mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / 'Marokkanen babbelen teveel'

'Marokkanen babbelen teveel'

Onderzoek naar de positie van allochtone ROC leerlingen op de stagemarkt
door Charissa Vitalis - 01.07.2003

Dossiers: Arbeid, Onderwijs

Tags: arbeidsmarkt, discriminatie ras, etnische minderheden, jongeren, onderwijs, stages

Als we afgaan op slechts een greep van verontrustende krantenkoppen als: ‘Positie allochtone leerling in het beroepsonderwijs ondermijnd’, ‘Allochtone student MBO moeilijk aan de slag’, en ‘Onbekend maakt onbemind’, dan laten zij geenszins een optimistisch geluid horen over de huidige en toekomstige situatie van allochtone MBO leerlingen. Charissa Vitalis deed onderzoek naar hun positie op de stagemarkt.

Als oorzaak voor de negatieve positie van allochtone MBO leerlingen wordt veelal 'discriminatie' genoemd. Voor het LBR (nu Art.1) reden om op deze problematiek in te zoomen. In samenwerking met Meldpunt Discriminatie Eindhoven (MDE) startte een onderzoek met als doel: 'Het signaal te onderzoeken dat allochtone leerlingen op het ROC meer moeilijkheden ondervinden bij het zoeken naar en het verkrijgen van een stageplek dan autochtone leerlingen. Zijn er indicaties voor een werkelijk probleem? En zo ja, speelt discriminatie daarbij een mogelijke rol.'

Het onderzoeksveld bestond uit twee ROC's, waarbinnen drie uiteenlopende onderwijssectoren; Handel en Administratie, Zorg en Welzijn, en de Autobranche, onderzocht zijn. De onderzoeksgegevens zijn afkomstig uit open interviews, met stagecoördinatoren en -docenten per sector en ROC.

De variëteit aan problemen die tijdens het onderzoek naar voren kwam, is voor een deel te verklaren door de opleidingsinhoud van de verschillende sectoren. Er zijn typische problemen die alleen een rol spelen binnen een bepaalde sector. Het meest opvallende uit het onderzoek - en het minst onder de aandacht gebracht in de vooraf bestudeerde literatuur - is de differentiatie tussen de opleidingsniveaus 1 tot en met 4. Die differentiatie uit zich in bijvoorbeeld het type leerling (etniciteit, leeftijd, geslacht), de mate van succes gedurende de schoolloopbaan en de positie op de stagemarkt.

De kernvraag, die gericht is op de problemen van allochtone leerlingen met betrekking tot de stage, moet in een bredere context worden geplaatst. De problematiek houdt zich namelijk ook schuil in allerlei processen die een rol spelen vóór de stage. Om verheldering in het geheel te brengen en tot een algemene slotsom te kunnen komen, zal ik eerst de situatie per sector toelichten.

De verschillende sectoren

"Hoe lager het niveau, hoe hoger het percentage allochtone leerlingen", was een uitspraak binnen de sector Handel en Administratie. Uit de gegevens blijkt dat de eerdergenoemde differentiatie in niveaus enerzijds bestaat uit niveau 1 en 2 (laag), anderzijds uit niveau 3 en 4 (hoog). Dit is bijvoorbeeld te zien aan het type leerling. Op niveau 1 en 2 zitten voornamelijk de minst gekwalificeerde, geïntegreerde en gemotiveerde leerlingen, waaronder de uitval het hoogst is. Juist hier wordt de leerlingenpopulatie hoofdzakelijk vertegenwoordigd door allochtonen. Een bijzonderheid vormt het motief waarom allochtone leerlingen (uit de lage niveaus) kiezen voor een opleiding binnen Handel en Administratie. Vaak is er een statusbeeld aan gekoppeld en hebben zij hoge verwachtingen over de mogelijkheden die de opleiding hen biedt. Echter, de realiteit is tegengesteld aan dat beeld en sluit niet aan op de wensen van het bedrijfsleven. Daar wordt de voorkeur gegeven aan leerlingen uit hogere niveaus.
Bijkomende problemen zijn etnische groepsvorming, taalachterstanden en cultuurverschillen. Succesvol zijn vereist een goede motivatie en houding, maar een andere cultuur kan hierbij een belemmering vormen. Want alleen al een zichtbare culturele uiting als het dragen van een hoofddoek kan geïnterpreteerd worden als niet geïntegreerd zijn. Zo ook kan een leerling op die gronden eerder geweigerd worden voor een stageplaats. Hierdoor komt het dat "de beeldvorming ontstaat dat er een correlatie is tussen allochtoon zijn en problematiek".

Uitingen van discriminatie komen in deze sector niet duidelijk naar voren, maar er wordt wel duidelijk onderscheid gemaakt in gedragingen die gekoppeld worden aan een bepaalde etnische groep: "Marokkaanse en Turkse leerlingen, die hebben vaak trots, die voelen zich heel snel aangevallen, niet met respect behandeld, waardoor ze dus een houding krijgen van ja, jij behandelt mij niet met respect dan behandel ik jou niet met respect, maar dat is vaak een misverstand. En trouwens, Surinaamse en Antilliaanse leerlingen hebben dat ook wel dat ze soms moeite hebben om gezag te accepteren, kijk dat is dan de verkeerde stagehouding."

Een stageplek vinden gebeurt bij de ene opleiding door toewijzing en bij de andere op eigen initiatief van de leerling. Als een bedrijf een leerling op discriminatoire gronden weigert, kan dat bedrijf geschrapt worden uit het stagebestand. Echter, vanwege de krapte op de stagemarkt en andere belangen voor de opleiding, wordt eerder overgegaan op (mondelinge) onderhandeling. Dit heeft als gevolg dat de 'gedupeerde' leerling elders geplaatst wordt, zonder überhaupt van de eerdere weigering op de hoogte te worden gebracht.

In de sector Zorg en Welzijn ligt de problematiek op een iets ander vlak. Niet alleen worden de lagere niveaus hoofdzakelijk bezet door allochtone leerlingen, maar bestaat de populatie voor het overgrote merendeel uit meisjes. De sector is minder commercieel gericht en het soort leerling wordt omschreven als "een ander type mens, zij die in wezen al verzorgenden (sociaal) zijn en iets voor een ander over hebben". Ook hier geldt weer de differentiatie in niveaus: "Je merkt, dat hoe hoger het niveau, de leerlingen beter geïntegreerd zijn en zich beter kunnen presenteren dan leerlingen van niveau 1 en 2, dat is echt een zwakke groep". Succesvol zijn houdt dus verband met de mate van waarin een leerling geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving.
Het niet geïntegreerd zijn van leerlingen uit niveau 1 en 2, is zowel zichtbaar binnen de opleiding als op de werkvloer tijdens de stage. Allochtone meisjes komen hier de meeste problemen tegen doordat zij bijvoorbeeld een andere insteek hebben van hoe gestudeerd moet worden. Er is een verschil in mentaliteit in vergelijking tot de autochtone meisjes en dit wordt gezien als een cultuurgebonden fenomeen. Allochtonen missen vaak de 'drive' van thuis en de stimulans en steun van hun ouders. Ook hebben zij vaak een taalachterstand en wordt integratie extra bemoeilijkt door het opgaan in de eigen etnische groep. Tijdens de stage wordt ook duidelijk dat de Nederlandse normen en waarden in het zorgberoep, botsen met die van de allochtone leerling. Zij hebben bijvoorbeeld ook een ander tijdsbesef, waardoor ze langzamer werken of vaker te laat komen. Ten aanzien van de werkzaamheden komt het voor dat meisjes die moslim zijn, geen mannen mogen wassen of eten met varkensvlees rond mogen brengen. Vanuit de cultuur kunnen dus belemmeringen ontstaan waardoor de mogelijkheden voor de leerling al beperkter zijn en zelfs bepaalde werkzaamheden niet toelaten.

Discriminatie komt hier niet zozeer voor van bovenaf (werkgever), maar ligt meer bij de collega's op de werkvloer, en bij de zorgvragers, bijvoorbeeld: "het punt dat oudere mensen leerlingen zwarte piet noemen en niet door 'zwarte piet' in bed gelegd willen worden en dat is toch behoorlijk racistisch natuurlijk, dan moet je toch een behoorlijk dikke huid hebben om door te gaan". Naast dat discriminatie zich uit op bijvoorbeeld deze directe manier, is het moeilijker om indirect 'verborgen discriminatie' op de stageplaats te ontdekken, aldus een coördinator: "daar kom je nooit helemaal achter, wat de waarheid is, maar dat het gebeurt (discriminatie), ik geloof zeker wel dat het gebeurt, ik ben ervan overtuigd dat zulke dingen gebeuren". Toch zal ook hier niet snel een instelling geschrapt worden uit het stagebestand. Eerder wordt de zogenaamde 'geen verlies methode' gehanteerd, om een probleem bespreekbaar te maken en mondeling op te lossen.

Wat betreft de problematiek van allochtone leerlingen omtrent het stagegebeuren, blijft discriminatie binnen de Autobranche niet aan de oppervlakte. Hier zijn de formuleringen "recht voor z'n raap". Ook hier is het aandeel allochtonen het hoogst op niveau 1 en 2, en zijn allochtone jongens (een 'mannensector') in de meerderheid. De differentiatie in niveaus is vooral zichtbaar in de sociale attitude van de leerlingen. Hoe lager het niveau, hoe minder sociaal vaardig de leerlingen zijn, "het communicatieniveau is erg laag, en de referentie is heel erg klein, ze bemoeien zich weinig met het maatschappelijke circuit". Hoewel al niet veel wordt verwacht van de sociale vaardigheden in het algemeen, pakt dit voor allochtonen nog eens extra nadelig uit. De achterstand op het gebied van taal en het hebben van een andere cultuur, brengt de allochtone leerlingen uit niveau 1 en 2, op een nog lager communicatieniveau. Zij hebben een andere mentaliteit tegenover de studie, en beschikken minder over de capaciteit zich te motiveren, te concentreren en te disciplineren, waardoor hun uitval groter is.

Binnen deze sector bestaat de mogelijkheid voor de leerling zelf een stageplaats te zoeken. Gedragingen van leerlingen worden verklaard vanuit een etnisch paradigma van (voor)oordelen: "Er zijn wel eens culturele minderheidsgroepen die bepaalde gedragingen hebben, zo hebben we Marokkanen die babbelen teveel, dus die handelen, dat is een handelsvolk, ze gaan in onderhandeling met de docent of ze nog een voldoendetje kunnen krijgen in plaats van er iets voor te doen." Ook wordt hier weer gesproken over de tijdsdruk die allochtone leerlingen in mindere mate ervaren, maar toch, aldus een stagebegeleider: "dat heeft alles te maken met het integratieproces en de wil".

Discriminatoire uitspraken van een bedrijf leiden ook hier niet snel tot verwijdering van een bedrijf uit het bestand. Eerder wordt een niet gewenste leerling afgehouden van een stageplaats en zo aan de wensen van het bedrijf voldaan: "Als ik inderdaad weet dat ik bij een bepaalde plaats even geen buitenlandse jongen moet zetten, dan krijgt hij de plek niet...ook al is dat z'n eerste keuze". Tenzij het extreme vormen aanneemt in de zin van dat coördinatoren getuige zijn van uitingen als: "ik hoef zo’n kachelpijp niet", of "een Afghaanse jongen die ik dus ergens naartoe gezonden had naar een bedrijf, die daar vervolgens kwam nadat hij gebeld was voor een afspraak en bij de oprit al gezegd werd van 'joh, donder eens op!'". Dan wordt niet meer samengewerkt met die bedrijven.

Conclusie

Uit de interviews is naar voren gekomen dat allochtone leerlingen inderdaad meer problemen tegenkomen bij de stage dan autochtone leerlingen. Echter van discriminatie op grote schaal lijkt geen sprake. Discriminatie komt voor, maar de problemen zijn eerder het gevolg van een cumulatie van factoren: hun overgrote vertegenwoordiging in de lagere niveaus, te hoge verwachtingen bij leerlingen, taalachterstanden en cultuurverschillen. De uitval onder allochtone leerlingen is hoog. Verklaringen voor het falen van allochtone leerlingen worden te vaak alleen gezocht in hun etnisch-culturele achtergrond en versterken zo het proces.

C. Vitalis studeert Algemene Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht.

Dit artikel is verschenen in Zebra Magazine 2 / juli 2003.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Mediatheek

De mediatheek van Art.1 is te bezoeken op afspraak.
Neem contact op via het contactformulier of tel. 010 - 201 02 01.


Art.1 is onder meer verbonden aan: