CGB-zaak over hoofddoekverbod
LBR-standpunt inzake zaak STAD versus St. Stichts Voortgezet Katholiek Onderwijs
12.06.2003
Dossiers: Jurisprudentie, Onderwijs
Onderstaand standpunt werd door het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (nu Art.1) ingenomen tijdens een zitting van de Commissie Gelijke Behandeling waarin een zaak werd behandeld over het recht om een hoofddoek te dragen als leerling van bijzonder onderwijs. Het ging in bijzonder om een zaak die speelde op een school in Utrecht.
Standpunt bij zaak CGB Zaak 2003-0032 OL bij CGB
Het LBR is van mening, dat wetgeving voorschrijft dat bijzondere scholen die moslims toelaten ook het dragen van hoofddoeken moet toestaan, aangezien onze wetgeving niet alleen het huldigen van een bepaalde overtuiging beschermt, maar ook de daarbij horende gedragingen.
Standpunt als verwoord bij CGB
Direct onderscheid:
In artikel 7, 1e lid, onderdeel c, van de AWGB is het onder meer verboden onderscheid te maken bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten van overeenkomsten ter zake door instellingen die werkzaam zijn op onder meer het gebied van onderwijs.
Het begrip godsdienst dat in art. 1 van de AWGB als non-discriminatiegrond is opgenomen, omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich daarnaar gedragen. Gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging, worden eveneens beschermd door het verbod van onderscheid op grond van godsdienst. Het dragen van een hoofddoek door een moslimvrouw kan één van die uitdrukkingen zijn van haar geloofsovertuiging.
De omstandigheid dat de naleving van die voorschriften verschillend is en dat over het dragen van een hoofddoek in moslimkringen verschillend wordt gedacht, doet daaraan voor de bescherming van een persoon tegen ongeoorloofd onderscheid, zoals bedoeld in de AWGB, niet af. Dit is slechts anders indien sprake zou zijn van een individuele, subjectieve opvatting die niet algemeen kan worden beschouwd als geloofsuiting van leden van de geloofsgemeenschap of een bepaalde richting daarbinnen. Van dit laatste is bij het dragen van een hoofddoek geen sprake.
In het onderhavige geval is door het hoofddoekverbod onder verwijzing van de religieuze betekenis ervan aldus sprake van direct onderscheid.
Ingevolge art.7, 2e lid heeft een instelling van bijzonder onderwijs de vrijheid om bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag.
De wederpartij laat moslims en andere gezindten dan de katholieke toe tot haar onderwijs. Er is dus geen sprake van een consequent beleid ter bescherming van haar grondslag en daarmee een legitiem beroep op art. 7 lid 2. Zeker niet nu niet in het geding is of betrokkenen de doelstellingen van de wederpartij onderschrijven dan wel respecteren. De grondslag van de wederpartij is op geen enkele wijze in gevaar. Het hoofddoekverbod van de wederpartij komt er feitelijk op neer: je mag wel moslim zijn, maar we moeten het niet kunnen zien. Hiermee ontkent de wederpartij de uitleg die wij moeten geven aan het begrip godsdienst, zoals hiervoor omschreven, en handelt dientengevolge in strijd met de wet.
Het LBR wijkt met de hiervoor aangehaalde rechtsopvatting af van die van de minister. Het LBR hecht dan ook grote waarde aan de uitspraak van de Commissie in deze, zodat duidelijkheid verschaft kan worden.
Indirect onderscheid
Nu de wederpartij een duidelijk verband heeft gelegd tussen de hoofddoek en de religieuze betekenis en het niet gaat om een algemeen hoofddekselverbod kan er volgens het LBR geen sprake zijn van indirect onderscheid. Een dergelijke toetsing is volgens het LBR ook zinloos, aangezien het nagestreefde doel niet discriminatievrij is, hetgeen een vereiste is, en een dergelijke redenatie direct terugvoert op direct onderscheid.






