Liever een Turk dan een Marokkaan
Verschillende bevolkingsgroepen hanteren dezelfde voorkeurslijstjes
door Xiu Lin Tan - 01.11.2002
Dossier: Beeldvorming
Wie Hollywoodfilms kent, weet dat er in Amerika een vaste etnische hiërarchie bestaat: boven aan de ladder staan White Anglo-saxon Protestants, onderaan de Afro-Amerikanen, met daar tussen de rest: Ieren, Italianen, Aziaten en Native Americans. Hoe zit dat bij ons? Kennen ook wij een dergelijke etnisch-culturele ladder? En hebben de Nederlanders dezelfde voorkeuren als hun Turkse, Surinaamse, Joegoslavische, Somalische en andere buren? Xiu Lin Tan ondervraagt de Utrechtse socioloog en sociaal psycholoog Louk Hagendoorn.
"Afkeer van moslims neemt toe", kopt de Volkskrant van 31 oktober 2002. Dat de beeldvorming van etnisch-culturele minderheden in Nederland niet altijd positief is weten we, maar er zijn opvallende verschillen in beeldvorming. Over Turkse, maar vooral over Marokkaanse migranten bestaan negatieve stereotypen die in veel mindere mate gelden voor bijvoorbeeld Surinamers en Zuid-Europeanen. Stereotypen zijn echter niet alleen maar verzonnen of vertekende beelden. Er bestaan verschillen in opleiding, sociaal-economische positie en godsdienst tussen de Nederlandse bevolking en etnische minderheidsgroepen. Stereotypen, over en weer, weerspiegelen deze verschillen.
Is de waardering van groepen migranten in een rangorde te plaatsen? Verandert deze rangorde? Wat zijn de achterliggende oorzaken van verschillen in beeldvorming?
Voorkeurslijstjes
De afgelopen decennia heeft prof.dr. Louk Hagendoorn, verbonden aan de Universiteit Utrecht, verschillende onderzoeken gedaan naar de sociale afstand tussen autochtone Nederlanders en bepaalde minderheidsgroepen. Wat is dat, sociale afstand? In feite werd er onderzocht met welke minderheidsgroepen de etnische Nederlanders het liefst contact hadden of juist geen contact wilden, en met welke groepen minderheidsgroepen omgingen en in welke volgorde van voorkeur. Uit die onderzoeken kwamen voorkeurslijstjes naar voren, die bovendien tussen 1984 en 1998 nauwelijks veranderden. Hagendoorns opvallende conclusie is tweezijdig. Ten eerste houden alle groepen er voorkeurslijstjes op na. Autochtone Nederlanders bijvoorbeeld gaan het liefst om met Noord-Europeanen, daarna komen joden, Zuid-Europeanen, Surinamers, Molukkers, Turken en Marokkanen. In die volgorde. Ten tweede zijn autochtonen en migranten het vaak opvallend eens over de rangorde in beeldvorming: ze hebben min of meer dezelfde voorkeurslijstjes.
Hagendoorn: "Dit onderzoek hoeft niet meer uitgevoerd te worden, het gegeven is bekend en bij replicatie blijkt telkens hetzelfde. Het lijstje is er en de verschillen zijn niet erg groot. Het is eigenlijk vooral interessant dat mensen die voorkeur hebben en natuurlijk de vraag hoe dat komt. Wat mij intrigeert is dat Noord-Europese groepen meer geaccepteerd worden, inclusief de joden, dan Zuid-Europese groepen, islamitische groepen en Zuid-Molukkers. Surinamers zitten daar dan tussenin. Op grond waarvan ontwikkelen mensen die voorkeuren? Dat is een groter mysterie. De huidskleur zou je denken, maar dat is het niet."
Consensus over beeldvorming
Hagendoorns hypothese is dat etnische groepen consensus hebben over de relatieve positie van etnische minderheden in de samenleving. De wetenschapper Hagendoorn heeft het dan over een ingroup-vooroordeel (ik ga het liefst om met mijn groepsgenoten) en een patroon van cumulatieve intergroup-vooroordelen (er is een hiërarchie) waarover de meerderheidsgroep en de groepen minderheden het met elkaar eens zijn.
Hagendoorn: "Ook als je kijkt naar de minderheden zelf, dan zie je dat die allemaal dezelfde hiërarchie hebben als de Nederlanders, behalve dan dat ze hun eigen groep op de eerste plaats zetten. Hoe dat komt? Het heeft volgens mij te maken met het gegeven dat je geen afstand neemt van je eigen groep. De meeste minderheidsgroepen zetten meerderheidsgroep, Nederlanders dus, op de tweede plaats. Maar ik kan me wel voorstellen dat als je nu een hele slechte relatie krijgt tussen migranten en autochtonen, bijvoorbeeld door de komst van LPF, dat Turken en Marokkanen de Nederlanders onderaan zetten."
Zijn er ook uitzonderingen?
Hagendoorn: "Kaapverdianen zetten de Nederlanders ergens onderaan. En moslims geven de voorkeur aan andere moslimgroepen. Dus bij Turken zie je: Turken op één, dan Nederlanders, Marokkanen en vervolgens de rest van het rijtje. Let wel: Nederlanders komen dan toch op de tweede plaats."
Media
Wordt er over groepen die negatief in de media komen ook een negatieve beeldvorming gevormd? Ik kan me voorstellen dat naarmate de berichtgeving verandert, hun plaats in de rangorde zou kunnen veranderen.
"In het onderzoek is niet de invloed van negatieve berichtgeving in de media meegenomen. Die geldt immers niet voor alle groepen. Dus het feit dat Marokkanen vaak in het nieuws komen vanwege criminaliteit heeft waarschijnlijk wel invloed op de beeldvorming, maar daar is niet specifiek naar gekeken in het onderzoek. Interessant is natuurlijk dat islamitische groepen laag scoren en dat Zuid-Molukkers laag scoren. In de jaren tachtig had je natuurlijk het effect van de treinkapingen: dan loopt er door een algemene voorkeur weer een bijzondere historische gebeurtenis."
In twintig jaar is volgens Hagendoorn de rangorde nauwelijks gewijzigd. Islamieten stonden en staan onderaan. De aanslagen van 11 september hebben daar volgens Hagendoorn sterk aan bijgedragen.
Negatief èn positief
In de onderzoeken naar sociale afstand tussen de etnische meerderheid en etnische minderheidsgroepen kregen de respondenten vragen voorgelegd als: "Het komt niet in me op om bevriend te zijn met iemand van minderheidsgroep X."; "Ik zou niet iemand van minderheidsgroep Y als leidinggevende willen." De vragen gingen over vriendschappen, collega's, buren, huwelijkspartners, klasgenoten en dergelijke en de respondenten konden antwoorden op een schaal van vijf variërend van mee eens tot mee oneens. Opvallend is dat zowel mensen met negatieve vooroordelen als mensen met positieve ideeën dezelfde voorkeursvolgorde hebben. Iemand die uitsluitend contact met mensen van zijn eigen etniciteit onderhoudt, en andere groepen zo veel mogelijk mijdt, koestert dezelfde hiërarchie als iemand anders die regelmatig omgaat met andere dan zijn eigen groep.
Hagendoorn: "Het rare is: praktisch iedereen heeft voorkeuren. Niemand antwoordt neutraal op die vragen. Meestal richt men zich bij dit soort verschijnselen op de vraag of het oordeel negatief is over de ander. Maar ook als je een positief oordeel hebt over alles en iedereen, dan nog heb je een voorkeur. Waar iemand zegt ik houd helemaal niet van groente, maar het ergst vind ik worteltjes, terwijl iemand anders zegt een paar groenten vind ik lekker en er zijn er ook een paar die vind ik vies. En zo heb je het ook met die etnische voorkeuren en dan komt er steeds dezelfde volgorde uit. Dat is interessant."
Sociale afstand en groepsgrootte
Mensen hebben ook ideeën over groepen mensen waar ze nooit mee te maken hebben. Is er een onderscheid te vinden in het onderzoek, in de zin dat de antwoorden van respondenten die wel sociale contacten hebben met bepaalde minderheidsgroepen anders zijn dan van die respondenten die geen contact hebben met bepaalde minderheidsgroepen?
"Je kan zeggen dat het meestal zo is dat contacten een positief effect hebben. Dat de beelden die men van elkaar heeft positief worden. Maar goed, het hangt ook af van de aard van de contacten. Het moet een vrij gekozen zijn, als het contact is afgedwongen werkt het niet, en als het in de hiërarchie zit evenmin. Dus het gaat eigenlijk meer om vriendschappelijke relaties. Vrije persoonlijke relaties op gelijk niveau die vrijwillig worden aangegaan."
Hoe verklaart u dat?
"Kijk, je komt niet zo maar met elkaar in contact. Als er hier in het gebouw niemand zit met een andere etnische achtergrond dan leer ik die dus ook niet kennen. Je mag dus aannemen dat naarmate de mix groter is, mensen gemakkelijker met elkaar in contact komen. Naarmate de kans op contact groter is, zou je verwachten dat er vaker relaties tussen etnische groepen zijn. Je vertaalt dus het positieve effect van het persoonlijke contact tussen mensen naar contact tussen groepen. Wanneer is de kans op contact het grootst? Die is het grootst als de groepen ongeveer van gelijke omvang zijn. Als er maar twee mensen van een bepaalde groep in Nederland zijn, dan hebben 17 miljoen mensen relatief weinig kans om contact te maken met die twee mensen. Terwijl als het de helft van de bevolking is dan heb je allicht kans iemand van de andere groep tegen het lijf te lopen. Dus je zou kunnen verwachten dat naarmate de groepen van meer gelijke omvang zijn, de kans op contacten groter is en de verhoudingen beter zullen worden. Maar nee, het is precies andersom. Naarmate een minderheidsgroep groter is, is de kans op negatieve relaties nog groter. En dat strookt absoluut niet met de logische consequenties van positieve effecten van contact. Dat is één van de puzzels in dit soort onderzoeken. Hoe komt dat? Niemand weet dat precies, maar één van de interpretaties is dat het komt door de wijze waarop minderheidsgroepen invoegen in de samenleving van de meerderheidsgroep."
U bedoelt integratie?
Hagendoorn: "Inderdaad: integratie betekent immers dat de minderheid als het ware de levenswijze van de meerderheidsgroep geleidelijk gaat overnemen. Als je een groep hebt van 35 procent van de bevolking en tien procent is geassimileerd, als het ware overgestapt naar de meerderheidsgroep, dan is de minderheidsgroep kleiner geworden. En meestal zie je dan dat zon groep gaat zeggen: "Ja maar wij willen niet verdwijnen!" Er komt een soort reactie, een accent op de eigenheid van een groep, een culturele orthodoxie, zo van "Wij willen onze gewoontes en achtergronden behouden en onze identiteit niet verliezen". Dan sluit de groep zich af en ontstaan er over en weer negatieve verhoudingen."
"Het is heel gek. Persoonlijk contact verbetert de relaties en de kans op persoonlijk contact in de samenleving, dus meer gelijke groepsomvang verslechtert de relaties. Meer contact werkt dus niet altijd onherroepelijk positief. Het hangt af van de aard van de contacten, het hangt af van de omvang en de samenstelling van de groepen."
Vooroordeel en onderscheid
Wordt uw werk ook voor beleid gebruikt?
"Geen idee. Voor ons is niet aan de orde dat men daar iets dergelijks mee kan doen. Maar ik zet mensen graag aan tot denken. Zo van: "Hé, heb ik die voorkeuren ook?". Wat voor ons van belang is, is dat niet alleen bij mensen die vanuit negatieve beeldvorming deze volgorde naar voren komt, maar ook bij mensen die vanuit een positieve houding naar minderheidsgroepen kijken. Dus je ook als je niet bevooroordeeld bent, als je niet negatief bent in je denken over die ander, kun je toch uitgesproken voorkeuren hebben. Dat is het verschil tussen bevooroordeeld en zijn en onderscheid maken."
Xiu Lin Tan was redacteur van Zebra Magazine
Dit artikel is verschenen in Zebra Magazine 4 / november 2002.






