Verontrusting over brief deelgemeente en uitspraak wethouder
Reactie op uitspraken over hoofddoeken in Rotterdam
23.02.2005
Dossier: Overheden en politieke ontwikkelingen
Op 22 februari 2005 stuurde het LBR (nu Art.1) onderstaande brief aan het college van Burgemeester en Wethouders in Rotterdam en aan de raadsfracties in de gemeenteraad.
Geacht College,
Als directeur van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) wil ik mijn verontrusting uitspreken over een aantal recente gebeurtenissen en stellingnamen.
Ik doel in het bijzonder op de brief van de deelgemeente Charlois aan u met betrekking tot de kledingvoorschriften voor (deel)gemeenteambtenaren van 8 februari 2005 en de uitspraken van de heer Van Sluis als lid van uw college, gedaan tijdens de vergadering van de Commissie Sociale Zaken van 17 februari 2005.
In de genoemde brief van de deelgemeente Charlois wordt u gevraagd om kledingvoorschriften inzake het dragen van religie-georiënteerde kleding door ambtenaren. Ondanks het gegeven dat de deelgemeente de bewuste brief inmiddels ingetrokken zou hebben, meen ik hier toch op te moeten reageren.
De deelgemeente stelt dat het haar ging om algemene kledingvoorschriften. In de brief wordt echter expliciet ingegaan op hoofddoeken, andere religie-georiënteerde kleding en de islam.
Los van het feit dat ik de toonzetting in de brief negatief, stigmatiserend en onnodig grievend vind, stel ik vast dat ook een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat een verbod op onder andere het dragen van hoofddoeken door ambtenaren mogelijk zou zijn, omdat het zou gaan om indirect onderscheid dat objectief te rechtvaardigen is, zoals is vastgelegd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Maar in de zienswijze van het LBR, dat zich daarin gesteund weet door de jurisprudentie, is er sprake van verboden direct onderscheid, omdat er rechtstreeks gerefereerd wordt aan religie-georiënteerde kleding.
Het dragen van onder andere hoofddoeken door ambtenaren is in Rotterdam reeds uit en te na besproken en destijds is reeds geconcludeerd dat een mogelijk verbod iedere rechtsgrond ontbeert.
Het is zeer teleurstellend te moeten constateren dat bestuurders pleiten voor maatregelen die strijdig zijn met de Nederlandse wetgeving. Deze bestuurders geven daarmee verkeerde signalen aan de samenleving en zeker aan de islamitische Rotterdammers. Het is in mijn ogen zeer wenselijk dat uw college in deze aangelegenheid duidelijk stelling neemt.
Het LBR vindt het belangrijk dat ambtenaren weten dat hun rechten beschermd zijn en dat ook moslimas die een hoofddoek dragen er op kunnen vertrouwen dat indien zij solliciteren naar een functie binnen het Rotterdamse ambtenarenapparaat, zij beoordeeld worden op hun kwalificaties en niet op hun hoofddoek.
Daarmee kom ik op de uitspraken van wethouder Van Sluis. Hij stelde dat moslimas bij sollicitaties hun hoofddoek moeten afdoen, opdat ze sneller aan een baan komen, en dat zij zich moeten aanpassen aan de waarden en normen van werkgevers.
Ik vertrouw er op dat wethouder Van Sluis de gewraakte uitspraken heeft gedaan met de beste intenties, omdat hij erkent dat er sprake is van discriminatie op de arbeidsmarkt. Maar ook hier is volgens het LBR sprake van een verkeerd signaal aan de samenleving.
Met grote instemming heeft het LBR kennisgenomen van uw voornemen om discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Dit lijkt mij echter niet de juiste manier om dit probleem te bestrijden.
Volgens het LBR is het van groot belang dat alle groepen en individuen binnen de Nederlandse samenleving zich beschermd weten door de wet en door de overheid en binnen alle maatschappelijke sectoren op basis van het Grondwettelijke gelijkheids- en non-discriminatieprincipe worden behandeld. Het is met name aan de overheid om deze principes uit te dragen en te garanderen.
Indien een overheid zich conformeert aan schendingen van die principes wordt de deur opengezet voor een verdere aantasting van de elementaire rechten van burgers in dit land. Voor het LBR is dit onacceptabel en ik dring dan ook aan op een heroverweging van de door de heer Van Sluis uitgesproken beleidsintenties.
De gemeente Rotterdam heeft de laatste jaren allerlei initiatieven genomen ter verbetering van de relaties tussen burgers onderling en tussen burgers en de overheid. Initiatieven waar het LBR, waar dat op zijn weg lag, aan heeft meegewerkt. Dit in het besef dat de laatste jaren de spanningen in het land gegroeid zijn.
Verschillende Rotterdamse initiatieven om de spanningen tussen burgers af te laten nemen, hebben ook elders navolging gevonden. Maar met de genoemde ongelukkige uitspraken over hoofddoeken, loopt de gemeente het risico dat veel van het positieve werk weer teniet wordt gedaan. Dit kan toch niet de bedoeling zijn?
Bij het wel en wee van Rotterdam en de Rotterdamse bevolking voel ik mij zeer betrokken. En het is ook duidelijk dat een grote stad als Rotterdam een voorbeeldfunctie heeft in het land. Daarom is het van groot belang dat iedere Rotterdammer weet dat zijn of haar gemeentebestuur erop gericht is zijn of haar rechten te beschermen en hem of haar erkent als volwaardig burger van deze stad.
Met vriendelijke groet,
Hubert Fermina
Directeur LBR.






