mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Consument laat van zich horen

Consument laat van zich horen

Bedrijfsleven gedwongen tot maatschappelijk verantwoord ondernemen
door Ralph du Long - 30.01.2004

Dossier: Arbeid

Tags: bedrijfsleven, maatschappelijk verantwoord ondernemen

Consumenten kunnen bedrijven aansporen tot maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo kreeg Ahold-topman Moberg dankzij de druk van consumenten een iets minder vorstelijke beloning. Ook organisaties als Amnesty en Greenpeace hebben invloed op de bedrijfsvoering van grote multinationals. Ingewikkelder ligt de vraag hoe gelijke behandeling wordt gemeten in het kader van het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Onderzoeker Ralph du Long zet uiteen welke mogelijkheden daartoe bestaan.

Tussen maatschappelijke partijen zoals ondernemers, bestuurders en werknemers is altijd enige wisselwerking geweest. Zo was het hoogtepunt van succesvol polderen (of misschien wel het begin ervan) het akkoord van Wassenaar uit 1982, met als kern de afspraak tussen de drie genoemde gremia om tot loonmatiging te komen. Dit akkoord wordt algemeen gezien als de bodem voor het succesvolle economisch herstel van de jaren tachtig en negentig. Maatschappelijke invloed werd en wordt over het algemeen uitgeoefend in groepsverband, georganiseerd of ongeorganiseerd. In Nederland wordt de waarde daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van het maatschappelijk middenveld, hoog geschat.
Een groep was er altijd al, maar werd nooit echt gehoord of gezien. Deze laat nu echter steeds meer van zich horen. Weliswaar niet letterlijk, maar in de vorm van rinkelende munten en knisperende biljetten. Het zijn de consumenten die in toenemende mate druk uitoefenen op ondernemers om zich ‘fatsoenlijk’ te gedragen. Een treffend, recent, Nederlands voorbeeld van deze straffende consument speelde zich af rond de beloning van de nieuwe topman van het Ahold concern, Anders Moberg. De nieuwe Ahold-topman zou een royaal salaris ontvangen met gunstige bepalingen in een periode waarin het concern in een uiterst wankele financiële situatie verkeerde. Consument lieten hun ongenoegen duidelijk merken en kozen voor andere supermarkten, waarna Ahold publiekelijk de honorering van Moberg aanpaste. In dit geval speelden overigens ook de interventies van steenrijke en dus machtige pensioenfondsen mee, die juist daarvoor de code Tabaksblat hadden omarmd en de daaruit voortvloeiende ethische verplichtingen moesten waarmaken. Ook zij lieten zich luid en duidelijk horen.
Op het moment dat consumenten georganiseerd hun stem verheffen, kan voor niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) een machtig instrument ontstaan. Dat de consument machtig is, was al eerder in andere landen onder andere omstandigheden aangetoond door onder andere Mahatma Gandhi en Martin Luther King. Beiden gebruikten hun economische macht als consumenten om ideële en politieke doelen te bereiken. Dat het maatschappelijk middenveld, als vertegenwoordigers van deze consumenten, een navenant machtige positie heeft kunnen opbouwen werd enkele jaren geleden duidelijk toen Shell een aantal keren publiekelijk moest buigen. Eenmaal voor Greenpeace in de Brent Spar affaire en een tweede maal voor Amnesty International in Nigeria met betrekking tot de schending van mensenrechten. Beide organisaties behaalden aansprekende resultaten. En hoewel in de genoemde gevallen de aanpak van beide organisaties deels overlappend was (onder andere waar het ging om het mobiliseren van de publieke opinie) was de rol die zij speelden in essentie nogal verschillend.

Verschillende modellen

Voor toekomstige spelers op het snijvlak van non-discriminatie en gelijke behandeling is het belangrijk te bepalen welke rol te kiezen. Een aantal NGO’s gebruikt het model van de dialoog, andere van de actie.
Amnesty International wilde in gesprek raken en blijven met bedrijven zoals Shell, die in landen opereren waar notoire schendingen van mensenrechten plaatsvinden. Naast het al genoemde Nigeria bemoeide Amnesty zich ook nadrukkelijk met schendingen van mensenrechten in China. Dit is overigens een tweezijdig belang. Ook de bedrijven hebben belang bij een dialoog met representatieve NGO’s. Stakeholders zijn immers cruciaal in de ontwikkelingen naar verder maatschappelijk gedrag van bedrijven. Greenpeace werd niet bekend door haar dialoogmodellen, maar door acties. Haar rubberbootjes verhinderden grote schepen om op walvissen te jagen of afval te dumpen. Dat is het model van de actievoerder. Een fundamenteel andere dan die van gesprekspartner, maar daarom niet minder efficiënt. Overigens kiest ook Greenpeace meer en meer voor dialoog en overleg.
Medewerkers van SOMO zullen niet snel in bootjes te vinden zijn, of abseilend van fabriekspijpen, maar achter bureaus of spreekgestoelten. SOMO is een onderzoek- en adviesbureau dat onderzoek doet naar de gevolgen van bedrijfsbeleid van multinationale ondernemingen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is één van de terreinen waarop het bureau adviseert. Niet zichtbaar voor het grote publiek, maar het type werk is daarom niet noodzakelijkerwijs minder invloedrijk. SOMO is sterk ‘NGO gekleurd’. Een ander onderzoeksbureau, relatief onbekend, is het Ethical Investement Research Institute (EIRIS), een Britse NGO, ooit opgericht door kerken en vakbonden die hun beleggingen ethisch verantwoord besteed wilden zien. EIRIS, anders dan SOMO, kent bedrijven cijfers toe. Aan de hand van een meetsysteem deelt zij de prestaties van bedrijven in bepaalde categorieën in. Deze indeling beïnvloedt het gedrag van ethische beleggers en heeft daarmee, een nog steeds groeiende, invloed op het gedrag van bedrijven waarin wordt belegd. Het is de rol van objectieve waarnemer die rapportcijfers uitdeelt. EIRIS heeft uiteindelijk een invloedrijke rol. Want een oordeel van ERIS kan de positie van een bedrijf in een ethisch fonds of een beleggingsindex beïnvloeden en daarmee zijn financiële positie. EIRIS wil dan ook kost wat het kost haar goede naam en onafhankelijkheid bewaren. Niet alleen NGO's, ook consultants als KPMG, Pricewaterhouse en Ernst & Young zijn invloedrijk. Zij werken vaak voor bedrijven die maatschappelijk verantwoord willen ondernemen.
Nu geldt voor consultants dat wanneer de opdrachtgever zegt ‘ik wil springen, help me’, het antwoord doorgaans niet is ‘waarom wil je springen?’ maar ‘hoe hoog?’. Bij het invoeren van maatschappelijk verantwoord ondernemen, verhoudt zich dat over het algemeen slecht tot de veelal kritische inslag van NGO’s . Een ander lastig aspect, dat overigens ook voor het dialoogmodel geldt, is het risico dat NGO’s door bedrijven worden doodgeknuffeld, en dus onschadelijk worden gemaakt. Maar niet in dialoog gaan is onmogelijk. Tevens is het onwenselijk om vraagstukken rond maatschappelijk verantwoord ondernemen slechts passief te benaderen. Wie het gesprek uit de weg gaat, zal geen invloed verwerven.

Methoden om te wegen

Maar hoe meet je gelijke behandeling in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Zowel nationaal als internationaal heeft de vraag naar meetinstrumenten met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen gelijke tred gehouden met de groei ervan. Tenminste, voor het zover het milieuvraagstukken betreft. De sociale kant van maatschappelijk verantwoord ondernemen is minder ver ontwikkeld. Dat geldt zeker voor non-discriminatie. Nog steeds komt het voor dat een bedrijf een goede beoordeling krijgt of zelfs onderscheidingen ontvangt op het gebeid van maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar bij nader inzien slecht scoort op non-discriminatie beleid. Of misschien wel goed scoort op het gebied van man-vrouw beleid, maar iets soortgelijks voor andere minderheden ontbreekt. Het belang van meten is groot, evenals het belang om aan een ieder duidelijk te maken dat beter moet worden gemeten met betrekking tot dit onderwerp.
De vraag is: hoe moet dan worden gemeten? Het lijkt voor de hand te liggen om bij bedrijven waar meer dan vijfendertig mensen werken, te kijken naar de verplichtingen die volgen uit de wet SAMEN, en vragenlijsten af te vinken. Maar de wet SAMEN is een wettelijk instrument, terwijl maatschappelijk verantwoord ondernemen juist uitgaat van andere dan wettelijke verplichtingen. Dat is op dit moment de heersende mening. Los daarvan is het de vraag of de wet SAMEN over een aantal maanden nog bestaat. Meer passend bij dit onderwerp is het Global Reporting Initiative (GRI), een initiatief van VN secretaris-generaal Kofi Annan. Het GRI is een bepaalde manier van jaarverslaglegging voor organisaties waarin de nadruk ligt op duurzaamheid. Eén van de onderwerpen daarin is diversiteit en non-discriminatie. Het GRI wordt steeds meer gezien als de internationale standaard voor duurzame verslaglegging en daarmee aantrekkelijk om te gebruiken. Het nadeel ervan is dat het niet meer dan een kader biedt. Met andere woorden: een bedrijf zal iets moeten zeggen over gelijke behandeling maar wát het zegt of hoe dat moet worden beoordeeld, is (nog) niet uitgewerkt. Een instelling die dat wel al deed, is het bovengenoemde EIRIS. Zij ontwikkelde een systeem waarin uitspraken worden gedaan over beleid (‘er is bewijs van antidiscriminatiebeleid’) en de wijze waarop daarmee in de organisatie wordt omgegaan (‘een senior beleidsmedewerker is belast met de uitvoer van het beleid’). Als invulling voor het GRI bleek dit een goed systeem te zijn, omdat het mede wordt gebruikt bij de vaststelling van de positie van multinationals in grote duurzame fondsen en indicies (zoals de FTSE4good). Wel moet het nog nader worden ingevuld en aangevuld met elementen die typisch zijn voor de Nederlandse verhoudingen. Deze indicatoren worden op korte termijn door een aantal experts besproken en zullen dan hun waarde moeten bewijzen. In de praktijk zal aan deze indicatoren nog een aantal zaken worden veranderd, maar daarmee is wel het begin gelegd van een omvangrijker en moderner instrumentarium in de strijd voor gelijke behandeling in de 21e eeuw.

Mr. R. du Long is freelance consultant.

Dit artikel is verschenen is Zebra Magazine 4 / december 2003.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires

Art.1 is onder meer verbonden aan: