mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Etnische minderheden op de..

Onderzoek in opdracht van ministerie van SZW

Etnische minderheden op de arbeidsmarkt

Beelden en feiten, belemmeringen en oplossingen
08.06.2005

Dossier: Arbeid

Tags: arbeidsmarkt, discriminatie ras, etnische minderheden, werkgelegenheidsbevordering, werving en selectie

Uit het onderzoeksrapport Etnische minderheden op de arbeidsmarkt dat in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd verricht, blijkt dat eenderde van de allochtonen ervaring heeft met discriminatie op de werkvloer. Negatieve beeldvorming over allochtone werknemers speelt een belangrijke belemmerende rol bij het aanname- en doorstroombeleid van werkgevers. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dit rapport op 28 april naar de Tweede Kamer gezonden. In het onderzoek wordt, na alle commotie rond de uitspraken van minister Verdonk, nog eens het volgende gegeven bevestigd: “het hebben van een buitenlandse naam is in sommigen gevallen al genoeg om te worden afgewezen” (p. 29 onderzoek).

Inspanningen

De geconstateerde achterstanden en obstakels rechtvaardigen inspanningen van de overheid, werkgevers en werknemers en educatieve instellingen om deze scheefgroei aan te pakken. Daarbij moet niet alleen in scholing en vaardigheden van groepen allochtonen geïnvesteerd worden. Ook moeten misstanden en praktijken die mensen op grond van hun afkomst, huidskleur of religie uitsluiten worden aangepakt.
Een vrije deelname aan de arbeidsmarkt is essentieel voor de ontwikkeling van individuen en voor het goed functioneren van de Nederlandse economie. Bovendien speelt arbeid een niet te onderschatten rol bij de integratie en de ontwikkeling naar volwaardig burgerschap van minderheden.

Op 14 juni 2005 behandelt de Tweede Kamercommissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het onderzoek ‘Etnische minderheden op de arbeidsmarkt; beelden en feiten, belemmeringen en oplossingen’ dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer van Hoof, de Tweede Kamer op 28 april toezond. Het onderzoek is een belangrijk initiatief van de staatssecretaris. In het onderzoek wordt, na alle commotie rond de uitspraken van minister Verdonk, nog eens het volgende gegeven bevestigd: “het hebben van een buitenlandse naam is in sommigen gevallen al genoeg om te worden afgewezen” (p. 29 onderzoek).

Analyse van belemmeringen
Het onderzoek biedt, naast informatie, een analyse van de positie van etnische minderheden op de arbeidsmarkt en de belemmeringen die zij tegenkomen. Terecht wordt in het onderzoek uitgebreid stilgestaan bij de rol van discriminatie en negatieve beeldvorming bij de belemmeringen op de arbeidsmarkt. Het gaat dan om belemmeringen bij de instroom, de doorstroom en de uitstroom van personeel (p. 25-29, p. 29-33).

Een werkgever heeft het recht te selecteren en de beste kandidaat voor zijn vacature aan te stellen. Kandidaten, allochtoon en autochtoon, dienen hierop voorbereid te zijn, om zo goed mogelijk voor de dag te komen. Maar selecteren is iets anders dan discrimineren. Zorgelijk is dat, volgens het onderzoek, veel werkgevers hun voorkeur voor autochtone, blanke werknemers bij de selectie als “risicovermijdend gedrag” benoemen. In het onderzoek wordt hierover heel duidelijk gezegd “…dat dat wat werkgevers risicovermijdend gedrag noemen, vaak ook geschaard moet worden onder de noemer discriminatie” (p. 25).
Wanneer werkgevers, onder het mom van risicovermijding, allochtonen bij voorbaat uitsluiten, is er inderdaad gewoonweg sprake van discriminatie. Hiertegen dient de regering stelling te nemen en tegen op te treden. Het gaat hier om overtreding van de wet met vergaande gevolgen voor individuele werknemers en voor de samenleving in zijn geheel.
Voor goed opgeleide allochtonen is selectie aan de poort op basis van afkomst een sterk ontmoedigende factor, waar ze op eigen kracht weinig aan kunnen doen. De onderzoekers melden bovendien dat deze vorm van discriminatie al bij de opleiding begint. Studenten en scholieren ondervinden belemmeringen bij het zoeken van een stageplaats. Het onderzoek vermeldt niet in hoeverre dit ook leidt tot het afbreken van de opleiding en op die manier tot een toename van het aantal drop-outs.

Het onderzoek komt, hoewel beperkt, met zorgwekkende cijfers over discriminatie-ervaringen bij allochtone scholieren, werkenden en werkzoekenden:

59 procent van de MBO’ers en 54 procent van de HBO’ers heeft te maken gehad met discriminatie bij het zoeken naar werk en op de werkvloer.
Geen enkele scholier heeft actie ondernomen naar aanleiding van de ervaren discriminatie. Het gevoel dat er toch niets aan te doen is overheerst maar ook de angst om voor een zeurkous te worden aangezien speelt hierbij een rol (p. 27. Kader 5).
Ruim eenderde van de werklozen en werkenden heeft wel eens discriminatie ervaren bij het zoeken naar werk of op de werkvloer. Niemand van de ondervraagden heeft hiervan melding gedaan.
De reden van het niet melden van discriminatie zou nader onderzocht moeten worden, om de weerbaarheid van slachtoffers van discriminatie te vergroten.

Positief is dat de ondervraagden aangeven dat zij zich over het algemeen goed geaccepteerd voelen op het werk. Dit strookt met eerdere gegevens uit onderzoek naar vooringenomenheid en ervaringen van werkgevers ten aanzien van allochtonen. Wanneer allochtonen eenmaal bij een bedrijf werkzaam zijn, blijken de ervaringen veel positiever dan werkgevers aanvankelijk verwachtten op grond van negatieve beeldvorming. Een zelfde acceptatieverhoging wordt nu bij collega’s geconstateerd.

Alarmerend zijn echter de signalen die erop wijzen dat de acceptatie van allochtone werknemers door eisen van klanten van werkgevers onder druk komt te staan. Werkgevers uit dienstverlenende branches, zoals banken, uitzendbureaus, schoonmaakbedrijven en de detailhandel, melden in het onderzoek dat hun klanten soms bij voorbaat al aangeven dat zij niet willen dat de betreffende bedrijven zich laten vertegenwoordigen door allochtone werknemers.

Oplossingen
Het LBR onderschrijft een deel van de voorgestelde oplossingen maar tekent daarbij aan dat het accent te eenzijdig wordt gelegd op de gebreken die kunnen worden geconstateerd aan de aanbodkant (allochtone werknemers) en er te weinig aandacht is voor de drempels aan de vraagkant op de arbeidsmarkt (de werkgevers).
Discriminatie is een complex en structureel fenomeen dat niet van de ene op de andere dag op te lossen is. Het vergt een mentaliteitsverandering en duidelijke en structurele maatregelen. De in het onderzoek aangedragen oplossingen getuigen echter niet van een ‘sense of urgency’, hoewel dat gezien de uitkomsten van het onderzoek wel gerechtvaardigd zou zijn.
Naar de mening van het LBR (art.1) zijn de aangedragen oplossingen niet toereikend om discriminatie aan de zijde van de werkgevers daadwerkelijk en effectief aan te pakken. Er is met name sprake van een veel te grote mate van vrijblijvendheid.

Door te focussen op het voldoende toerusten van allochtonen, wordt het probleem niet opgelost. Daarmee worden de bestaande vooroordelen en negatieve beeldvorming aan de kant van de werkgevers niet weggehaald. Dit onderzoek heeft, net als eerder onderzoek, uitgewezen dat met name werkgevers die geen allochtonen in dienst hebben, of geen ervaring hebben met allochtone werknemers, een negatiever beeld hebben van deze groep en hen daardoor uitsluiten. Dit is een heel belangrijke constatering. Hoe meer allochtonen met werkgevers in contact komen, oftewel bij hen in dienst zijn, hoe positiever het beeld. Via deze weg kunnen vooroordelen en uitsluiting worden tegengegaan.

Het onderzoek heeft de stellingname bevestigd dat projecten gericht op etnische minderheden wel degelijk positief effect sorteren. Om die reden verzoeken wij de overheid om meer specifieke maatregelen te nemen die ook gericht zijn op het bevorderen van de instroom en doorstroom van allochtonen op de arbeidsmarkt. De overheid zou, om te beginnen, bij het streven naar evenredige vertegenwoordiging het goede voorbeeld moeten geven.

Maatregelen ter voorkoming van discriminatie moeten niet alleen gericht zijn op het aannamebeleid maar ook op doorstroming en voorkoming van discriminatie op de werkvloer. Het LBR pleit daarom voor uitbreiding van de Arbo-wet door het opnemen van bescherming tegen discriminatie in deze wet.

Tot slot
Onderzoeken zoals nu uitgevoerd door het ministerie zijn waardevol en zelfs onmisbaar. Het LBR (nu Art.1) verzoekt de kamerleden er bij de regering op aan te dringen de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt goed te volgen. Naar de mening van het LBR is een jaarlijks onderzoek naar de positie van allochtonen en de omvang van discriminatie op de arbeidsmarkt daartoe noodzakelijk.

Voor meer informatie:
Najat Bochhah en Sigrun Scheve,
beleidsadviseurs arbeidsmarkt Art.1,
tel. 010-2010201, e-mail.

Het onderzoeksrapport en de aanbiedingsbrief van staatssecretaris van Hoof aan de Tweede Kamer zijn (in PDF-formaat) te downloaden mbv de links hieronder.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: