mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Weerstand tegen zwarte..

Weerstand tegen zwarte scholen aanzienlijk

Nijmeegse onderzoekers: 'Houd meer rekening met bezwaren autochtonen.'
door Ayse Güveli en Peer Scheepers - 01.09.2001

Dossier: Onderwijs

Tags: onderwijs, schoolkeuze, segregatie, zwarte scholen

Onderzoek wijst uit dat bijna driekwart van de autochtone ouders in Nijmegen bezwaar heeft tegen een situatie op school waarin de meerderheid van de leerlingen uit etnische minderheden bestaat. Tussen 1999 en 2000 constateren zij een toename van de weerstand tegen concentratiescholen. Opvallend is dat de bezwaren in gelijke mate leven onder hoger en lager opgeleiden. Onderzoekers Ayse Güveli en Peer Scheepers bevelen de overheid aan meer aandacht te schenken aan de bezwaren van blanke ouders, om te voorkomen dat die hun kinderen naar witte scholen sturen.

Al jaren is er in Nederland een maatschappelijk debat aan de gang over 'zwarte' scholen, scholen waar hoge percentages allochtone kinderen zitten. Het centrale element in die discussie is de onwenselijkheid van etnische segregatie. Etnische segregatie op school zou volgens sommigen slecht zijn voor de schoolprestaties van allochtone kinderen. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt inderdaad dat bij concentraties van rond de 30% de gemiddelde taal-, en rekenscores van allochtone kinderen onder het landelijke gemiddelde zakken (Tesser, Merens en van Praag, 1999). Maar hoge concentraties zijn wellicht ook slecht voor de integratie van etnische minderheden in de samenleving. Toen in Utrecht en Deventer bepaalde scholen helemaal 'zwart' dreigden te worden, kwamen met name de allochtone ouders daartegen in het geweer. Zij meenden dat hun kinderen niet alleen slechter de Nederlandse taal zouden leren, maar ook slechter op de hoogte zouden geraken van allerlei Nederlandse gebruiken en gewoontes en daardoor dus slechtere kansen op integratie zouden hebben. Een directrice van een zwarte basisschool meende zelfs dat allochtone kinderen op zwarte scholen in een isolement terecht kwamen (Volkskrant, 29 januari 2001). Toen ze daarom besloot om de allochtone en autochtone kinderen te mengen, stak er een storm van protest op: er bleek enorm veel weerstand te bestaan tegen grotere aantallen allochtone kinderen op school.

Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar het ontstaan van scholen met hoge concentraties allochtone kinderen. Vaak wordt geopperd dat zwarte scholen ontstaan doordat de allochtone ouders hun kinderen allemaal naar dezelfde school sturen. Van de andere kant wordt gesteld dat concentratiescholen ontstaan omdat autochtone ouders hun kinderen van school halen wanneer er naar hun mening te veel allochtone kinderen op school komen, een verschijnsel dat 'white flight' wordt genoemd. Beide verschijnselen zouden natuurlijk ook gelijktijdig kunnen optreden. In welke mate beide verschijnselen voorkomen, is niet bekend. We kunnen wel enige indicaties vinden voor de mate waarin Nederlanders bezwaar maken tegen de aanwezigheid van allochtone kinderen op scholen. De kernvraag is: in hoeverre en waarom vertonen bepaalde groepen Nederlanders weerstand tegen allochtone kinderen op school?

Om de eerste vragen te beantwoorden, hebben we in twee achtereenvolgende jaren een set vragen voorgelegd aan een representatieve steekproef van Nijmegenaren. Deze vragen werden voorgelegd door studenten die daarvoor zorgvuldig waren getraind in het voeren van gestructureerde interviews. De vragen die we aan de Nijmegenaren hebben gesteld zijn ingegeven door eerder (vooral) Amerikaans onderzoek. In de tabel staan de resultaten.

Uit de tabel blijkt dat de mate van weerstand onder autochtonen tegen allochtone kinderen op school groter is naarmate het aantal allochtone kinderen groter is. In 1999 maakte zo'n (17,4+52,2=) 69% van de Nijmegenaren bezwaar tegen een situatie waarin allochtone kinderen de meerderheid op school vormden, terwijl zo'n (3,8+4,9=) 8,7% bezwaar maakt tegen een situatie waarin allochtone kinderen een kwart van het leerlingenbestand uitmaken. In het jaar 2000 blijkt dat deze weerstand evenwel iets wijder verbreid is geraakt. Dan maakt (22,9+49,8=) 72,7% bezwaar tegen de situatie waarin allochtone kinderen in de meerderheid zijn; maakt (14,7+42,0=) 56,6% bezwaar tegen een situatie waarin de helft van de kinderen van allochtone afkomst is; en maakt (4,9+17,1=) 22% bezwaar tegen de situatie waarin allochtone kinderen een kwart van het bestand uitmaken. De laatstgenoemde verandering is natuurlijk een forse. Opmerkelijk is ook het geringe aantal mensen dat geen antwoord geeft: blijkbaar heeft iedereen wel een (uitgesproken) mening over deze kwestie.

Frequentieverdeling: weerstand onder autochtonen tegen allochtone leerlingen op de school van hun kinderen.1999 (N=184) en 2000 (N=245).}}
|Aandeel kinderen van etnische minder-heden|jaar survey|heel veel bezwaar|wel bezwaar|geen bezwaar|helemaal geen bezwaar|geen antwoord||
|/2. Meer dan de helft|1999|17.4|52.2|25.0|4.3|1.1||
|2000|22.9|49.8|23.7|3.7|0.0||
|/2. Ongeveer de helft|1999|10.3|38|44.6|6.0|1.1|
|2000|14.7|42.0|38.4|4.9|0.0|
|/2. Ongeveer een kwart|1999|3.8|4.9|68.5|21.7|1.1|
|2000|4.9|17.1|60.0|18.0|0.0|

Daarna hebben we vastgesteld dat die weerstand een patroonmatig karakter heeft: mensen die bezwaar maken tegen een situatie waarin allochtone kinderen een kwart van het bestand uitmaken, hebben vrijwel altijd zeker ook weerstand tegen een situatie waarin allochtone leerlingen een meerderheid vormen.

Maar is dat nu relatief veel of relatief weinig? Die vraag is het beste te beantwoorden wanneer we naar het opinieklimaat kijken van de Nijmegenaren, specifiek naar het opinieklimaat inzake andere kwesties waarbij etnische minderheden zijn betrokken. Daarover hebben we ook al jaren gegevens verzameld.

Daaruit komt naar voren dat zo'n 15-25% uitgesproken vooroordelen heeft tegen etnische minderheden; vooroordelen waaruit blijkt dat Nijmegenaren menen dat etnische minderheden lui en onfatsoenlijk zijn, terwijl men Nederlanders beschouwt als hard werkende en fatsoenlijke mensen. Dat verschijnsel staat te boek als etnocentrisme en dat blijkt niet alleen in Nederland, maar in allerlei landen te bestaan (Coenders, 2001). Daarnaast blijkt dat zo'n 40% van de Nijmegenaren bezwaar te hebben tegen islamitische instellingen in de wijk (zoals een moskee). Tenslotte blijkt zo'n 52% van de Nijmegenaren bezwaar te maken tegen een asielzoekerscentrum in de wijk. Wanneer we deze percentages vergelijken met het percentage Nijmegenaren dat bewaar maakt tegen allochtone leerlingen op school, dan blijkt de weerstand tegen allochtone leerlingen, vooral in situaties waarin ze allochtone leerlingen de helft of meer dan de helft van het leerlingenbestand uitmaken, dus betrekkelijk wijdverbreid te zijn.

Vervolgens hebben we onderzocht of er bepaalde bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld bepaalde wijkbewoners of bepaalde opleidingscategorieën) zijn aan te wijzen waar die weerstand tegen allochtone kinderen op school wijder verbreid is. Een opmerkelijke bevinding is dat we geen verschillen tussen wijken aantreffen: de weerstand is eigenlijk overal even wijd verbreid, of het nu gaat om de 'betere wijk' of om 'mindere wijken'. Nog veel opmerkelijker is de bevinding dat we geen verschillen aantreffen tussen mensen van verschillende opleidingsniveaus: zowel laag-, middelbaar-, als hoogopgeleiden vertonen in ongeveer dezelfde mate weerstand tegen allochtone leerlingen. Dat is des te opmerkelijker omdat uit vrijwel al het onderzoek op dit terrein blijkt dat hoog opgeleide mensen juist toleranter en minder bevooroordeeld zijn tegenover etnische minderheden dan lager opgeleiden. Daarvoor worden twee soorten verklaringen aangevoerd. De eerste is dat hoger opgeleiden zich beter bewust zijn van de maatschappelijke norm dat men geen vooroordelen mag uiten. De tweede soort verklaring is dat hoger opgeleiden in zekere zin 'geen last' zouden hebben van etnische minderheden die immers vooral in de minder geprivilegieerde posities van de samenleving zitten: daar vormen zij immers geen bedreiging voor de geprivilegieerde posities van de hoger opgeleiden. Maar wanneer hoger opgeleiden worden geconfronteerd met allochtone kinderen op school, verandert dat dus: dan zijn de hoger opgeleiden 'opeens' niet meer zo tolerant, wellicht omdat zij menen dat de kwaliteit van de schoolloopbaan van hun eigen kinderen in het geding is.

Zo'n gevoel van etnische dreiging vormt inderdaad de belangrijkste verklaring voor de weerstand tegen allochtone kinderen op school, evenals dat gevoel van etnische dreiging de belangrijkste verklaring vormt voor de weerstand tegen sociale omgang met etnische minderheden, etnische discriminatie, en weerstand tegen beleid ter verbetering van de positie van etnische minderheden (Verberk, Scheepers en Felling 2000).

Aan deze bevindingen willen we graag een enkele aanbevelingen verbinden. De overheid voert beleid om de onderwijspositie van etnische minderheden te verbeteren en de maatschappelijke integratie te bevorderen. Daarbij dient men uitdrukkelijk, wellicht uitdrukkelijker dan tot nog toe het geval is, rekening te houden met de weerstand die onder autochtonen dienaangaande bestaat. Wanneer allochtone kinderen op scholen een grote minderheid of een meerderheid lijken te gaan vormen, maken veel autochtone ouders daar uitdrukkelijk bezwaar tegen waardoor zij in een aantal gevallen zouden kunnen besluiten om hun kinderen naar een andere school te sturen. Daardoor ontstaan concentratiescholen die noch voor de onderwijsprestaties noch voor de maatschappelijke integratie van allochtone kinderen bevorderlijk lijken te zijn. Daarom is het wenselijk om preciezer te onderzoeken bij welk percentage allochtone kinderen op school autochtone ouders beslissen om hun kind naar een andere school te sturen. Wanneer we dat weten, kan er een beleid worden ingezet onder het motto: voorkomen is beter dan genezen.

Deze bijdrage is gebaseerd op de scriptie van A. Güveli. Zij vervaardigde deze scriptie in het kader van haar studie sociologie. Prof. Dr. P.L.H. Scheepers is als universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar 'maatschappelijke vooroordelen' verbonden aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij geeft leiding aan een grootschalig onderzoeksprogramma, getiteld: 'cross-national comparisons of ethnic exclusionism'.

Literatuur:
Coenders, M.: Nationalistic and exclusionistic reactions in 22 countries, Nijmegen, proefschrift, 2001.
Tesser, P., J. Merens, C. van Praag: Rapportage Minderheden 1999 - positie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, 1999.
Verberk, G., P. Scheepers, A. Felling: Attitudes ten aanzien van allochtonen - Psychologie en Maatschappij, 2000, 24, 4, 349-362.


Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 3 / september 2001.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: