Ruimtelijke segregatie in Nederland Factsheet
door E. Nieuwenhuizen - 05.10.2006
Dossier: Huisvesting en verhoudingen in de buurt
Ruimtelijke segregatie is het verschijnsel dat allochtone en autochtone Nederlanders in verschillende woonwijken wonen. Sinds begin jaren tachtig wordt over ruimtelijke segregatie gesproken en geschreven. Ook werden vanaf die tijd initiatieven genomen om segregatie tegen te gaan door het spreiden van allochtone bewoners over de stad. Segregatie wordt als een probleem gezien omdat het de integratie van migranten zou belemmeren. Als allochtonen allemaal bij elkaar wonen komen ze niet in contact met autochtone landgenoten en hun gewoonten en denkbeelden. Ook zouden ze dan te weinig in contact komen met de Nederlandse taal. Hier wordt kort ingegaan op de omvang van het verschijnsel, oorzaken, gevolgen en het beleid aangaande ruimtelijke segregatie.
1. Omvang
In de Nederlandse steden zijn er stadswijken waar de bevolking grotendeels allochtoon is en stadswijken waar die bevolking hoofdzakelijk autochtoon is. Ook op landelijk niveau is er sprake van ongelijke verdeling: in sommige provincies en steden wonen meer allochtonen dan in andere provincies en steden.
In de vier grote steden wonen de meeste allochtonen. Op 1 januari 2004 woonden in Nederland ruim 1,6 miljoen niet-westerse allochtonen. In Nederland vormen niet-westerse allochtonen 10 procent van de bevolking. In Amsterdam en Rotterdam vormen zij een derde van de bevolking, in Den Haag ruim 30 procent en in Utrecht 20 procent van de bevolking (SCP 2003). In de overige steden met meer dan 100.000 inwoners vormen niet-westerse allochtonen ruim 11 procent van de bevolking. Andere steden met relatief veel minderheden zijn: Schiedam (22 procent), Almere (22 procent), Diemen (21 procent) en Lelystad (17 procent). In slechts 50 van de ruim 500 Nederlandse gemeenten ligt het aandeel allochtonen boven het landelijke gemiddelde (Van Huis, 2001).
1.1 Vier grote steden
Binnen de grote steden wonen allochtonen geconcentreerd in bepaalde wijken en/of buurten. In 2004 waren er 83 wijken met een bevolking waarvan meer dan 25 procent afkomstig was uit een niet-westers land. In 13 van deze wijken was de niet-westerse bevolking in de meerderheid. Op buurtniveau waren er 456 buurten met meer dan 25 procent allochtonen; in 92 buurten was dat meer dan de helft. Bijna de helft van deze concentratiebuurten liggen in de vier grote steden en vormen daarmee ruim 10 procent van alle buurten in die steden (SCP, WODC en CBS, 2005). In ruim 200 wijken en enkele honderden buurten is tussen 1999 en 2004 de concentratie van niet-westerse allochtonen toegenomen. Hiermee is het aantal concentratiewijken in deze periode met 4 toegenomen en het aantal concentratiebuurten met 39. Concentratie neemt dus duidelijk toe.
Segregatie is niet hetzelfde als concentratie. Bij segregatie gaat het om de verhouding tussen stad en wijk: als in de gehele stad het aantal migranten met 40 procent stijgt en in alle wijken stijgt het aantal migranten met 40 procent dan neemt de segregatie niet toe maar de concentratie wel.
De segregatie in Rotterdam en Den Haag is sterker dan in Utrecht en Amsterdam. Dit is voor een groot deel te verklaren door het feit dat veel allochtonen in Rotterdam en Den Haag zijn gevestigd in de vooroorlogse buurten rond de binnenstad en nog niet zo zijn doorgedrongen tot de naoorlogse wijken. Dat is in Utrecht en Amsterdam wel het geval. Vanaf 1998 nam de segregatie af in Rotterdam terwijl die in Den Haag, Utrecht en Amsterdam juist toenam. Aan de hand van segregratie-indices wordt de mate van segregatie weergegeven. Deze getallen weerspiegelen het percentage van een allochtone groep, dat zou moeten verhuizen naar andere wijken om die groep een verdeling over de wijken te geven die identiek is aan die van de overige bevolking. Dus hoe hoger de index, hoe sterker de segregatie. In 1998 waren de segregatie-indices voor Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag respectievelijk 34,2; 33,2; 42,6 en 44,9. In 2004 waren deze segregatie-indices respectievelijk 36,6; 38,5; 40,8 en 46,1 (SCP, WODC en CBS, 2005).
Van de grote minderheidsgroepen wonen Turken en Marokkanen het meest gesegregeerd. Voor Rotterdam kunnen daar de Kaapverdianen aan worden toegevoegd.
Over segregatie binnen wijk en buurten is veel minder bekend. Het lijkt erop dat mono-etnische gebieden binnen buurten zeldzaam zijn in Nederland. Tesser (Tesser, 1994) stelt dat segregatie op microniveau niet voorkomt, terwijl Deurloo en Musterd (Deurloo, 1997) op basis van cijfers op postcodeniveau de conclusie trekken dat Turken en Marokkanen zich in Amsterdam op microniveau segregeren.
1.2 Randgemeenten en middelgrote gemeenten
In de randgemeenten van de grote steden wonen weinig allochtonen. Binnen het stadsgewest Amsterdam woonde in 1997 75 procent van de etnische minderheden in de stad Amsterdam. Voor Rotterdam is dat 72,2 procent, voor Den Haag 68,3 procent en voor Utrecht 56,4 procent. In de periode 1990-1997 is er sprake van een lichte relatieve toename van het aantal allochtonen in de randgemeenten, met name in Amsterdam.
Ook in de middelgrote steden is er sprake van etnische segregatie, hoewel niet in dezelfde mate als in de grote steden. Als gekeken wordt naar de ontwikkeling ervan ontstaat er een divers beeld. In sommige steden neemt de segregatie af, in andere steden neemt deze toe of blijft op hetzelfde niveau.
2. Oorzaken
2.1 Algemeen
Omdat de meeste allochtonen moeten rondkomen van een laag inkomen zijn zij beperkt in hun mogelijkheden op de woningmarkt. Vaak zijn ze aangewezen op goedkope huurwoningen. Een concentratie van allochtonen in buurten waar veel goedkope huurwoningen staan, is dan een logisch gevolg. Etnische segregatie is dus voor een belangrijk deel inkomenssegregatie.
Uit onderzoek blijkt dat de ruimtelijke concentratie van allochtonen nauwelijks iets te maken heeft met voorkeuren van allochtonen, maar alles met hun beperkte financiële mogelijkheden (Bolt, 2001). Hierdoor zijn allochtonen aangewezen op de buurten die bij autochtone Nederlanders het minst populair zijn. Op dit moment zijn dat de wijken die vlak na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd. Twintig jaar geleden waren dat vooral de vooroorlogse wijken. Dat in Amsterdam en Utrecht de concentratie van allochtonen in de naoorlogse wijken altijd hoger is geweest dan in Den Haag en Rotterdam, heeft waarschijnlijk te maken met de grote aantallen studenten in Amsterdam en Utrecht. Vooroorlogse wijken in de buurt van het stadscentrum zijn altijd populair geweest bij studenten en pas afgestudeerden.
Er zijn ook geen verschillen tussen allochtonen en autochtonen voor wat betreft hun woonaspiraties. Wel spelen specifieke culturele en sociaal-economische factoren een rol in de woonsituatie van met name Turken en Marokkanen. Daarbij gaat het onder meer om de lage arbeidsparticipatie van vrouwen, relatief grote gezinnen, vroeg trouwen en de gewoonte om het ouderlijke huis pas na een huwelijk te verlaten.
Allochtone bewoners van impopulaire buurten zijn vaker ontevreden over hun buurt dan autochtone bewoners. Zo blijkt dat onder Turken en Marokkanen een relatief grote afkeer bestaat voor het wonen in concentratiewijken (Uunk, 2002). Misschien zorgt dit ervoor dat allochtone bewoners van concentratiewijken vaker verhuizen dan autochtone bewoners. Maar in tegenstelling tot autochtonen verhuizen zij vaker naar andere concentratiewijken. Daardoor blijven allochtonen per saldo langer in concentratiewijken wonen dan autochtonen (Uunk, 2001).
Vooral in de jaren 80 en jaren 90 van de 20ste eeuw zijn veel onderzoeken verschenen naar discriminatie op de woningmarkt. Uit deze onderzoeken kwam naar voren dat allochtonen langer moesten wachten op een woning en meestal de minst populaire woningen kregen toegewezen. De afgelopen jaren is hierover veel minder gepubliceerd. Bolt concludeert voor de stad Utrecht dat discriminatie tot het verleden behoort (Bolt, 2001). Misschien heeft deze afname iets te maken met de invoering van nieuwe systemen voor het verdelen van woningen zoals het aanbodsysteem.
Een andere factor die invloed heeft op segregatie is die van de dure scheefheid (huishoudens met een laag inkomen in dure woningen) en de goedkope scheefheid (huishoudens met een hoger inkomen in goedkope woningen). De dure scheefheid is afgenomen van 188.000 huishoudens in 1986 naar 111.000 in 1998, en goedkope scheefheid is toegenomen van 639.000 huishoudens in 1986 tot 666.000 in 1998. (Van Kempen et al, 2000). Een hoog percentage goedkope woningen (40 procent) wordt bewoond door mensen met een hoog inkomen. Deze goedkope scheefheid heeft een negatief effect op segregatietendensen. De laatste jaren is er sprake van een daling van de goedkope scheefheid.
Dure scheefheid wordt mogelijk gemaakt door het toekennen van huursubsidies aan mensen met een laag inkomen. Huursubsidie zorgt ervoor dat mensen met een laag inkomen in dure woningen kunnen wonen en gaat zo segregatie tegen.
2.2 Woningverdelingssystemen
Naar de effecten van de diverse woningverdelingsystemen op ruimtelijke segregatie is ook onderzoek gedaan. Met name naar de effecten van het woningaanbodsysteem omdat dat systeem de laatste tien jaar in veel steden in Nederland is ingevoerd. Het aanbodsysteem is in de plaats gekomen van het distributiesysteem. In het distributiesysteem kan de verhuurder kijken naar passendheidcriteria, waaronder leefbaarheid en banden met de buurt. Dit systeem biedt de mogelijkheid een plaatsingsbeleid in de praktijk te brengen, waarbij allochtonen al dan niet in bepaalde portieken, straten of wijken worden geplaatst. Toen migranten toegang kregen tot de sociale woningvoorraad hebben de praktijken binnen het distributiemodel mede bijgedragen aan het ontstaan van aanzienlijke binnenstedelijke concentratie van allochtone huishoudens (Tesser, Van Dugteren en Van Praag, 1994). In veel steden hebben woningbouwcorporaties al dan niet in samenwerking met de gemeente een verkapt spreidingsbeleid gevoerd. Corporaties maakten delen van de woningvoorraad ontoegankelijk of stelden quota in voor portieken of flats. Nog in de jaren 90 werd zulk verkapt spreidingsbeleid aangetroffen in diverse gemeenten (Van Montfort, 1992). In 1996 hanteerde een woningbouwcorporatie in Den Bosch een ongeschreven vuistregel dat het percentage allochtone huishoudens in een flat niet meer dan 15 procent mag zijn (Bolt, 2004). Janneke Jansen heeft geconstateerd dat woningcorporaties tot in de jaren negentig bij toewijzing van woningen onderscheid maakten tussen allochtonen en autochtonen. (Jansen, 2006). Vooral Turken en Marokkanen werden in bepaalde wijken en buurten niet toegelaten, kregen een slechtere woning aangeboden of werden überhaupt geweigerd om zich als woningzoekende bij een corporatie in te laten schrijven. Dit beleid van de woningcorporaties heeft ertoe bijgedragen dat er concentratiewijken zijn ontstaan.
Het aanbodsysteem werkt transparanter en biedt daardoor minder ruimte voor discriminatie: ruim 60 van de gemeenten en bijna 60 procent van de corporaties is het hiermee eens (Van Kempen en Idamir, 2003). De effecten van de invoering van het aanbodsysteem zijn echter niet duidelijk. Zo lijkt de afnemende segregatie in Rotterdam mede het gevolg te zijn van de invoering van het aanbodsysteem. De Rotterdamse oud-wethouder Meijer heeft voor de Parlementaire Commissie Integratiebeleid gezegd dat vóór de invoering van het aanbodsysteem het toewijzingsysteem van de corporaties ongelijk uitviel. Allochtonen kregen wel woningen toegewezen in concentratiewijken maar niet in witte wijken (Blok et al, 2004). Daarentegen blijkt uit ander onderzoek dat de invoering van het aanbodsysteem geen effect heeft op de spreiding of concentratie van etnische minderheden (Jongerden, 2001). Wellicht komt dat door de rol die indirecte discriminatie blijft spelen in het aanbodsysteem. In het aanbodsysteem moeten woningzoekenden reageren op een advertentie om in aanmerking te komen voor een huis. Er worden echter wel criteria gehanteerd voor wie het eerst in aanmerking komt voor een woning. De meest voorkomende criteria binnen het aanbodsysteem zijn woonduur, inschrijvingsduur en leeftijd. Deze criteria werken in het nadeel van allochtonen. Zij zijn over het algemeen jonger en hebben een korte verblijfsduur in Nederland. Het hanteren van deze criteria leidt ertoe dat allochtonen aangewezen zijn op de minder populaire sociale huurwoningen of de particuliere verhuur. De negatieve werking van het criterium woonduur blijkt ook uit onderzoek in Den Haag (Lindner, 2002).
3. Gevolgen
3.1 Verschillen tussen witte en zwarte wijken
In vergelijking met bewoners van witte wijken zijn bewoners van zwarte wijken of concentratiewijken uiteraard niet alleen vaker allochtoon maar wijken ze ook af in andere demografische en sociaal-economische kenmerken.
In vergelijking met allochtone bewoners van andere wijken blijkt dat allochtone bewoners van concentratiewijken (Uunk, 2001):
- jonger zijn
- vaker in een meerpersoonshuishouden met kinderen leven
- gemiddeld meer kinderen hebben
- gemiddeld lager opgeleid zijn
- vaker werkloos zijn
- vaker in traditionele huishoudens leven
- een lager huishoudensinkomen hebben
Autochtone bewoners van concentratiewijken zijn vaker alleenstaand, hebben weinig of geen kinderen en zijn ouder dan autochtone bewoners van andere wijken.
Ook de huisvestingsituatie in concentratiewijken is anders: meer goedkope huurwoningen, minder vooroorlogse woningen, minder nieuwbouw, meer flats en meer overlast van stank, lawaai, vuil en vernieling. Voor wat betreft de voorzieningen zijn er geen grote verschillen. Alleen zijn er in concentratiewijken minder basisscholen.
Bewoners van zwarte buurten of concentratiebuurten zijn minder tevreden over hun woonomgeving dan bewoners van witte wijken (SCP,WODC en CBS, 2005). In buurten met eenzelfde etnische samenstelling zijn de allochtonen ongeveer even tevreden of ontevreden over hun woonomgeving als de autochtonen. Alleen in concentratiewijken zijn autochtonen meer ontevreden. Voorts ervaren bewoners van concentratiewijken minder sociale samenhang, ervaren zij meer verloedering, voelen zij zich onveiliger en zijn zij vaker slachtoffer van criminaliteit dan bewoners van witte wijken.
3.2 Maatschappelijke kansen
In concentratiewijken concentreren zich vele sociale problemen. De vraag is of factoren op wijkniveau, zoals etnische segregatie, van invloed zijn op de maatschappelijke kansen van allochtonen. Ofwel de vraag: zijn bewoners van concentratiewijken vaker werkloos omdat ze in concentratiewijken wonen of wonen werklozen vaker in concentratiewijken omdat ze werkloos zijn?
Er blijkt maar een beperkte samenhang te bestaan tussen de etnische concentratie in wijken en de sociaal-economische positie van individuen (Uunk, 2002; Tesser, 1994; Van der Laan Bouma-Doff, 2005). Invloeden van de buurt kunnen echter niet helemaal weggecijferd worden (Van Kempen, 2000). Voor wat betreft opleidingsniveau, werkloosheidkansen en arbeidsinkomen, bestaan er verschillen tussen bewoners van concentratiewijken en overige wijken. Of dit op concentratie-effecten duidt of opselectieve migratie is niet duidelijk (Uunk, 2002).
Verder blijkt dat de diverse etnische groepen slechts in geringe mate verschillen in de samenhang tussen etnische concentratie en de sociaal-economische positie. Allochtone bewoners van concentratiewijken en allochtone bewoners van overige wijken vertonen onder alle groepen ongeveer dezelfde verschillen. Alleen de Antillianen wijken af van dit patroon (Uunk, 2002). Uit onderzoek naar de invloed van de woonomgeving op de sociale mobiliteitskansen blijkt dat in Nederland de invloed van de omgeving vrij gering is of er helemaal niet toe doet (Musterd, Ostendorf en De Vos, 2001).
De samenhang tussen de etnische concentratie van wijken en de sociaal-economische positie van allochtonen is dus gering. Uunk geeft verschillende verklaringen voor het zwakke verband dat is geconstateerd:
- etnische concentratie in Nederland is naar verhouding laag
- de relatief geringe spreiding in de onderwijs- en arbeidsmarktpositie binnen allochtone groeperingen (vooral bij Turken en Marokkanen)
- het prevaleren van individuele kenmerken van allochtonen boven contextuele kenmerken
- overheidsingrijpen
Bij dit laatste gaat het vooral om het beleid goedkope en dure woningen in buurten te mengen zodat er in arme buurten ook rijke mensen wonen en in rijke buurten arme mensen.
Ook het verband tussen concentratie en vooroordelen is onderzocht. Autochtone bewoners van buurten met weinig of geen buitenlanders tonen even weinig of even veel geneigdheid tot discriminatie als bewoners van buurten met hoge concentraties buitenlanders (Tesser, 1994). Later onderzoek heeft dit bevestigd (Gijsberts en Dagevos, 2004). De aanwezigheid van minderheden in de buurt blijkt niet te leiden tot negatievere opvattingen.
Er is ook onderzoek dat ingaat op de samenhang tussen concentratie en sociaal-culturele integratie. Zo benadrukt Dagevos de effecten van etnische segregatie op de sociaal-culturele integratie van allochtonen. Het is bijvoorbeeld bekend dat allochtonen in concentratiebuurten minder relaties hebben met autochtone Nederlanders dan allochtonen in witte buurten (Bolt 2001; Dagevos, 2001; Van der Laan Bouma-Doff, 2005). Het is echter niet duidelijk in hoeverre het hebben van autochtonen in het vriendennetwerk leidt tot vergroting van de maatschappelijke kansen. Er is wel een positief effect geconstateerd op de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden (Dagevos en Veenman, 1996; Dagevos, 2001). Dagevos en Odé constateren grote verschillen tussen diverse etnische groepen in Amsterdam voor wat betreft segregatie en het contactpatroon: wie in concentratiewijken woont gaat vaker met leden van de eigen groep om dan wie in wijken woont waar weinig allochtonen wonen (Dagevos en Odé, 2003). In Amsterdam is deze samenhang het sterkst bij Antillianen en Surinamers. Bij Turken en Marokkanen is die samenhang veel minder sterk. Marokkanen in wijken met weinig allochtonen gaan toch vaak om met leden van de eigen groep. De vraag is altijd bij dit soort dingen wat oorzaak is en wat effect. Het gaat om samenhangen, niet om causale verbanden. Het is wel opvallend dat de Parlementaire Commissie die het integratiebeleid heeft onderzocht, de opvattingen ondersteunt die een oorzakelijk verband zien tussen sociaal-culturele integratie (het hebben van contacten met autochtonen) en sociaal-economische integratie (Blok et al, 2004).
Geconcludeerd kan worden dat de geconstateerde effecten van concentratie op de maatschappelijke positie van etnische minderheden gering zijn. Sommige onderzoekers zijn daar echter meer overtuigd van dan anderen.
3.3 Concentratie en integratie
De effecten van concentratie op de maatschappelijke integratie van etnische minderheden zijn niet even duidelijk. In een onderzoek naar de effecten van gemengd bouwen (dure en goedkope huizen in één buurt) blijkt dat differentiatie van buurten niet leidt tot meer sociale integratie. In buurten waar het woningaanbod is gedifferentieerd blijkt dat er geen positievere verstandhouding ontstaat en is er ook geen sprake van een socialisatiefunctie. De introductie van hogere inkomensgroepen in een buurt veroorzaakt bij grote inkomensverschillen zelfs nieuwe tegenstellingen langs klassenlijnen, zij het dat deze tegenstellingen niet zo sterk zijn als de tegenstellingen tussen diverse sociaal-culturele groepen in sociaal-economische homogene wijken. De effecten van differentiatie op andere maatschappelijke gebieden zijn wel positiever (Kleinhans et al, 2000).
4. Beleid
In Nederland zijn spreiding, concentratie, segregatie en differentiatie belangrijke themas geweest in het naoorlogse huisvestingsbeleid en bij architectonische ontwerpen. Die wens om in de bevolkingssamenstelling in te grijpen culmineert in de jaren negentig in het herstructureringsbeleid (Kleinhans et al, 2000). Maar door de overheid is er weinig beleid ontwikkeld om segregatie op een directe wijze tegen te gaan (Van Kempen et al, 2000). Wel is er beleid ontwikkeld dat in relatie staat tot integratie, zoals beleid dat gericht is op de verbetering van de leefomgeving.
4.1 Herstructureringsbeleid
Het herstructureringsbeleid is gericht op het mengen van de woningvoorraad op het niveau van buurten naar prijsklasse om zo de ruimtelijke concentratie van bewoners met een laag inkomen tegen te gaan. In nieuwbouwwijken worden woningen naar prijsniveau gemengd en in bestaande buurten worden woningen afgebroken om ze te vervangen door woningen van een ander prijsniveau. Concentratie van bewoners met een laag inkomen wordt als onwenselijk gezien en door het mengen van wijken wil de overheid veronderstelde negatieve effecten van een dergelijke concentratie voorkomen. Centraal hierbij staat de gedachte dat alleen in gemengde wijken sociale en culturele integratie mogelijk is. Men wil armoede bestrijden door armoede te spreiden.
Op deze gedachte achter het herstructureringsbeleid valt veel af te dingen. Musterd en Ostendorf (Van Kempen et al, 2000) hebben grote twijfels bij de veronderstellingen waarop het herstructureringsbeleid is gebaseerd. Volgens hen is armoede een individueel kenmerk dat vooral op individueel niveau en op het gebied van onderwijs en arbeidsmarkt aangepakt moet worden. Arend en Odé daarentegen vinden dit een te pessimistische gedachte over het herstructureringsbeleid (Arend en Odé, 2003).
Dit beleid van gemengd bouwen wordt sinds 1990 gevoerd en is in de loop der jaren steeds verder geïntensiveerd. In 1997 werd met het herstructureringsbeleid een ambitieuze stedelijke vernieuwing voorgesteld: in de door het beleid geselecteerde wijken moet het percentage sociale huur worden verlaagd van 65 naar 42 procent terwijl het aandeel koop zou moeten stijgen van 18 naar 45 procent (RMO, 2005). Beleidsmakers gaan door met het herstructureringsbeleid ondanks de sceptische geluiden van wetenschappers over mogelijke positieve effecten van herstructurering op de maatschappelijke integratie van allochtonen. Het streven naar een gemengde bevolking is een doel op zichzelf geworden (Uitermark en Duyvendak, 2005).
Voorts is er beleid gevoerd dat verband heeft met segregatie, maar geen direct effect heeft op segregatie. Dit betreft het beleid dat is gericht op een verbetering van de leefbaarheid van concentratiewijken en een versterking van de sociale cohesie in concentratiewijken. Ook gaat het dan om beleid dat is ontwikkeld om de maatschappelijke kansen van bewoners van achterstandswijken te vergroten.
4.2 Spreidingsbeleid
Spreidingsbeleid is een beleid waarbij mensen op grond van etniciteit in bepaalde wijken worden geplaatst of waarbij mensen op grond van etniciteit in bepaalde wijken geen woning mogen betrekken zodat zij over de stad gespreid worden. In Nederland is het invoeren van een spreidingsbeleid nooit van de grond gekomen. In 1972 heeft de gemeente Rotterdam naar aanleiding van de rassenrellen in de Afrikaanderwijk een spreidingsbeleid ingevoerd. In elke wijk mocht voortaan het aandeel Mediterranen, Surinamers en Antillianen de 5 procent niet overschrijden. Dit raadsbesluit werd een jaar later door de rijksoverheid geschorst en in 1974 vernietigd door de Raad van State. In 1979 kwam de gemeente Rotterdam met de nota Leegloop en toeloop en werd er een speciale commissie ingesteld die zich bezighield met het spreiden van migranten. Deze commissie moest migranten plaatsen in wijken waar het aandeel migranten onder 16 procent lag. Door maatschappelijk protest en kritiek uit wetenschappelijke hoek maakte de gemeente Rotterdam een eind aan het spreidingsbeleid dat tot dan toe weinig resultaten had geboekt (Bolt, 2004). In andere steden is nooit een officieel spreidingsbeleid gevoerd, wel vaak een verkapt spreidingsbeleid door de woningbouwcorporaties al dan niet in samenwerking met de gemeente. Dit kwam bijvoorbeeld aan het licht in 1993 in Tilburg. De corporaties en de gemeente waren daar zo onverstandig om dit beleid in een nota op te schrijven (Bolt, 2004).
Het spreidingsbeleid is echter terug op de politieke agenda door ontwikkelingen in Rotterdam. Daar is in 2003 een discussie op gang gekomen over de sterke toename van kansarmen in bepaalde wijken in de stad. Men heeft het over kansarmen en niet over allochtonen of migranten. Het is echter duidelijk dat de discussie met name over migranten gaat. In het najaar van 2004 is Rotterdam begonnen met een proef waardoor kansarmen (gedfinieerd als mensen met een inkomen lager dan 120 procent van het minimuminkomen) in bepaalde buurten of straten in Rotterdam geen woning kunnen betrekken in de huursector. Er wordt dus niet gespreid op basis van etniciteit maar op basis van inkomen. Spreiding vindt plaats door het sluiten van bepaalde buurten voor bepaalde categorieën huurders (de zogenaamde kansarmen).
De Commissie Gelijke Behandeling heeft in juli 2005 geoordeeld dat Rotterdam discriminerend bezig is door in sommige wijken te eisen dat nieuwkomers minimaal 120 procent van het minimumloon verdienen. Rotterdam zet zijn beleid echter door, daarin gesteund oor de regering. Op 1 januari 2006 is namelijk de 'Wet maatregelen grootstedelijke problematiek' in werking getreden. Op grond van deze Wet kan een gemeente voor bepaalde buurten extra eisen stellen aan nieuwkomers. Daarbij is in de Wet het inkomenscriterium van 120 procent vervallen ten gunste van het criterium inkomen uit arbeid. De Wet maakt het dus mogelijk in bepaalde buurten mensen te weren die geen inkomen uit arbeid hebben. Gemeente Rotterdam heeft in 2006 gebruik gemaakt van de Wet door een aantal buurten te benoemen waar deze vestigingseisen gesteld kunnen worden. Art.1 vindt de wet indirect discriminerend met name voor allochtonen en gehandicapten en, heeft dan ook zijn bezwaren kenbaar gemaakt toen het voorstel voor de wet werd gedaan. Tot nu toe zijn er bij de antidiscriminatiebureaus geen klachten binnengekomen die verband hielden met
Het bezwaar tegen een spreidingsbeleid is dat voor bepaalde categorieën mensen (migranten bijvoorbeeld) vrije vestiging beperkt wordt. Dat is een vorm van discriminatie. Voorts blijken de verwachtingen over het spreidingsbeleid als middel om sociale problemen op te lossen te hoog gespannen te zijn. De negatieve effecten van segregatie op de maatschappelijke kansen van migranten in Nederland blijken uit boven aangehaald onderzoek gering te zijn. Dus zal een spreidingsbeleid ook niet zo veel effect sorteren. Een spreidingsbeleid heeft ook onverwachte effecten. Een effectief spreidingsbeleid zal leiden tot een toename van allochtonen in wijken waar tot dan toe niet zoveel allochtonen wonen. Uit onderzoek blijkt dat een scherpe toename van het aandeel allochtonen in de buurt zorgt voor veel onrust en irritaties bij de autochtone bevolking. Een effectief spreidingsbeleid leidt dus tot meer onrust in de stad (Bolt, 2004). Een snelle verkleuring van een buurt leidt niet alleen tot negatieve opvattingen bij autochtonen, ook allochtonen krijgen daardoor negatieve opvattingen over autochtonen (Gijsberts en Dagevos, 2004). In buurten waar het aantal allochtonen toeneemt zijn er minder contacten tussen allochtone en autochtone bewoners en zulke contacten spelen een verzachtende rol in de beeldvorming over elkaar.
5. Toekomst
Segregatie op etnische afkomst zal blijven bestaan, hoe onwenselijk dat ook door veel mensen ervaren wordt. Over de oorzaken en vooral gevolgen van segregatie is er niet een algemene consensus. Beleidsmogelijkheden om segregatie tegen te gaan zijn beperkt. Meestal wordt overgegaan op een herstructureringsbeleid: het mengen van goedkope en dure woningen. Ook de Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid doet een pleidooi voor meer diversiteit in het woningaanbod van de grote steden en de randgemeenten. Dus meer dure woningen in de grote steden en meer goedkope woningen in de randgemeenten. Maar de verwachtingen ten aanzien van dit beleid zijn vaak te hoog gespannen. In Rotterdam wordt nu getracht een directer spreidingsbeleid op gang te brengen. Mengen van allochtonen en autochtone Nederlanders betekent echter niet automatisch dat allochtonen en autochtone Nederlanders meer met elkaar omgaan en dat problemen worden opgelost. Belangrijk is het wel om in buurten te blijven investeren
Eddie Nieuwenhuizen
Oktober, 2006
Literatuur
Bolt, G.S. (2000). De buurt als multiculturele samenleving. Uit: Rooilijn (33) 5, p. 242-249
Bolt, G.S. (2001) Wooncarrières van Turken en Marokkanen in ruimtelijk perspectief. Proefschrift Universiteit Utrecht
Bolt, G.S. (2004) Over spreidingsbeleid en drijfzand. Uit: Migrantenstudies 20(2), p. 60-73
Blok, S. A. et al (2004), Bruggen bouwen: Eindrapport Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid. Den Haag: Sdu.
Dagevos, J. (2001). Perspectief op integratie. Over de sociaal-culturele en structurele integratie van etnische minderheden in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
Dagevos, J. en Odé, A. (2003). Minderheden in Amsterdam : Contacten, concentratie en integratie.
Amsterdam: Wetenschappelijke Raad voor Amsterdam / SISWO
Deurloo, R. en Musterd, S. (1997) Gettos of etnische buurten ? Ruimtelijke concentraties allochtonen in Amsterdam. Uit: Geografie (6)6
Ergun, C. en Bik, M. (2003) Prognose bevolkingsgroepen Rotterdam 2017. Rotterdam: Centrum voor Onderzoek en Statistiek Gemeente Rotterdam
Gijsberts, M. en Dagevos, J. (2004). Concentratie en wederzijdse beeldvorming tussen autochtonen en allochtonen. Uit: Migrantenstudies 20(3), p. 145-168
Huis, L.T. van (2001) Spreiding van niet-westerse allochtonen over Nederland. Uit: Maandstatistiek van de Bevolking (49) 6
Jansen, J. (2006) Bepaalde huisvesting. Een geschiedenis van opvang en huisvesting van immigranten in Nederland, 1945-1995. Amsterdam: Aksant
Jongerden, J. (2000). Een gedeelde stad. Een case-study naar woningaanbodsystemen en differentiatie binnen wijken in Apeldoorn, Arnhem en Nijmegen. Arnhem: Osmose
Kempen, R. van, Hooimeijer, P., Bolt, G.S. , Burgers, J., Musterd, S., Ostendorf, W. en Snel, E. (2000). Segregatie en concentratie in Nederlandse steden. Mogelijke effecten en beleid. Assen: Van Gorcum
Kempen, R. van en Idamir. M. (2003) Housing allocation and ethnic minority groups the effects of different housing housing allocation models on Moroccan households in two Dutch cities. Uit: Journal of Housing and the Built Environment (18) 3, p. 257-268
Kleinhans, R., Veldboer, L. en Duyvendak, J.W. (2000). Integratie door differentiatie ? Een onderzoek naar de sociale effecten van gemengd bouwen. Den Haag, Min. van VROM
Laan Bouma-Doff, W. van der (2005). De buurt als belemmering? Assen: Koninklijke van Gorcum
Lindner, L. (2002). Ruimtelijke segregatie van afkomstgroepen in Den Haag : Wiens keuze? Den Haag: Bureau Discriminatiezaken
Montfort, A.G.J.M. (1992) Gemeentelijke woonruimteverdeling in de praktijk. Uit: Stedebouw en Volkshuisvesting (73) 4, 16-21
Ostendorf W., Musterd S. en Vos S. de (2001). Social Mix and the Neighbourhood Effect. Policy Ambitions and Empirical Evidence. Uit: Housing studies (16)3, p. 371-380
RMO (2005). Eenheid, verscheidenheid en binding. Over concentratie en integratie van minderheden in Nederland. Den Haag : Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)
SCP (2003. Rapportage minderheden 2003: Onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
SCP, WODC en CBS (2005). Jaarrapport Integratie 2005. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), Wetenschappelijk Documentatie- en Onderzoekscentrum (WODC), Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Tesser, P.T.M., Dugteren, F.A. van en Praag, C.S. van (1994. Rapportage minderheden 1994. Ruimtelijke spreiding van allochtonen. Ontwikkelingen - achtergronden - gevolgen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
Uitermark. J. en Duyvendak, J.W. (2005). De bestuurbare buurt. Uitdagingen voor onderzoek en beleid op het gebied van sociale menging. Uit: Migrantenstudies 21 (2), 87-101
Uunk, W. (2002). Concentratie en achterstand. Over de samenhang tussen etnische concentratie en de sociaal-economische positie onder allochtonen en autochtonen. Assen: Van Gorcum
Uunk. W. en Dominguez Martinez, S. (2001) Wijken in beweging: migratie in en uit concentratiewijken.
Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam - ISEO






