mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Uit, maar niet er in

Uit, maar niet er in

Discriminerend deurbeleid bij discotheken
door Gé Grubben - 01.06.2001

Dossier: Goederen en diensten

Tags: antidiscriminatiebeleid, burgerlijk recht, discriminatie ras, gelijkebehandelingswetgeving, horeca, meldpunten, strafrecht

Vrijdagavond, een avondje stappen? Veel jongeren kunnen het wel vergeten een discotheek in te komen. Het deurbeleid van verschillende discotheken is discriminerend, zo hebben praktijktests uitgewezen. Ook de Commissie Gelijke Behandeling heeft regelmatig geoordeeld dat uitgaansgelegenheden discrimineren bij het toelaten van allochtone jongeren. Er lijkt sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw weinig veranderd te zijn. Gé Grubben bekijkt welke activiteiten Antidiscriminatie bureaus en anderen uitvoeren om het probleem aan te pakken.

In 'Kerncijfers discriminatie 2000' 1 maken de Antidiscriminatiebureaus of ADB’s melding van 233 bij hen ingediende klachten over discriminatie in de horeca. Het gaat daarbij met name om klachten over discotheken. Zij zouden mensen op grond van oneigenlijke argumenten weigeren toe te laten. Op de website 'Ik ben geweigerd' 2 hebben 1300 mensen reeds laten weten ooit geweigerd zijn bij een discotheek.

Niet van gisteren

Discriminatie in de horeca is een probleem dat al jaren speelt en bij tijd en wijlen een heleboel media-aandacht genereert. Zo bracht de toenmalige 'Anti Discriminatiegroep Alkmaar' in 1980 al een rapport 3 uit, waarin men de resultaten van een aantal praktijktesten had neergelegd, waaruit bleek dat allochtone proefpersonen regelmatig de toegang werd geweigerd.
Het TROS-programma 'Crimetime' bracht in 1991 een reportage over discriminatie in discotheken in verscheidene Nederlandse steden. Met de verborgen camera werd vastgelegd hoe in een aantal gevallen jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst de toegang werd geweigerd. In 1996 deed 'Hier en nu' van de NCRV hetzelfde in Oost-Nederland. Wederom werd met een verborgen camera in beeld gebracht, hoe allochtonen bezoekers de toegang tot diverse grote discotheken werd geweigerd.
Ook de schrijvende pers heeft het item door de jaren heen al talloze malen gebracht. In begin 2000 was er wederom veel media-aandacht. Zo verscheen er in het Rotterdams Dagblad een artikel, waarin verslag werd gedaan van de eigen ervaringen van een journalist van het betreffende dagblad, die begin 2000 samen met mensen van de Rotterdamse Anti Discriminatie Actie Raad (RADAR), de Rotterdamse Jongerenraad en Groen Links de proef op de som nam. Allochtone deelnemers aan de test werden veelvuldig geweigerd.

Antidiscriminatiebureaus

Antidiscriminatiebureaus besteden met enige regelmaat uitgebreid aandacht aan horecadiscriminatie. Zo zijn in steden als: Breda, Tilburg, Enschede, Hengelo, Leiden, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam door ADB's vaak in samenwerking met anderen stappen ondernomen om het probleem aan te pakken. In Breda hebben verschillende partijen een horecaconvenant afgesloten, waarin specifieke aandacht was voor het toelatingsbeleid. In Tilburg is een speciaal Meldpunt Horeca opgericht. ADB-Oost participeert zowel in Enschede als in Hengelo in een overlegorgaan, waarin veiligheid centraal staat, maar waarin ook aandacht is voor discriminatie. In Leiden werden horeca-ondernemers benaderd met een antidiscriminatiecode en ook in Amsterdam wordt aan een dergelijke code gewerkt. Het Steunpunt Anti-Discriminatie te Utrecht en het LBR hebben recent de Utrechtse gemeenteraad verzocht om stappen te nemen naar aanleiding van een tweetal uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling4 met betrekking tot discriminatie bij Utrechtse discotheken. In Rotterdam zet RADAR met regelmaat horecadiscriminatie op de agenda, hetgeen onder andere resulteerde in portierstrainingen en regelmatig overleg tussen horecaondernemers, politie, gemeente en RADAR.

Geen adequate aanpak

Tot op heden heeft alle aandacht die aan horecadiscriminatie is besteed in de afgelopen decennia nog niet geleid tot een adequate en efficiënte aanpak van het probleem. Alhoewel gedegen onderzoek naar de omvang van het probleem ontbreekt en de indruk bestaat dat media-aandacht een verhoging van het aantal klachten en meldingen genereert, is de stelling verdedigbaar, dat het probleem in omvang eerder gegroeid dan gedaald is.
De bestrijding van horecadiscriminatie met straf-, civiel- en bestuursrechtelijke middelen hebben tot op heden niet het beoogde resultaat behaald. Laat staan dat de invoering van de 'Gedragscode Anti-rassendiscriminatie Horeca' van het Bedrijfschap Horeca in 1993 enige bijdrage heeft geleverd. Deze tandenloze papieren tijger heeft, in ieder geval waar het gaat om discotheken, geen enkel nut bewezen.
In 'Anders niets? Discriminatie naar ras en nationaliteit bij consumententransacties' 5, oordeelt P.R. Rodrigues dat zijn inziens de wettelijke middelen om horecadiscriminatie aan te pakken geen uitbreiding behoeven, maar dat de daarin neergelegde bevoegdheden beter benut dienen te worden. Hij pleit voor het opstellen van (lokale) convenanten tussen de branche, bestuur en Openbaar Ministerie. Voorts is hij van mening dat het intrekken van de horecavergunning niet altijd proportioneel is en de mogelijkheid van een tijdelijke of partiële intrekking van de vergunning een mogelijke oplossing is. Gezien de ervaringen met convenanten waar het om discriminatie gaat, is het zeer twijfelachtig dat dit instrumentarium tot het beoogde effect resulteert. Verder is het, met het oog op het geringe aantal (strafrechtelijke) veroordelingen, nog maar de vraag of het intrekken van de vergunning bij twee veroordelingen van minimaal duizend gulden in een periode van vijf jaar 'buiten proportioneel' is. Dit laatste mede met het oog op de problemen rond de bewijsbaarheid die zich voordoen bij een mogelijke strafvervolging. 6

De andere kant van de medaille

Duidelijk is dat het probleem horecadiscriminatie al tientallen jaren speelt en in tegenstelling tot vele andere 'discriminatiegebieden' lijkt het probleem in de loop der jaren eerder toe dan af te nemen. In 'Samen uit, handen thuis' 7 geeft G. van Kooten motieven voor de handelswijze van discotheekeigenaren. Hij concludeert in zijn onderzoek dat er sprake is van toenemende problemen met jongeren. Met name jonge Marokkaanse jongeren zouden zich volgens hem onder andere schuldig maken aan verbale en fysieke seksuele intimidatie. De gevolgen gaan ook verder dan onaanvaardbaar gedrag. Louter de fysieke manifestatie als groep of de herkenbaarheid als categorie roepen volgens het onderzoek bij het overige publiek al gevoelens van onbehagen of onveiligheid op. Het ongewenste gedrag in combinatie met de gevoelens van onbehagen kunnen leiden tot een neerwaartse spiraal in de bezoekersaantallen.
In een overzicht van preventieve maatregelen die horecaondernemers nemen ter voorkoming van problemen noemt hij uitdrukkelijk een restrictief toelatingsbeleid. Hij verwoordt het als volgt:
"Een restrictief toelatingsbeleid wordt gehanteerd vanaf het moment waarop de ondernemer verwacht, dat verdere toelating resulteert in een naar het oordeel van het overige publiek te hoge concentratie van allochtone jongeren. Verwachtingen daaromtrent zijn veelal gebaseerd op ervaringen in het verleden. Signalen dienaangaande bereiken ondernemers mondeling dan wel schriftelijk of blijken, met een zekere vertraging, uit teruglopende aantallen autochtone bezoekers. De consequentie van deze maatregel is dat bezoekers met een allochtone achtergrond vanaf het desbetreffende moment louter daarom de toegang wordt geweigerd. Hoewel de meeste ondernemers de onbillijkheid daarvan erkennen, geven zij tegelijkertijd aan vanwege de noodzakelijke continuïteit in de bedrijfsvoering niet om een dergelijke maatregel heen te kunnen."

Oplossingen

Het lijkt alsof de ondernemers hier een punt hebben. Maar wie de bij de ADB's binnengekomen cases bekijkt, kan constateren dat vele slachtoffers niet behoren tot de zogenaamde 'risico-groepen'. Bovendien is het de vraag of je aan iemands gezicht kunt zien of hij of zij tot een dergelijke groep behoort. Gezien de kwalijke gevolgen van een preventief, lees discriminerend, deurbeleid, behoort als een paal boven water te staan dat een dergelijk beleid absoluut niet acceptabel is en hoort repressief opgetreden te worden tegen deze praktijken. Evenzo hoort wangedrag van bezoekers, ongeacht hun etnische achtergrond, gesanctioneerd te worden. Het is ontoelaatbaar dat hele groepen beknot worden waar het gaat om hun vrijetijdsbesteding.
Al eerder heb ik gesteld, dat het er sterk op lijkt dat de tot op heden aangedragen 'oplossingen' nauwelijks functioneel zijn. De eerste stap naar een oplossing lijkt mij gemeen overleg tussen alle betrokken partijen gericht op harde afspraken met duidelijke toetsingscriteria en evaluatiemomenten, waarbij de mogelijkheid van proefprojecten niet moet worden geschuwd. In de tussentijd blijft sanctionering noodzakelijk, want gelijkheidsbepalingen houden eenieder in en sluiten niemand uit.

Voetnoten:

1 'Kerncijfers discriminatie 2000, Landelijke cijfers over geregistreerde meldingen van discriminatie', een rapport van de Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten. 21 maart 2001.

2 'Ik ben geweigerd', www.geweigerd.nl een initiatief van Khansa Y2K Goodtimes.

3 'Zwartboek' "En toen zei de portier...", Alkmaar, september 1980.

4 Oordeelnummer 2000-84 en 2000-85, Commissie gelijke behandeling, december 2000.

5 'Anders niets? Discriminatie naar ras en nationaliteit bij consumententransacties', P.R. Rodrigues. Leleystad, Koninklijke Vermande, 1997.

6 In oktober 1995 startten politie en justitie in Rotterdam een onderzoek naar het (vermeende) discriminerende deurbeleid van de Baja Beach Club. Uit videomateriaal bleek dat aan de deur op grond van huidkleur geselecteerd werd. Echter tot een rechtszaak en veroordeling is het nooit gekomen, aangezien de officier van justitie de voorkeur gaf aan het maken van 'harde' afspraken met de eigenaar van de club.

7 Nota'Samen uit, handen thuis, een verkennend onderzoek naar ongewenst gedrag van risico-groeperingen in discotheken', dr. Gerrit van Kooten, Erasmus Universiteit Rotterdam, november 1999.

Wettelijk kader

Discriminatie door uitgaansgelegenheden is verboden op grond van art. 7 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). De Commissie Gelijke Behandeling heeft verschillende malen geoordeeld dat het niet-toelaten van mensen op grond van hun (allochtone) afkomst in strijd is met de wet.
Tegen discriminatie door discotheken kan ook met het strafrecht worden opgetreden. Artikel 137g en artikel 429quater wetboek van Strafrecht geven aan dat degene die in de uitoefening van zijn beroep discrimineert, strafbaar is. Bij artikel 137c Sr moet opzet worden aangetoond, bij 429quater Sr is opzet niet nodig. Het is duidelijk dat de uitbater van een disco, die mensen de toegang weigert, onder beide artikelen valt: hij handelt immers in de uitoefening van zijn beroep.
Een wat omslachtige en kostbare weg is die van het civiele recht. Het niet-toelaten tot een discotheek kan worden opgevat als onrechtmatig, en bij de rechter kan een vordering tot toelating worden ingesteld, met oplegging van een dwangsom voor iedere keer dat de eigenaar weigert om de betrokkene toe te laten. De vordering moet door een advocaat worden ingesteld en het inschakelen ervan kan een dure aangelegenheid worden. Wellicht daarom is in het verleden weinig gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Voorts hebben gemeenten de mogelijkheid om via de horecavergunning iets te doen tegen weigerende disco-eigenaren. De Drank- en Horecawet geeft in artikel 8 een omschrijving van de eisen waaraan een horeca-ondernemer moet voldoen voordat hij een drankvergunning krijgt. Hij moet onder andere voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, welke zijn omschreven in het Besluit Eisen Zedelijk Gedrag 1999. De uitbater die in de afgelopen vijf jaar twee maal is veroordeeld tot een boete of een transactie van duizend gulden op grond van de discriminatieverboden, voldoet niet aan de eisen van zedelijk gedrag. Op grond van art. 31 van de Drank- en Horecawet, moet de Burgemeester dan de vergunning intrekken. In de praktijk worden zulke hoge boetes echter vrijwel nooit opgelegd, zodat de intrekking van de vergunning bijna niet voorkomt. Gemeenten die een actief beleid willen voeren op dit terrein, kunnen via de plaatselijke horecaverordening voorwaarden stellen aan het verkrijgen van een nachtvergunning, zoals een discriminatieverbod. Bij overtreding daarvan kan de nachtvergunning worden ingetrokken.

G. Grubben is informatieadviseur bij Art.1

Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 2 / juni 2001.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires

Art.1 is onder meer verbonden aan: