Iedereen is anders
Pleidooi voor een open benadering van diversiteit in de arbeidssituatie
door Rien Walravens - 30.01.2004
Dossier: Arbeid
Hoe zinvol is het om te praten over discriminatie in de arbeidssituatie? Rien Walravens concludeert dat het weliswaar confronterend kan zijn, maar dat het beslist meerwaarde heeft - vooral voor de jonge generatie, de nieuwe autochtonen. Een onconventionele gedachte die om toelichting vraagt.
In eerste instantie wilde ik een artikel schrijven over het tegengaan van discriminatie in arbeidssituaties. Maar bepaalde, recente ervaringen brachten mij tot de vraag: 'Is een open gesprek over discriminatie in de arbeidssituatie eigenlijk goed of slecht?' Terwijl ik mijn argumentatie hiervoor op een rijtje zette, las ik de column nieuwe autochtonen van Anil Ramdas in NRC Handelsblad. Zijn betoog riep vragen op, maar sloot ook aan bij het punt waar ik mee worstelde. Het is goed eerst wat langer bij het stuk van Ramdas stil te staan.
Nieuwe autochtonen
Ramdas introduceert het begrip nieuwe autochtonen als verzamelnaam voor mensen jonger dan dertig jaar, met een vergelijkbare socialisatie waarbij huidskleur en etniciteit er niet toe doen. Hij zet dit af tegen de wereld waarin zijn en mijn generatie opgroeide en tegen de ervaringen die wij met elkaar delen. Ervaringen die ongetwijfeld bijdroegen aan wie we nu zijn. Hij memoreert aan de geweldige indruk van de zwart-wit televisie. De onuitwisbare indruk die Phil Bloom op ons twaalfjarige jongens maakte, toen zij de krant liet zakken waarachter, voor het eerst in de geschiedenis, blote borsten op de Nederlandse televisie verschenen. En over het geluk dat wij niet, zoals de generatie voor ons, gedwongen waren te kiezen tussen de Stones en de Beatles. Het gaf mij onmiskenbaar het gevoel de ervaringen te lezen van iemand zoals ik. Hoewel wij niet lang na elkaar ter wereld kwamen aan dezelfde kant van de wereld, werd ik als baby van het ene Nederlandse eiland in de Caribische zee verscheept naar een ander Nederlands eiland in de Noordzee. En van daaruit enkele jaren later naar het midden van Nederland. Daar ging ik naar school met kinderen die in de meeste opzichten zoals ik waren: blank en katholiek. Voor het merendeel afkomstig uit gezinnen waar hard werd gewerkt, het inkomen bescheiden was, maar waar geen armoede heerste. Wij konden ons in materieel opzicht met weinig tevreden stellen. Mijn anders zijn viel in mijn omgeving vooral op toen ik als eerste in mijn klas een brilletje kreeg. Daarnaast werd ik als klein jongetje wel eens vreemd aangekeken vanwege mijn West-Friese uitspraak van een aantal woorden. Voor Anil Ramdas was het anders zijn echter zeer bepalend voor zijn verdere ontwikkeling. Veel meer dan de jeugdervaringen die hij en ik met elkaar delen.
Jonge mensen, schrijft Ramdas in zijn column, onderscheiden zich niet veel meer van elkaar. Ze zijn allemaal in Nederland geboren, spreken de taal, kijken naar MTV, maken gebruik van het internet, zitten vaak in een klas met meerdere culturen. Kortom, hier is sprake van een bevolkingsgroep die een groot aantal ervaringen deelt. De generatiekloof telt, aldus Ramdas, nu zwaarder dan het onderscheid tussen autochtonen en allochtonen. Zijn betoog klinkt logisch. Hij introduceert een vorm van onderscheid waarover misschien minder wordt geschreven, maar die voor ouders met tienerkinderen zeer herkenbaar is. Op zich is het niet verkeerd om eens de overeenkomsten binnen bepaalde bevolkingsgroepen of leeftijdsgroepen voorop te zetten. Het begrip nieuwe autochtonen vormt een aanvulling op het containerbegrip allochtonen, waarmee allerlei verschillende bevolkingsgroepen op één hoop worden gegooid. Maar hierdoor wordt ook voorbij gegaan aan de wezenlijke verschillen in opvoeding of ervaringen. Ook Ramdas en ik verschillen van elkaar ondanks dat wij bepaalde ervaringen delen.
Diversiteit binnen het politiekorps
Een aantal ondernemingen in de detailhandel gaat vrij pragmatisch om met de multicultureel samengestelde samenleving. Door in te spelen op de verschillen tussen mensen en groepen, verhoogt zij haar winst. Bij overheden en non-profit instellingen zijn politieke en morele overwegingen doorslaggevend voor de wijze waarop met verschillen wordt omgegaan. Het cijfermatige staat vaak voorop. Er moeten voldoende allochtonen worden binnengehaald. Welke allochtonen dat zijn, doet er minder toe.
De afgelopen jaren was ik betrokken bij diversiteitprojecten van verschillende politiekorpsen en gemeenten. Op uiteenlopende momenten deed ik vergelijkbare ervaringen op, die mij aan het denken zetten. Zo ontwikkelde ons bureau samen met een politiekorps een training voor aspirant-agenten op het gebied van diversiteit. In deze training stond niet zozeer kennis centraal, maar eerder de eigen houding en gedrag van de cursisten. Het idee hierachter was dat het welzijn en het functioneren van minderheden binnen het korps nadelig wordt beïnvloed door de houding en het gedrag van een relatief kleine groep collegas. De meerderheid, die dit in wezen afkeurt, kijkt echter zwijgend toe of doet zelfs mee om niet uitgestoten te worden.
Tijdens deze training moesten cursisten hun eigen houding en gedrag verkennen en afzetten tegen hun eigen socialisatie. Vervolgens spraken de cursisten elkaar aan op houding en gedrag. Een groepje aspiranten bestaande uit jonge mannen van rond de twintig vond dat wij, de trainers, echter in het verleden leefden. Wij hadden, volgens hen, geen idee hoe de huidige maatschappij eruit zag. Gezien onze leeftijd veronderstelden zij dat wij pas op latere leeftijd met etnische diversiteit waren geconfronteerd. Daarom was het voor ons ook bijzonder, zo vertelden zij. Voor hen lag dat anders. Op school hadden zij kennis gemaakt met diverse culturen waarmee ze samen uitgingen en andere zaken hadden gedeeld. Ook homoseksualiteit was in hun ogen een normaal verschijnsel. Deze jongens waren de nieuwe autochtonen. Volgens hen werd van diversiteit een probleem gemaakt dat in wezen niet bestond. Om dit statement kracht bij te zetten, wezen zij op een van hun collegas: een jongen van Turkse afkomst. Geen van hen stoorde zich eraan dat deze jongen in een ander land was geboren. Hij beheerste de Nederlandse taal goed. Ze konden zich zelfs voorstellen dat de jongen geen zin had om steeds als tolk te moeten opdraven. Kortom, de Turkse jongen was gewoon een van hen. Een prima aankomend politieman. Ons was deze jongen ook al opgevallen. Dit kwam door zijn intelligente inbreng en het feit dat hij beter Nederlands sprak dan zijn autochtone collegas, maar ook omdat hij een zwijgzame en teruggetrokken indruk maakte.
Mijn medetrainer en ik stonden perplex van dit betoog. Onze pogingen de aspirant-politieagenten duidelijk te maken dat juist hun houding een belemmering vormde voor diversiteit binnen het politiekorps, strandden kansloos. Totdat de Turkse jongen het van ons overnam. Het verhaal van de anderen prikkelde hem om zich uit te spreken. Volgens hem was het helemaal niet zo vanzelfsprekend dat hij er helemaal bij hoorde. Hiervoor had hij twee argumenten. In eerste plaats maakte hij dagelijks mee dat hij als anders werd beschouwd en behandeld. Veelvuldig werd hem gevraagd of hij het wel goed begrepen had, alsof hij dommer zou zijn dan zijn klasgenoten. Iedereen in zijn werkomgeving wrong zich in allerlei bochten om een zweem van discriminatie te voorkomen. Ook werden allerlei aannames over hem gedaan die maar ten dele klopten. Een open gesprek over zijn eigen beleving werd hierdoor onmogelijk. Het tweede argument was dat hij wel degelijk anders was, tot op zekere hoogte. Hij groeide op in een streng religieus islamitisch gezin en had daardoor een andere achtergrond en socialisatie dan zijn klasgenoten. Niemand wist hoe hij worstelde met zijn opvoeding en functioneren in de maatschappij. Hij vroeg zich af waarom niemand hem op de man af vroeg naar zijn meningen in plaats van aannames te maken die aan de veilige kant bleven. Hij wilde niet met fluwelen handschoenen worden benaderd, maar had liever dat ze hem rechtstreeks vertelden aan welke groepsnormen hij zou moeten voldoen om erbij te horen. In dat geval lag de keus tenminste bij hem.
Voor de andere cursisten ging een hele wereld open. Zo wilden zij weten waarom hij dit niet eerder kenbaar had gemaakt. Het uiteindelijke resultaat was dat deze groep cursisten ook na de training lang met elkaar hierover spraken. Dit voorbeeld staat echter niet op zichzelf. Ook in latere trainingen kwamen wij vergelijkbare situaties tegen.
Ieder een ander wereldbeeld
Het is logisch dat mensen in de eigen groep eerst naar overeenkomsten zoeken. Daar ontleent een groep immers zijn bestaansrecht aan. Maar uit dit voorbeeld blijkt dat het veronachtzamen van verschillen eveneens tot problemen kan leiden. Denkbeelden over mensen of groepen die anders zijn kun je beter bespreken dan omzeilen. Verschillen blijken dan vaak helemaal geen belemmering te zijn voor een goede samenwerking. Wanneer je het praten hierover uit de weg gaat, kunnen kleine dingen uitgroeien tot volledig verstoorde verhoudingen. Wees duidelijk naar elkaar, want iedereen bekijkt de wereld op zijn eigen manier.
Drs. M.J. Walravens ondersteunt met zijn bureau Walravens & Partners organisaties bij veranderingstrajecten. Sinds tien jaar hebben organisatieveranderingen die te maken hebben met diversiteit zijn bijzondere aandacht.
Dit artikel is verschenen in Zebra Magazine 4 / december 2003.






