Themabijeenkomst over Zwarte en Witte scholen
23.12.2000
Dossier: Onderwijs
Op 19 december 2000 organiseerde het LBR (nu Art.1) een themabijeenkomst plaats over 'Zwarte en Witte Scholen'. Dr. Peter Gramberg hield een inleiding naar aanleiding van zijn promotieonderzoek, 'De school als spiegel van de samenleving. Een geografische kijk op onderwijs', op uitnodiging van het LBR. Hij betoogde dat segregatie in het onderwijs met name een gevolg is van de woonsegregatie, en dat de 'witte vlucht' zich met name manifesteert binnen wijken doordat autochtone ouders hun kinderen bij voorkeur naar de minst zwarte school te sturen.
Volgens Gramberg is onderwijskundig gezien de scheiding zwart/wit helemaal niet zo ongunstig als algemeen wordt gedacht. Met het oog hierop merkte hij, naar aanleiding van een vraag op, dat het opheffen van de Kameleon, de zwarte school in Deventer die in 2000 uitgebreid de publiciteit haalde, misschien wel helemaal niet zo'n goed idee was. De Kameleon kenmerkte zich door kleine klassen en een grote expertise waar het gaat om lesgeven aan allochtone leerlingen. Beide dreigen met de opheffing verloren te gaan volgens Gramberg.

Onderstaand een verslag van de lezing en de aansluitende discussie.
Spreidingsbeleid op zwarte en witte scholen
Samenvatting lezing Peter Gramberg 1
Peter Gramberg heeft een proefschrift geschreven over de relatie tussen school en omgevingsfactoren 2 ('De school als spiegel van de omgeving'). Alhoewel het onderzoek 3 voor de pers aanleiding was om aandacht te besteden aan spreidingsbeleid, benadrukt Gramberg dat spreidingsbeleid niet het onderwerp was van zijn onderzoek. Wel leveren de bevindingen mogelijke aanknopingspunten voor spreidingsbeleid.
De relatie tussen woon- en schoolsegregatie
Gramberg maakt in zijn onderzoek onderscheid in vier groepen:
- 1.9 leerlingen (kinderen van laag opgeleide allochtone ouders)
- 1.25 leerlingen (kinderen van laag opgeleide autochtone ouders)
- 1.0 elite leerlingen (minimaal één van de ouders heeft een opleiding op hbo/wo niveau)
- 1.0 modaal leerlingen (de rest)
1.9 leerlingen wonen vooral in de grote steden, maar hun aantal groeit in de middelgrote steden. De groep 1.25 leerlingen bevindt zich met name in de plattelandsgebieden en in mindere mate de middelgrote steden. Doordat het aantal 1.25 leerlingen in de grote steden sterk is verminderd, is de ruimtelijke tegenstelling tussen 1.9 leerlingen en 1.0 elite leerlingen toegenomen. Deze groepen wonen vaak in totaal andere delen van de stad.
De belangrijkste oorzaak van schoolsegregatie ligt dan ook in de woonsegregatie. Veel scholen zijn gewoon een afspiegeling van de bevolkingssamenstelling in de buurt. In zwarte wijken is het daarom niet verwonderlijk dat er zwarte scholen zijn. Wel zijn sommige scholen zwarter dan zij op grond van de wijksamenstelling zouden moeten zijn. Deze 'witte vlucht' manifesteert zich vooral binnen de wijk, doordat de weinige Nederlandse gezinnen in deze buurten de neiging hebben hun kind naar de minst zwarte school van de buurt te sturen.
In de grote steden zien we langzamerhand mono-etnische scholen ontstaan: de Turkse leerlingen gaan naar school A en de Surinaamse leerlingen naar school B. In de grote steden hangt de spreiding van leerlingen nauw samen met het huisvestingsbeleid. Spreidingsbeleid op schoolniveau waar het nu in de discussie vooral om draait is dan ook met name van toepassing op de middelgrote steden. Daar zijn de buurten immers nog wat gemengder van bevolkingssamenstelling. Bovendien zijn de afstanden tussen buurten kleiner.
Schoolkeuzemotieven van leerlingen en ouders
Gramberg onderzocht de schoolkeuzemotieven van ouders en leerlingen van groep 8 voor het voortgezet onderwijs. De belangrijkste bevindingen:
- Kwaliteit en afstand zijn voor alle groepen belangrijke keuzecriteria (± 60% noemt deze twee aspecten)
- De sociale aspecten (sfeer, klasgenoten, etnische samenstelling) zijn voor 1.0 elite leerlingen belangrijker dan voor de andere groepen.
- Voor allochtone leerlingen is het advies van de basisschool vaak het belangrijkste criterium voor schoolkeuze. Met het oog op spreidingsbeleid benadrukt deze constatering het belang van (objectieve) voorlichting.
- Imago en denominatie zijn relatief belangrijk voor de middengroep (1.0 modaal leerlingen).
Gramberg presenteert op basis van de schoolkeuzemotieven de volgende typologie:
- 1.9 leerlingen kiezen voor de 'geadviseerde school'
- 1.25 leerlingen kiezen voor de 'verplichte school'
- 1.0 modaal leerlingen kiezen voor de 'nette school'
- 1.0 elite leerlingen kiezen voor de 'ons soort mensen school'
Wat doen scholen om ruimtelijke segregatie te bestrijden?
- bussing: met de bus leerlingen vervoeren naar een andere wijk
- de buurtschoolgedachte: leerlingen (juist Nederlandse) worden verplicht in de eigen wijk naar school te gaan om zo de witte vlucht te voorkomen
- spreidingsbeleid: op basis van vrijwilligheid afspraken maken over maximum percentage allochtone leerlingen op wijkniveau
- de brede school of magneetschool: de school aantrekkelijk maken voor Nederlandse leerlingen en hun ouders (b.v. veel cultuur, sport)
- fusie van witte en zwarte scholen om zo een gemengde school te laten ontstaan.
Waarmee versterken scholen de segregatie (bewust of onbewust)?
- scholen benadrukken het 'zwarte karakter' van de school in positieve zin, maken er geen probleem van om 'zwart' te zijn.
- wervingsbeleid nadrukkelijk gericht op allochtonen (folders in andere talen, adverteren met OALT, leerlingbegeleiding specifiek voor buitenlandse leerlingen e.d.)
- lesmethoden aanpassen, ander taalbeleid
- fusies zien te voorkomen (dit geldt vooral voor witte scholen)
- hoog schoolgeld vragen
- strategisch gebruik van de identiteit van een school (leerlingen weigeren op basis van de grondslag als het zo uitkomt)
- locatiebeleid (met name voortgezet onderwijs): havo/vwo splitsen van vmbo en in verschillende buurten onderbrengen.
Kwaliteit en integratie
Bij spreidingsbeleid moet er duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen kwaliteit en integratie. Daarbij moeten prioriteiten gesteld worden. Als een zwarte school goed functioneert en leerlingen goed voorbereidt op de Nederlandse samenleving, wat is dan het probleem? Moeten scholen de belangrijkste rol vervullen bij het vormgeven van de multiculturele samenleving? Opvatting Gramberg is dat de belangrijkste taak van de school de onderwijskundige kant betreft en niet de integratieve. De kwaliteit van een school hangt niet bij voorbaat samen met de etnische achtergrond van de schoolbevolking. Er zijn goede zwarte scholen, slechte witte scholen en andersom. Wel is uit (ander) onderzoek (m.n. Prima-cohortonderzoek) gebleken dat 1.0 elite leerlingen het slechter doen op een zwarte school en 1.9 leerlingen het even goed of slechter dan op een witte school. Onderwijskundig is de scheiding zwart/wit dus niet ongunstig.
Voor integratie kan een gemengde school natuurlijk wel van voordeel zijn. Onderzoek van Teunissen laat zien dat 30 40% allochtonen de beste resultaten voor integratie oplevert. Stijgt dit aantal, dan begint de witte vlucht. Is het aantal kleiner, dan voelen allochtonen zich geïsoleerd. Andersom is dit ook het geval: in een klas met 90% allochtone leerlingen voelt een Nederlands kind zich gauw buitengesloten.
Hoewel voor de integratie een gemengde school dus wenselijk is, hebben gemengde scholen het juist zwaar m.b.t. de onderwijskundige kant. Ze hebben immers verschillende groepen te bedienen, waardoor het risico bestaat dat ze halfslachtig te werk gaan. Conform de opvatting van Gramberg moet daarom niet gedwongen gespreid worden als dit nadelig is voor de onderwijsprestaties.
De juridische mogelijkheden voor spreidingsbeleid zijn op grond van anti-discriminatiemaatregelen en wetgeving zeer beperkt. Deze vrijblijvendheid maakt spreidingsbeleid kwetsbaar. Informatie en advies zijn in feite de enige instrumenten om tot spreiding te komen. Scholen zouden zich dan ook de volgende vragen moeten stellen: hoe profileren we ons als school en welke informatie geven we aan de ouders? Versterkt of bestrijdt die informatie de segregatie. Gramberg vindt dat een school om andere reden gekozen dient te worden dan de kleur van de school, b.v. de kwaliteit, levensbeschouwing, afstand. Om puur op basis van het aantal allochtonen een school te classificeren is discriminatie en doet geen recht aan de vele goede zwarte scholen die er zijn.
Positie openbaar en bijzonder onderwijs
Tenslotte gaf Gramberg een overzicht m.b.t. zwarte en witte scholen naar denominatie. Dit omdat enkele maanden geleden er signalen waren dat het bijzonder onderwijs de poorten dicht zou houden voor allochtone leerlingen en daarom het openbaar onderwijs een onevenredig groot aantal allochtonen zou hebben. Gramberg heeft alleen de cijfers de rooms-katholieke scholen, maar daar blijkt duidelijk uit dat de (kleine) verschillen die er zijn niets met denominatie te maken hebben, maar met de ligging van de school. In de (grote) steden, waar veel allochtone leerlingen wonen, staan relatief veel openbare scholen en minder bijzondere. Ook binnen de steden zijn de verschillen gering en worden deze hoofdzakelijk verklaard door de buurt waar de school staat.
Samenvatting discussie
Grambergs betoog riep bij de aanwezigen de nodige vragen op en was aanleiding tot discussie. Gegroepeerd naar onderwerp worden hieronder een aantal meningen en discussiepunten weergeven.
1.9- en 1.25-leerlingen
1.9-leerlingen scoren in doorsnee beter dan 1.25-leerlingen. Achterstanden van leerlingen zijn eerder het gevolg van de economische en sociale positie, dan dat zij aan de etniciteit te relateren zijn. De groep 1.25-leerlingen is aan het afnemen, aangezien het opleidingsniveau van de autochtone bevolking toeneemt. Een hoog percentage 1.9- en 1.25-leerlingen geeft scholen de mogelijkheden voor extra faciliteiten. Faciliteiten die zich ook kunnen richten op de ouders (brugfuncties thuissituatie-school). Het ouderlijk milieu bij allochtonen is doorgaans positiever dan dat van 1.25-leerlingen. Binnen afzienbare tijd is een nieuwe wegingssystematiek te verwachten.
De kwaliteit van zwarte scholen
Als zwarte scholen sec op de CITO-resultaten worden beoordeeld, dan presteren zij gemiddeld slechter dan de andere scholen. Wat echter gewogen zou moeten worden is de individuele leerling - de toegevoegde kwaliteit - waardoor mogelijk een positiever beeld zou kunnen ontstaan. Daarnaast zou een individuele weging (bij de in- en uitstroom) ook een beter beeld opleveren van de werkelijke prestaties van een school. Op landelijk niveau zijn geen cijfers m.b.t. de kwaliteit.
Prestaties van allochtone leerlingen
80% van de allochtone leerlingen doet het goed, terwijl 1/5 deel als problematisch gezien kan worden. Met name de allochtone meisjes doen het goed. Aangezien de mogelijke sociale mobiliteit onder allochtonen nog groot is, is te verwachten dat deze een vertaalslag zal krijgen in de schoolprestaties en -loopbanen.
Discriminatie en integratie
Er is geen indicatie voor de veronderstelling, dat bijzondere scholen zich op een grote(re) schaal schuldig maken aan het weren van allochtone leerlingen dan scholen uit het openbaar onderwijs. Het verzuilde Nederlandse systeem is als zodanig dus niet van invloed. Discriminatie bij de schooldeur vindt wel plaats. Daarnaast zijn er ook signalen dat enkele zwarte scholen extra drempels opwerpen voor witte leerlingen of zich specifiek richten al dan niet bewust op een bepaalde etnische groep.
Een hamvraag is, of het de taak/doel van onderwijs is om de integratie te bevorderen. Er zijn cultuurverschillen tussen witte en zwarte scholen, waarbij cultuur dan gezien moet worden als een uiting van de etniciteit. Een geforceerde samenwerking tussen zwarte en witte scholen heeft nauwelijks zin. Wel is het zinvol om negatieve beeldvorming tegen te gaan en te voorkomen.
Nu er gewerkt wordt aan het benoemen van minimale kwaliteiten voor scholen, zou het goed zijn om ook een kwaliteitsstandaard te maken voor de interetnische verhoudingen, waarbinnen o.a. aandacht zou moeten zijn voor het pedagogisch klimaat, het schoolmateriaal en het personeelsbeleid.
1 Peter Gramberg is werkzaam bij de Vereniging Besturen Katholiek Onderwijs (VBKO) in Den Haag.
2 Peter Gramberg (2000), De school als spiegel van de omgeving. Een geografische kijk op onderwijs, Amsterdam: Thela Thesis. ISBN 90.5170.532.8
3 T.b.v. de kwaliteitsmeting is gekeken naar het CITO-niveau en het schooladvies van leerlingen van groep 8. Na 3 jaar is hun schoolloopbaan bekeken.






