Brief aan Minister van OCenW inzake Kledingleidraad
Brief aan Minister van OCenW inzake Kledingleidraad
door H. G. Fermina - 20.06.2003
Dossier: Onderwijs
Hieronder de brief die het LBR (nu Art.1) heeft verzonden aan Minister van Onderwijs Van der Hoeven naar aanleidng van de Leidraad kleding op scholen, die het Ministerie van OCenW in juni 2003 naar de scholen heeft gestuurd.
Minister van OC en W
Mw. M. van der Hoeven
Betreft: 'Leidraad kleding op scholen'
Geachte mevrouw Van der Hoeven,
Op 11 juni jl. heeft uw ministerie de 'Leidraad kleding op scholen' uitgebracht en deze naar de scholen gestuurd. Het LBR heeft kennis genomen van deze leidraad en juicht het toe, dat u probeert duidelijkheid te brengen in een materie die de laatste tijd voor de nodige maatschappelijke onrust heeft gezorgd.
Waar het gaat om een aantal inhoudelijke aspecten van uw leidraad, delen wij uw opvattingen i.c. zienswijze niet. Het gaat daarbij om de kledingvoorschriften die de vrijheid van godsdienst raken binnen het bijzonder onderwijs en om kledingvoorschriften die de vrijheid van meningsuiting raken.
U stelt in de leidraad: "Een bijzondere school mag eisen stellen aan leerlingen en personeel die nodig zijn voor de verwezenlijking van zijn grondslag. Een katholieke of protestants-christelijke school mag leerlingen of docenten daarom ook verbieden een hoofddoek of gezichtsbedekkende sluier te dragen, als de school aannemelijk kan maken dat zulke geloofsuitingen het onmogelijk maken de grondslag van de school te verwezenlijken."
Het LBR is van mening, dat indien een bijzondere school moslims toelaat, maar onder verwijzing naar haar grondslag een hoofddoekverbod hanteert, zij in strijd handelt met de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Wij zijn van mening, dat scholen middels art. 7 lid 2 van de AWGB de mogelijkheid hebben om leerlingen die geen deel uitmaken van de gezindte waarop hun grondslag is gebaseerd te weigeren. Natuurlijk mogen bij de toelating eisen gesteld worden zoals het respecteren van de grondslag en het deelnemen aan alle activiteiten. Echter indien een leerling van een andere gezindte wordt toegelaten, heeft deze volgens het LBR recht op bescherming door de wet. Zoals u terecht stelt, gaat het niet alleen om het huldigen van een godsdienst, maar ook het zich ernaar gedragen. Een hoofddoekverbod met een beroep op de grondslag levert ons inziens een ernstige mate van rechtsongelijkheid op. Een dergelijk verbod treft alleen diegenen die door middel van onder andere hun kleding uiting geven aan hun religie en maakt het voor hen onmogelijk te leven naar de richtlijnen zoals zij die hanteren. Zij worden in vergelijking met andere geloofsgenoten beperkt in hun schoolkeuze. Dit geldt zondermeer voor islamitische vrouwen in vergelijking met moslimmannen.
Het LBR is van mening, dat de vrijheid van onderwijs zoals die is vastgelegd in Artikel 23 van onze Grondwet beperkt of althans nader verklaard wordt in onder andere de Awgb. Een beroep op Artikel 23 is dan ook alleen mogelijk binnen de andere wettelijke kaders.
Wellicht is met betrekking tot het bovenstaande het een probleem, dat tot op heden nog geen toetsing van de Awgb in deze kwestie heeft plaatsgevonden. Echter recent heeft een door het Utrechtse antidiscriminatiebureau, STAD, ingediende zaak voor de Commissie gelijke behandeling gediend. Het betreft hier een katholieke school, die moslims toelaat, maar met een beroep op haar grondslag expliciet hoofddoeken verbiedt. In nauw overleg met het LBR heeft STAD haar verzoek dusdanig geformuleerd, dat een principe-uitspraak over de kwestie verkregen kan worden. De uitspraak wordt verwacht in de eerste week van augustus.
Het tweede punt, de kledingvoorschriften die de vrijheid van meningsuiting raken, baart ons de meeste zorgen. U stelt:
"Soms laten mensen met hun kleding zien dat zij zich identificeren met bepaalde (politieke) ideeën. Een bomberjack bijvoorbeeld, gecombineerd met een zwarte trui van een bepaald merk en zwarte legerschoenen en gemillimeterd haar worden geassocieerd met extreemrechtse opvattingen."
Het verbieden van zulke kleding kan de in de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting aantasten. Een school mag daarom dergelijke kleding niet verbieden vanwege de inhoud van zulke ideeën. Beperkingen aan zulke kleding stellen mag wel om andere redenen, bijvoorbeeld als het nodig is om wanordelijkheden te voorkomen.
Allereerst wil het LBR uitdrukkelijk stellen, dat het geen voorstander is van allerlei kledingverboden, alhoewel het erkent, dat dit soms noodzakelijk is. In uw leidraad stelt u uitdrukkelijk: "Het is belangrijk dat kledingvoorschriften op een school op een goede en duidelijke manier worden opgesteld. Dit voorkomt onbegrip en problemen met de interpretatie van de voorschriften. De voorschriften moeten ondubbelzinnig zijn. Een voorschrift mag niet voor meer dan één uitleg vatbaar zijn." Dit zal al op praktische bezwaren stuiten. Ik breng in uw herinnering het verbod dat sommige scholen in het verleden hadden afgekondigd op het dragen van een Nederlands vlaggetje op de mouw van o.a. bomberjacks. Leerlingen die getroffen werden door het verbod gingen vervolgens over op het dragen van het stadswapen, waaraan zij dezelfde betekenis hechtten als aan het Nederlands vlaggetje. Zeer gespecificeerde verboden dragen het risico in zich, dat het voor sommige leerlingen een uitdaging wordt, hun dresscode steeds weer te veranderen met alle problemen van dien.
U legt het verband tussen onder andere het dragen van een bepaalde kledingcombinatie en de vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheid wordt in het Nederlands recht beperkt. Niet alleen door het strafrecht, maar ook door de Awgb. Uit jurisprudentie blijkt uitdrukkelijk, dat de schoolleiding de plicht heeft eenieder die onder haar verantwoordelijkheid valt te beschermen tegen ongewenst gedrag, discriminatie etc. Indien een leerling beroep doet op zijn of haar vrijheid van meningsuiting met betrekking tot de kleding, zal deze leerling aan moeten geven wat die mening dan behelst. In het geval van een school gaat het er dan niet om, of die mening strafbaar is gesteld in art. 137c e.v. Sr., maar of anderen die onder de verantwoordelijkheid van de schoolleiding vallen zich daardoor gekwetst en of bedreigd voelen. Indien dit laatste zo is, staat niets een verbod binnen de school in de weg.
Leerlingen die een beroep doen op de vrijheid van meningsuiting kunnen mogelijk ook een beroep doen op de Awgb wegens verboden onderscheid ten aanzien van hun levens- of politieke overtuiging. Nog los van of betrokkenen kunnen voldoen aan de criteria die respectievelijk gelden voor een levens- of politieke overtuiging, maakt een school het zichzelf moeilijk door een expliciete beschrijving van de kleding die zij wil verbieden, omdat daardoor twee verboden tegenover elkaar komen te staan. Het verbod om onderscheid te maken op grond van levens- of politieke overtuiging en het verboden onderscheid dat voorvloeit uit het niet nakomen van de beschermplicht. Dit is niet wenselijk en niet nodig.
Scholen doen er volgens het LBR beter aan om een algemeen verbod te formuleren op uitingen die voor anderen beledigend etc. zijn. Dat geeft hen enerzijds de ruimte om snel in te springen op nieuwe trends en ten tweede voorkomt men, dat er sprake is van direct onderscheid. Een verbod levert dan mogelijk indirect onderscheid op. Maar het LBR is van mening, dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat, conform de eisen die de Commissie gelijke behandeling daaraan stelt. Het doel moet discriminatievrij zijn, de middelen om dat doel te bereiken moeten beantwoorden aan een werkelijke behoefte en de middelen moeten geschikt zijn om dat doel te bereiken.
Het doel van een verbodsbeleid is het vrijwaren van mensen die onder de verantwoordelijkheid van de schoolleiding vallen van ongewenst gedrag, discriminatie etc. Het ligt voor de hand dat dit doel discriminatievrij is. Er is zondermeer sprake van een werkelijke behoefte, zeker gelet op het gegeven, dat een school verplicht is bescherming te bieden. Waar het gaat om kleding die iets uitdraagt, dat door anderen als beledigend etc. wordt ervaren is een verbod op die kleding zondermeer geschikt.
Het LBR is dus van mening, dat de wet bepaalde kledingverboden niet in de weg staat. Sterker nog wij denken dat deze verboden soms noodzakelijk zijn, wil een school voldoen aan haar wettelijke verplichtingen. Echter rigoureuze verboden wijzen we af. Er moet duidelijk sprake zijn van concrete problemen / aanleidingen. Scholen doen er goed aan met de gehele schoolpopulatie en binnen overlegstructuren te bespreken hoe men met elkaar wenst om te gaan en wat dit betekent voor gedrag en regels. Die kaders moet men vastleggen. Spreek van hieruit leerlingen aan en ga het gesprek aan. Kaders en regels moeten gezien worden als een laatste middel.
Zoals uit bovenstaande blijkt, wijkt op enkele belangrijke punten van de uitgebrachte leidraad onze mening af van de uwe. Met betrekking tot de hoofddoek binnen het bijzonder onderwijs zal de Commissie gelijke behandeling binnenkort uitsluitsel geven. Waar het gaat om kledingvoorschriften in relatie tot de vrijheid van meningsuiting, zou het ons een plezier doen hierover met u van gedachten te wisselen.
Met vriendelijke groet,
H.G. Fermina
Directeur LBR.






