkingssamenstelling juist groot, ook onder Turken en Marokkanen. De verklaring hiervoor is dat Turken en Marokkanen in Kanaleneiland-noord zich, in tegenstelling tot hun landgenoten in Lombok, weggestopt voelen. In vergelijking tot hun landgenoten in de andere woonbuurten hebben zeer weinig Turken en Marokkanen in Kanaleneiland-noord bij hun verhuizing bewust voor Kanaleneiland-noord gekozen. Daarnaast associëren zij, net als hun Nederlandse buurtgenoten, de snelle toestroom van almaar meer buitenlanders als een teken van verval van de buurt. Voor Turken geldt dat overigens nog sterker dan voor Marokkanen. Zij verwijzen vaker dan Marokkanen naar de toenemende onveiligheid en vandalisme in de buurt en wijten dat ook vaak expliciet aan de Marokkaanse jeugd.
Dat er in Lombok, ook door Nederlanders, weinig geklaagd wordt over de bevolkingssamenstelling zal zeker te maken hebben met het feit dat daar de bevolkingssamenstelling, in ieder geval qua etniciteit, de afgelopen jaren tamelijk stabiel is gebleven. Deze stabiliteit in de etnische samenstelling ging bovendien gepaard met de vooruitgang van de buurt, zowel in fysieke als in sociaal-economische zin. Voor de Nederlanders in Lombok (die zich bijna allemaal in de buurt vestigden op het moment dat het aandeel allochtonen al hoog was) ligt de associatie tussen de achteruitgang van de buurt en de toename van buitenlanders dan ook minder voor de hand dan voor Nederlanders in Kanaleneiland-noord.
Verhuiswensen
Dat het wonen in een concentratiebuurt niet per definitie bezwaarlijk is voor Nederlanders, blijkt ook als gekeken wordt naar de verhuiswensen. Relatief veel Nederlanders zijn van plan de komende jaren in Lombok te blijven. Zeker als rekening wordt gehouden met de jonge leeftijdsopbouw van Nederlanders in de buurt (wat normaal gesproken garant staat voor een hoge verhuisgeneigdheid) doet de populariteit van Lombok niet onder voor die van de niet-concentratiebuurten. De toegenomen populariteit gaat overigens gepaard met een stijging van de koopprijzen en langere wachttijden voor sociale huurwoningen. Hierdoor wordt de wijk steeds minder toegankelijk voor huishoudens met een zwakke woningmarktpositie, waardoor het aandeel allochtonen in de toekomst wel eens zou kunnen gaan dalen.
Voor Marokkanen geldt dat Lombok iets minder in staat is om de Marokkaanse bewoners aan zich te binden dan de overige buurten. Bij Turken is het verschil nog een stuk groter. Blijkbaar wegen de voordelen van het wonen in een concentratiebuurt niet helemaal op tegen de hogere sociaal-economische status en de (verwachte) hogere woonkwaliteit buiten de concentratiebuurt. Kanaleneiland-noord kan de concurrentie met de niet-concentratiebuurten helemaal niet doorstaan. Veel Turken en Marokkanen willen uit deze wijk vertrekken. Een groot aandeel van de verhuisgeneigde Turken (55%) en Marokkanen (35%) noemde de slechte kwaliteit van de buurt als belangrijkste reden om te verhuizen. Dat zijn zeer hoge aandelen, want in huisvestingsonderzoeken (of het nu om autochtonen of allochtonen gaat) spelen buurtmotieven in het algemeen een bescheiden rol. Bij de slechte kwaliteit van de buurt moet gedacht worden aan de verloedering van de fysieke woonomgeving, maar vooral aan de sociale veiligheid. Kanaleneiland-noord kan blijkbaar niet voldoen aan de basisvoorwaarde van veiligheid die de meeste mensen aan hun woonomgeving stellen. Zolang aan deze basisvoorwaarde niet is voldaan zullen andere aspecten van de woonomgeving (zoals de aanwezigheid van vrienden of etnisch-specifieke voorzieningen) van secundair belang zijn.
Bij de Nederlanders is het aandeel dat weg wil uit Kanaleneiland-noord nog veel hoger. Gezien het feit dat de Nederlanders in Kanaleneiland-noord gemiddeld hogere inkomens hebben dan hun Turkse en Marokkaanse buurtgenoten, ligt het voor de hand dat meer Nederlanders de gewenste verhuizing uit Kanaleneiland-noord zullen realiseren. Gevoegd bij het feit dat Kanaleneiland-noord nauwelijks nog Nederlandse starters trekt, betekent dat dat het aandeel allochtonen (bij een ongewijzigde woningvoorraad) de komende jaren zal blijven toenemen.
Het toenemende aantal Turken en Marokkanen is natuurlijk niet uniek voor Kanaleneiland-noord. Veel vroeg-naoorlogse buurten met een hoog aandeel sociale huurwoningen maken een groei door van het aandeel allochtonen. Daartegenover staan veel vooroorlogse buurten die in de jaren zeventig een belangrijke functie hadden in de huisvesting van Turken en Marokkanen, maar die die functie langzamerhand hebben verloren sinds de sociale huursector toegankelijk is gemaakt. Hoewel de spreidingspatronen van Turken en Marokkanen aan verandering onderhevig zijn, is er wel duidelijke lijn in te ontdekken. Het zijn telkens de buurten die bij de Nederlandse bevolking minder in trek zijn geraakt waarop de meeste Turken en Marokkanen zijn aangewezen. Vaak zijn deze buurten (ondanks de mogelijke voordelen van concentratie) niet of nauwelijks aantrekkelijker voor Turken en Marokkanen dan voor Nederlanders. De conclusie moet zijn dat de oververtegenwoordiging van Turken en Marokkanen in slechte wijken niet een uiting is van cultureel bepaalde buurtvoorkeuren, maar van hun zwakke positie op de woningmarkt.
Dr. G.S. Bolt is verbonden aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Hij heeft op 26 januari 2001 zijn proefschrift Wooncarrières van Turken en Marokkanen in ruimtelijk perspectief verdedigd. Dit artikel is gebaseerd op zijn proefschrift dat is uitgegeven door de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht.
Spreidingsbeleid
Gezien de slechte woonomstandigheden in veel concentratiebuurten, is het niet verwonderlijk dat er ook vanuit allochtone zijde pleidooien worden gehouden om iets tegen de concentratie te ondernemen. Voor sommigen is dat één van de argumenten om het spreidingsbeleid van stal te halen. De voorstanders van een spreidingsbeleid maken echter een paar denkfouten. In de eerste plaats stellen zij in feite voor om de discriminatie in de sociale huursector weer her in te voeren. De kans op het bemachtigen van een woning mag volgens de wet namelijk niet afhankelijk zijn van iemand etnische afkomst. Dat is maar goed ook, want informele vormen van spreidingsbeleid hebben in het verleden altijd geleid tot lange wachttijden voor allochtonen.
Behalve grondwettelijke bezwaren valt tegen spreidingsbeleid in te brengen dat het feitelijk om symptoombestrijding gaat. Gesuggereerd wordt dat buurten impopulair zijn, omdat er veel allochtonen wonen. Behalve het feit dat concentratiebuurten helemaal niet impopulair hoeven te zijn (zie Lombok), zal het verband juist andersom liggen: slechte buurten trekken allochtonen aan, omdat zij door hun zwakke positie op woningmarkt op de minst populaire delen van de woningvoorraad zijn aangewezen.
Eén van de belangrijkste argumenten voor het spreidingsbeleid is de op het eerste gezicht aannemelijke bewering dat spreiding de maatschappelijke integratie van allochtonen zou bevorderen. Hoewel deze stelling door velen ondersteund wordt, is deze nog nooit gestaafd door Nederlands onderzoek. Weer gaat het in feite om de omdraaiing van oorzaak en gevolg: de participatie van allochtonen op de woningmarkt blijft niet achter omdat ze in concentratiebuurten wonen, maar allochtonen wonen in concentratiebuurten omdat hun maatschappelijke participatie achterblijft bij die van Nederlanders.
Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 1 / februari 2001.






