Pleidooi LBR bij zitting CGB
11.06.2003
Dossier: Onderwijs
Verweer inzake zaak 2003-0009 bij Commissie gelijke behandeling (CGB); LBR en ADB Veenendaal versus Christelijk Schoolbestuur te Ede (CNS)
Onderstaand pleidooi is door een LBR-medewerker uitgesproken op de zitting bij de CGB, woensdagochtend 11 juni:
In artikel 7, 1e lid, onderdeel c, van de Awgb is het onder meer verboden onderscheid te maken bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten van overeenkomsten ter zake door instellingen die werkzaam zijn op onder meer het gebied van onderwijs.
Ingevolge art.7, 2e lid heeft een instelling van bijzonder onderwijs de vrijheid om bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van o.a. ras en nationaliteit.
De wederpartij (CNS - red.) hanteert een maximaal toelatingscriterium van 15 % voor anderstaligen. Zij stelt steeds zelf uitdrukkelijk, dat het gaat om anderstaligen en niet om allochtonen. Echter in haar verweerschrift voert zij zelf aan dat allochtonen een bedreiging vormen voor haar identiteit. Zij wekt hiermee het vermoeden dat anderstalig en allochtoon in haar ogen synoniem zijn, waarmee er sprake is van direct onderscheid.
Maar ook indien we er vanuit gaan, dat de wederpartij zich beperkt tot de anderstaligheid van de kinderen, dan noch valt niet te ontkennen, dat deze maatregel alleen kinderen treft van allochtone afkomst. Conform het IVUR moet het begrip ras ruim uitgelegd worden en heeft het ook betrekking op etnische dan wel nationale afstamming. De maatregel van de wederpartij treft alleen groepen die beantwoorden aan die brede uitleg. Dat naar de letter niet de gehele groep wordt getroffen, doet ons inziens niet ter zake. De wederpartij maakt o.i. direct onderscheid op grond van ras. Mocht de Commissie deze gedachtegang niet volgen, dan is er o.i. sprake van indirect onderscheid, dat geen objectieve rechtvaardiging vindt.
De wederpartij geeft drie redenen voor het hanteren van een maximumpercentage: onderwijskundige gevolgen, integratie en haar identiteit.
Onderwijskundige gevolgen
De wederpartij stelt wellicht terecht dat het niet tot de competentie van de Commissie behoort om een uitspraak te doen over de hoogte van het door haar gehanteerde percentage. Echter verzoekers zijn van mening, dat de Commissie wel mag oordelen over de wijze waarop dat percentage tot stand is gekomen. De wederpartij schermt met de woorden ervaringsgegevens en leerlingvolgsysteem, wanneer zij over de onderwijskundige gevolgen spreekt. Echter nergens onderbouwt de wederpartij dit. Zij reproduceert deze gegevens niet en zet ze niet af tegen andere gegevens. Behalve wellicht voor haarzelf zijn deze gegevens voor niemand inzichtelijk. Alleen op grond hiervan al achten wij haar verweer niet deugdelijk.
Overigens lijkt de verweerder impliciet te beweren dat scholen met een hoger percentage allochtone leerlingen, waaronder enkele van haar eigen scholen, slechter zijn. Met geen enkel middel toont zij dit echter aan.
Misschien zou er nog enig begrip kunnen zijn voor de onderwijskundige motieven van de wederpartij, als zij die slechts van toepassing liet zijn de eerste groepen of zij-instromers in het Nederlands onderwijs. Maar de wederpartij voert haar beleid consequent in alle groepen. Het lijkt ons dat kinderen die 7 of 8 jaar Nederlands onderwijs hebben genoten toch in voldoende mate de Nederlandse taal beheersen.
Als de wederpartij wil dat er op haar scholen Nederlands gesproken wordt dan staan haar daarvoor genoeg andere middelen ter beschikking. Goed gemotiveerd zou zij dat middels regelgeving kunnen afdwingen.
Integratie
De wederpartij stelt dat zij een wettelijke integratieopdracht heeft. Dat is waar, maar de wet richt zich op allochtonen en niet op anderstaligen. De Wet op het Primair Onderwijs is niet gericht op Duitse, Engelse etc. kinderen. Het criterium anderstaligheid van de wederpartij wel.
Identiteit
Nog vreemder is het motief van het bewaken van haar identiteit. De relatie identiteit en anderstaligheid zou verzoekers helemaal ontgaan zijn, ware het niet dat de wederpartij dit heel duidelijk in haar verweerschrift heeft uitgelegd. De wederpartij kan het voortbestaan van haar scholen niet langer waarborgen (en hier volgt een citaat) "indien er sprake is van een ongelimiteerde stroom allochtone leerlingen". In haar verder uitleg in het verweerschrift stelt de wederpartij uitdrukkelijk "dat de toestroom van allochtone leerlingen die tevens anderstalig zijn beperkt wordt en het een gunstig effect is, dat scholen meer gemengd blijven". Alles wijst erop, dat de maatregelen van de wederpartij gericht zijn op het beperken van het aantal allochtone leerlingen. Meerdere malen spreekt zij zelf ook de angst uit voor verzwarting van haar scholen. Het gaat er dus om allochtonen te weren, of hun aantal te beperken, en daarmee maakt CNS direct onderscheid.
Zij meent een verantwoording hiervoor te vinden in haar statuten. Echter in art. 2 wordt slechts gesproken over "één of meer scholen". Dus een dergelijk beleid voor al haar scholen is statutair niet noodzakelijk.
De wederpartij voldoet op geen enkele wijze aan de criteria zoals de Commissie die hanteert voor de objectieve rechtvaardiging van indirect onderscheid. Het doel is niet vrij van discriminatie nu de wederpartij heeft aangegeven dat zij mede tot doel heeft, dat zij feitelijk het aantal allochtonen wil beperken. Het middel is noch geschikt noch noodzakelijk. Nergens maakt de wederpartij het percentage hard en met het door de gemeente en scholen afgesloten convenant is eigen beleid van de wederpartij ook niet noodzakelijk (zie ook slotpleidooi).
Slotpleidooi
Zowel schriftelijk als mondeling hebben wij ons inziens aangetoond, dat CNS in strijd handelt met de Awgb. Verzoekers zijn primair van mening dat CNS direct onderscheid maakt op grond van ras in haar toelatingsbeleid. Mocht de Commissie onvoldoende aanwijzing vinden voor direct onderscheid, dan zijn verzoekers subsidiair van mening dat er sprake is van indirect onderscheid waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Wij vertrouwen dan ook op het oordeel van de Commissie.
In het verweerschrift van de wederpartij wordt gesteld dat de wederpartij sinds de jaren negentig een spreidingsbeleid voert. Dit beleid is niet gebaseerd op vrijwilligheid en daarmee volgens verzoekers in strijd met het Nederlands recht.
Echter moreel achten wij de opstelling van CNS nog verwerpelijker. CNS wil uitdrukkelijk het zwart worden van haar scholen voorkomen. Dat en niets anders is volgens ons de basis dan wel het beoogde effect van haar beleid. Zij meet zich het recht toe kinderen te weigeren in de wetenschap dat openbare scholen in hun mogelijkheden tot weigering uiterst beperkt zijn. Dat openbare scholen en / of andere hierdoor sneller van kleur verschieten is blijkbaar niet de zorg van CNS, ook al heeft ze het convenant ondertekend. Nu is een zwarte school niet bij uitstek een slechte school. In de Randstad zijn zwarte scholen die niet willen verkleuren (witter willen worden) en zelfs een grote aantrekkingskracht hebben. Maar verzoekers steken hun hoofden niet in het zand. Veel zwarte scholen hebben de grootste problemen met hun voortbestaan. Niet alleen krijgen ze te maken met een witte vlucht, maar vaak ook met een zwarte vlucht. Ook de meeste allochtone ouders kiezen voor een gemengde school, omdat bij hen net als autochtone ouders zwart synoniem is geworden voor slecht of in ieder geval voor minder goed. Schoolteams zijn vaak niet in staat dit proces te keren. Hoe goed zij vaak ook zijn. Ze hebben de schijn tegen en zien hun school met lede ogen naar de donder gaan. CNS onderkent dit probleem nadrukkelijk. Daarom doet zij er ook alles aan om dit bij de scholen die onder haar gezag vallen te voorkomen. Tevens is zij er van doordrongen, dat je niet zo maar allochtonen kunt weigeren. Zij heeft haar beleid daarom geënt op anderstaligen. Maar haar intenties blijven duidelijk.
Net zo stuitend vinden wij het, dat de gemeente ondanks talloze oproepen vanuit het openbaar onderwijs niet adequaat heeft ingegrepen. Wij zijn van mening, dat het aan de overheid was geweest vast te stellen, dat het door CNS gevoerde beleid strijdig is aan de Nederlandse wet. Zij heeft niet alleen een directe dan wel indirecte juridische verantwoordelijkheid voor het openbaar onderwijs, maar ook een verantwoordelijkheid voor al het onderwijs in Ede.
Met het oordeel van de Commissie hopen wij zowel CNS als de gemeente Ede aan te zetten tot wijziging van hun beleid en opstelling. Allen die bij het onderwijs in Ede betrokken zijn zullen hun hoofden bij elkaar moeten steken en samen moeten zoeken naar en werken aan oplossingen. Eigen interpretaties van de wet, zoals CNS die erop na houdt, passen daar niet in.






