Chadorverbod moeilijk, maar mogelijk
door H. F. Fermina - 16.01.2003
Dossier: Overheden en politieke ontwikkelingen
Het LBR (nu Art.1) stelt in een op 16 januari 2003 verzonden brief dat een verbod op een gezichtsbedekkende chador op functionele gronden mogelijk is. De brief is gestuurd aan besturen van ROC-scholen, de fracties van de Tweede Kamer en de scholen die deelnemen aan het project School Zonder Racisme. Het LBR heeft de brief opgesteld naar aanleiding van de discussie over een mogelijk verbod van het dragen van een chador door het ROC Amsterdam. In de, onderstaande, brief licht het LBR haar standpunt toe.
Gelet op de recente discussie rond een mogelijk verbod van het dragen van een chador door leerlingen van het ROC Amsterdam heeft het LBR gemeend haar standpunt in deze te moeten bepalen en dit standpunt naar buiten te brengen, hetgeen wij bij deze doen.
Allereerst is het van belang een nadere toelichting te geven op het begrip 'chador' zoals door ons hier gebruikt. Het LBR kiest in dit schrijven voor die term, aangezien die ook gebruikt wordt in de media, als aanduiding voor die kleding, gedragen uit religieuze overwegingen, waarbij het gezicht geheel of op de ogen na bedekt is. Heel expliciet willen wij duidelijk stellen, dat het niet gaat om de hoofddoek, in alle verschijningsvormen waarbij het gezicht wordt vrijgelaten. Voor deze mist een verbod, situationele omstandigheden daargelaten, iedere rechtsgrond.
Het LBR is van mening, dat een algemeen verbod op het dragen van een chador in het publieke domein binnen de huidige wettelijke kaders niet mogelijk en / of van toepassing is. Gelet op de opstelling van de Tweede Kamerfracties binnen de discussie tot op heden is een dergelijk verbod op korte termijn ook niet te verwachten. Moeten besturen van scholen en bijvoorbeeld werkgevers het dragen van een chador zondermeer toestaan? Het LBR is van mening van niet, maar erkent wel dat aan een verbod nogal wat haken en ogen zitten. Dit zullen wij hieronder kort toelichten.
Het juridisch kader
Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet (het gelijkheidsbeginsel) verbiedt het maken van onderscheid op basis van ondermeer geloof. Daarnaast is tevens in de Grondwet de vrijheid van godsdienst opgenomen (Artikel 6).
Het discriminatieverbod en / of het recht op bescherming ertegen zijn ook opgenomen in door Nederland ondertekende internationale verdragen, zoals: het Internationaal Verdrag tegen Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie (IVUR), het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het strafrecht verbiedt discriminatie op grond van godsdienst in de uitoefening van ambt, beroep of bedrijf.
Met name de Grondwet en de internationale verdragen hebben een vertaalslag gekregen in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB).
Artikel 1 van de AWGB luidt:
'In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid
b. direct onderscheid: onderscheid tussen personen op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;
c. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan die bedoeld in onderdeel b, dat direct onderscheid tot gevolg heeft.'
Met het onder c gestelde wordt bijvoorbeeld bedoeld een door een werkgever ingesteld hoofddoekverbod. De betreffende werkgever richt zich niet direct met een dergelijk verbod tegen islamitische vrouwen, maar vrouwen die om religieuze redenen een hoofddoek dragen worden wel direct getroffen door een dergelijk verbod.
Direct onderscheid is binnen de AWGB altijd verboden, behalve in die gevallen die binnen de Awgb zijn vastgelegd. Waar het gaat om indirect onderscheid kent de Awgb de mogelijkheden van uitzonderingen.
In artikel 2, eerste lid, AWGB is bepaald dat het in de wet neergelegde verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is. Om dit te bepalen worden drie criteria gebruikt, te weten:
- aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn
- de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte en
- deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
Binnen de AWGB is het maken van onderscheid op de in artikel 1 genoemde gronden onder andere verboden bij de arbeid en binnen het onderwijs.
In de Amsterdamse zaak wil het ROC het dragen van een chador binnen haar instelling mogelijk verbieden. Van direct onderscheid is in dit geval absoluut geen sprake, aangezien het verbod op gronden wordt gebaseerd die niet direct naar de godsdienst verwijzen.
Mogelijk is er wel sprake van indirect onderscheid aangezien een chadorverbod alleen bepaalde vrouwelijke moslims treft en daarmee onderscheid maakt naar godsdienst.
Het begrip godsdienst dat o.a. in de AWGB als discriminatiegrond is opgenomen, omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich daarnaar gedragen, zoals ook uitdrukkelijk door de wetgever bedoeld is. Gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, een rechtstreekse uitdrukking geven van de godsdienstige overtuiging, worden tevens beschermd door het verbod van onderscheid op grond van godsdienst. Het dragen van een hoofddoek, zo blijkt uit de jurisprudentie, door een moslimvrouw is een van die uitdrukkingen van haar geloofsovertuiging.
Er is, ook binnen moslimkringen, discussie over of een chador of zelfs een hoofddoek verplicht / dan wel een religieuze uiting is. Binnen het Nederlands recht is o.a. een uitspraak van de Hoge Raad richting gevend. De Hoge Raad oordeelde dat de 'beginselen van volkomen vrijheid van geloof en gelijkheid voor den Staat van alle godsdienstige gezindten, welke ten onzent gelden (
) meebrengen, dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet (
) zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat.' De rechter en de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) treden dientengevolge niet in de beoordeling of iets wel of niet religieus is.
In algemene termen kan gesteld worden dat het weigeren van een vrouw op grond van haar hoofddoek wettelijk verboden is. Dat is niet alleen doorgaans de conclusie van de CGB in de aan haar voorgelegde zaken. Ook de Kantonrechter concludeert dat doorgaans bij de voorgelegde ontslagzaken.
Hoe zit het nu met de chador?
Voor zover bekend is er tot op heden slechts één uitspraak gedaan m.b.t. de chador en wel door de CGB (oordeel 2000-63), waarbij een opleiding voor de gezondheidszorg de Commissie vroeg hoe de AWGB zich tegenover een mogelijk verbod van de chador verhoudt.
Met betrekking tot de chador stelde de Commissie het volgende:
"Het begrip godsdienst dat in de AWGB als non-discriminatiegrond is opgenomen, omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich daarnaar gedragen. Gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, een rechtstreekse uitdrukking geven aan de godsdienstige overtuiging, worden tevens beschermd door het verbod van onderscheid op grond van godsdienst. Door partijen wordt niet betwist dat het dragen van een chador door een moslimvrouw één van de uitdrukkingen van haar geloofsovertuiging kan zijn.
De omstandigheid dat de naleving van die voorschriften verschillend is en dat over het dragen van een chador (ook in moslimkringen) verschillend wordt gedacht, doet daaraan voor de bescherming van een persoon tegen ongeoorloofd onderscheid zoals bedoeld in de AWGB niet af. Dit is slechts anders indien sprake zou zijn van een individuele, subjectieve opvatting die niet meer algemeen als geloofsuiting van leden van de geloofsgemeenschap of een bepaalde richting daarbinnen kan worden beschouwd. Van dit laatste is bij het dragen van een chador geen sprake, zodat deze geloofsuiting wordt beschermd door het verbod van onderscheid op grond van godsdienst.
Conform reeds lang bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad is het niet aan de Commissie om te treden in verschillen van mening over theologische leerstellingen en interpretaties van de Koran."
De Commissie volgde in deze nauwgezet de lijn die hiervoor is beschreven en die zij ook volgt bij angebrachte 'hoofddoekzaken'. Een verbod zou dus leiden tot indirect onderscheid en diende te voldoen, wilde het niet verboden zijn, aan de eerder genoemde criteria (zie opmerkingen bij AWGB art.2 hiervoor) om objectief gerechtvaardigd te zijn.
In het hiervoor aangehaalde oordeel kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betreffende opleiding zich door invoering van het verbod schuldig zou maken aan verboden indirect onderscheid, aangezien volgens de Commissie een objectieve rechtvaardigingsgrond ontbrak.
De opleiding gaf drie argumenten voor haar verbod:
- De voortgang van het onderwijsleerproces (lees: problematische communicatie tussen docent en leerling)
- De beroepsparticipatie (lees: non-verbale communicatie met cliënten / patiënten)
- De identificeerbaarheid van de leerling.
De opleiding gaf tijdens de zitting aan dat het feitelijk alleen ging om de eerste twee argumenten, omdat men het laatste wel praktisch kon oplossen.
Omdat binnen het docententeam verschillend werd gedacht over het dragen van de chador en de Commissie vindt dat zij de merites van de didactische argumenten niet inhoudelijk moet beoordelen en er gewoon les was gegeven aan de leerlinge met chador, achtte de Commissie het niet aannemelijk dat het verbod in een werkelijke behoefte van de opleiding voorzag. Daar voegde de Commissie nog aan toe, dat communicatie nog steeds goed mogelijk was en dat het maar ging om een gering aantal leerlingen.
Met betrekking tot de beroepsparticipatie stelde de Commissie, dat het goed denkbaar is, dat er ook functies zijn waarbij nauwelijks contact is met cliënten / patiënten. "Dit heeft tot gevolg dat de Commissie niet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden kan vaststellen of dit argument een kledingvoorschrift op voorhand noodzakelijk maakt. De wederpartij (lees: opleiding) maakt zodoende met dit argument onvoldoende aannemelijk dat een kledingvoorschrift als het onderhavige in een werkelijke behoefte van de school voorziet. Nu het voornoemde kledingvoorschrift in de huidige omstandigheden niet aan een werkelijke behoefte van de school beantwoordt, behoeft niet meer te worden ingegaan op de vraag of het een geschikt en noodzakelijk middel is om het gestelde doel te bereiken."
De Commissie heeft in dit geval op grond van de eerder genoemde criteria getoetst (zie opmerkingen bij AWGB art.2 hiervoor), maar kwam gelet op het specifieke geval niet tot een gehele weging van alle argumenten, aangezien er geen sprake was van een "werkelijke behoefte".
Is een chadorverbod mogelijk?
Het LBR is van mening van wel. De hiervoor aangehaalde zaak is in zoverre interessant, dat door de Commissie is vastgesteld, dat de chador een religieuze uiting is en dat een eventueel verbod alleen mogelijk is, indien het objectief gerechtvaardigd is. Dit laatste zal wel per situatie bekeken moeten worden.
Wil een onderwijsinstelling of werkgever een chadorverbod hanteren, dan is het dus noodzakelijk dat men een dergelijk verbod gemotiveerd vastlegt.
Argumenten als 'we willen niet dat mensen op demonstratieve wijze hun geloofsopvatting uitdragen' snijden geen hout. Los van dat bepalen wat demonstratief is haast onmogelijk is, is een dergelijk argument, zo leert ons de jurisprudentie, in strijd met de wet.
Een legitiem argument kan zijn dat docenten, ander personeel en medescholieren en studenten, moeten kunnen zien met wie zij te maken hebben. Niet alleen ter identificatie, want wellicht valt daar nog een mouw aan te passen. Maar omdat beargumenteerbaar is, dat directe herkenning het pedagogisch, didactisch en sociaal klimaat ten goede komt. Scholen worden door de buitenwereld steeds vaker gezien als leerfabrieken, waarbinnen scholieren / studenten anoniem verblijven. Visueel contact, elkaar herkennen, is in dit kader voor scholen belangrijk. Men wil kunnen zien 'hoe de ander erbij loopt', emoties van gezichten kunnen lezen. Dit directe contact is elementair voor een goed pedagogisch en sociaal klimaat. Ook didactische overwegingen zijn, ons inziens, doorslaggevend. Voor docenten is het belangrijk gezichten te zien. Volgt de leerling / student het nog allemaal, komt de boodschap over, begrijpt men wat ik zeg, allemaal vragen waarbij voor de beantwoording, non-verbale communicatie essentieel is. Dit maakt het zien van de gezichten noodzakelijk.
Beroepsopleidingen kunnen mogelijk ook beroepsgerichte argumenten inbrengen. Waarbij een argument als 'werkgevers willen geen vrouwen met een chador', natuurlijk niet steekhoudend is, als daar geen objectieve rechtvaardiging aan ten grondslag ligt. Echter er zijn tal van beroepen waarbinnen non-verbale communicatie middels gezichtsuitdrukkingen een belangrijke plaats inneemt. Opleidingen dragen niet alleen kennis over, maar ook vaardigheden en moeten hun leerlingen / studenten een beroepshouding aanleren. Doorgaans zijn deze zaken ook verwoord in de eindtermen. Eindtermen waaraan men gesluierd niet kan voldoen.
Ook werkgevers hebben mogelijkheden voor een verbod en niet alleen op basis van de hiervoor aangehaalde beroepsgerichte argumenten, maar ook hier kunnen zaken als identificatie een rol spelen en wellicht nog eerder omgangsvormen en het sociale klimaat op de werkvloer.
Al met al concludeert het LBR, dat een verbod op het dragen van een gezichtsbedekkende chador mogelijk is, maar dat iedere instelling / organisatie dat op functionele gronden goed gemotiveerd dient vast te leggen.
Met vriendelijke groet,
H.F. Fermina
Directeur
Wij hopen u met het voorafgaande geïnformeerd te hebben met betrekking tot deze lastige problematiek. Voor meer informatie en / of vragen kunt u zich wenden tot dhr. Gé Grubben, stafmedewerker Art.1 (contactformulier
Zie ook:
Commissie gelijke behandeling staat verbieden gezichtssluier toe (10-4-2003)






