Geschokt, gekwetst, verontrust?
Journalisten en de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting
door Harry Coerver - 01.11.2002
Dossiers: Jurisprudentie, Media en berichtgeving
Voor journalisten is het dagelijkse kost om gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting die in wetten en verdragen is vastgelegd. Strafrechter en civiele rechter moeten regelmatig een oordeel geven over de manier waarop de journalist die vrijheid gebruikt. Harry Coerver, zelf journalist, schrijft over de ruime, maar vage, grenzen van de vrije meningsuiting voor journalisten die in wetten, verdragen en vooral in de jurisprudentie verborgen liggen.
Het grondrecht van de vrije meningsuiting en vooral de grenzen van dat recht zijn steeds opnieuw onderwerp van soms emotionele en publieke discussies. Vorig jaar bijvoorbeeld was het een uitspraak van RPF-Tweede Kamerlid Leen van Dijke die in het tijdschrift Nieuwe Revu homoseksualiteit vergeleek met diefstal die voor beroering zorgde. Meer recent waren het uitspraken van imam El Moumni. Hij zou in een uitzending van Nova homoseksualiteit als een besmettelijke ziekte en schadelijk voor de gezondheid hebben omschreven. Dit voorjaar bracht de moord op Pim Fortuyn weer een discussie op gang over de vraag of politici en journalisten op strafbare wijze haat hadden gezaaid tegen deze politicus. Het advocatenduo Spong en Hammerstein deden zelfs aangifte bij het openbaar ministerie.
Grens meningsvrijheid moeilijk te ontdekken
Het recht van vrije meningsuiting, ooit in de grondwet opgenomen om censuur van de overheid tegen te gaan, moet inmiddels niet alleen de vrijheid garanderen tegenover de overheid, maar ook tegenover medeburgers. In die laatste functie staat dat recht nu vaak in het brandpunt van de belangstelling. Als journalisten artikelen schrijven of uitzendingen verzorgen waar mensen zich aan storen, dan staat het recht op vrije meningsuiting op gespannen voet met andere (grond)rechten van medeburgers.
Iedere keer weer blijkt dat het moeilijk is de grenzen van de meningsvrijheid te ontdekken. Zowel Van Dijke als El Moumni werden door de rechter vrijgesproken. En als het tot de rechtszaak komt die Spong en Hammerstein willen, is de kans zeer groot dat de rechter de door het advocatenduo van haat zaaien beschuldigde politici en journalisten vrijspreekt. Blijkbaar zijn de grenzen van de vrijheid van meningsuiting ruimer dan menigeen denkt. Die grenzen zijn overigens niet alleen ruim, maar vooral ook vaag. Dat begint al met het grondwetsartikel over de vrijheid van meningsuiting. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om zijn gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De grondwetgever zegt niet duidelijk wat wel en niet mag. Het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens (EVRM) is, zoals verderop blijkt, al een stuk duidelijker in dat opzicht. Wie naar de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zoekt, zal dus de wet moeten verkennen.
Rechter moet duidelijkheid brengen
Voor strafzaken is het Wetboek van Strafrecht (Sr.) van belang, als het gaat om de grenzen van de uitingsvrijheid bij journalisten. Daarin worden onder meer strafbaar gesteld de belediging (smaad, laster en eenvoudige belediging, art 261-271 Sr.), enkele bijzondere beledigingen, zoals de belediging van de koning of het hoofd van een bevriende staat (artikel 111-114 Sr.), belediging van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid en ook het aanzetten tot haat tegen deze groepen (artikel 137c 137e Sr.). Verder is strafbaar de smalende godslastering (artikel 147-147a en 429bis Sr. ) en opruiing (131-134 Sr.). Komt een zaak niet bij de strafrechter maar bij de civiele rechter terecht, dan gaat het meestal over het wetsartikel van de onrechtmatige daad uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 6:162 BW).
Maar ook al deze wetsartikelen zijn vaag en ruim geformuleerd, waardoor het moeilijk is meteen de grens van de vrijheid van meningsuiting te bepalen. Neem bijvoorbeeld artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel verbiedt het beledigen en discrimineren, aanzetten tot haat of het gewelddadig optreden tegen een groep mensen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid. Er zijn duidelijk meer groepen denkbaar die beledigd of gediscrimineerd kunnen worden. Die zijn niet in dit wetsartikel opgenomen. Bijvoorbeeld groepen met hetzelfde geslacht, nationaliteit of sociale klasse. Ook uit het artikel over de onrechtmatige daad is niet meteen af te leiden wat wel of niet mag als het gaat om vrijheid van meningsuiting. Zo luidt het tweede lid van dat artikel: "Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt ( )". Het ongeschreven recht en de betamelijkheid zijn ook al geen criteria die meteen veel helderheid verschaffen. Het is dan ook vaak de rechter die helderheid moet brengen.
De rechter blijkt in iedere zaak opnieuw vooral te kijken naar de specifieke omstandigheden van het geval. Hij weegt in het concrete geval de in het geding zijnde belangen tegen elkaar af. Vaak zijn dat botsende grondrechten. Het grondrecht van vrije meningsuiting staat dan tegenover het recht om niet gediscrimineerd te worden, of het recht om beschermd te worden in zijn persoonlijke levenssfeer.
Meer ruimte voor journalisten
Journalisten krijgen van de rechter meer ruimte om gebruik te maken van hun vrijheid van meningsuiting dan anderen. De rechter houdt er rekening mee dat de journalist ook een algemeen belang dient. De pers en andere media vervullen een onmisbare functie in het democratisch bestel. De democratie kan pas goed functioneren als informatie vergaard en doorgegeven kan worden. Meningen moeten in alle openbaarheid kunnen botsen. De rechter gaat zelfs zover de journalist rechten te geven die niet in de wet terug te vinden zijn. Zo kan de journalist zich in veel gevallen beroepen op een verschoningsrecht. In een rechtszaak zal hij dan de identiteit van bepaalde informatiebronnen die hij voor zijn berichten gebruikte, niet openbaar hoeven te maken. De strafrechter kan voor een bevoorrechte behandeling van de journalist soms gebruik maken van de tekst van de wet. Zo wordt er in de wetsartikelen over discriminerende uitlatingen (art. 137e Sr.) een uitzondering gemaakt voor zakelijke berichtgeving. Van eenvoudige belediging is geen sprake bij gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen (
). Bij smaad en smaadschrift (art 261 Sr.) kan een rol spelen of er een algemeen belang in het spel is.
Hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar
De meeste rechtszaken waarbij de vrijheid van meningsuiting van een journalist aan de orde is, komen bij de civiele rechter terecht. Die kan geleden schade laten vergoeden en ook een rectificatie bevelen (BW 6:167). De civiele rechter gebruikt meestal een arrest van de Hoge Raad uit 1983 als richtsnoer. De cruciale overweging van de Hoge Raad in dat arrest was de volgende:
"Bij de hier aan de orde zijnde vraag of gehandeld is in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval."
De Hoge Raad noemt een aantal van die omstandigheden van het geval. Ook andere dan de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden zijn in de jurisprudentie een rol gaan spelen. Wie die omstandigheden overziet, moet concluderen dat een serieuze journalist die zich aan elementaire journalistieke regels houdt als hoor en wederhoor en serieuze onderbouwing van het feitenmateriaal door de rechter weinig in de weg gelegd zal worden, zeker als het gaat om een onderwerp dat in de publieke belangstelling staat. Bijvoorbeeld politieke kwesties. Ook als de journalist bericht over een publiek bekende man of vrouw die zelf ook de publiciteit zoekt, bijvoorbeeld een politicus, dan is zijn positie in de belangenafweging van de rechter extra sterk.
EVRM
Als de rechter toch tot de conclusie komt dat bewezen is dat de journalist met een publicatie een strafbaar feit heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld, dan is de kwestie nog niet afgehandeld. Het veroordelen van de journalist is een beperking op diens vrijheid van meningsuiting. En die wordt niet alleen door nationale wetgeving beschermd, maar ook door internationale verdragen. Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geeft, beter dan artikel 7 uit onze grondwet, aan wanneer zon beperking niet geoorloofd is.
Die beperkingen moeten noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van een aantal met name genoemde belangen: de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, het voorkomen van de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen of het waarborgen van de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.
De zwaarste eis die het EVRM stelt, is dat de beperking noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Zo kan het gebeuren dat de journalist inderdaad een onrechtmatige daad of een strafbaar feit begaat, maar dat de rechter toch niet tot een veroordeling komt, omdat dit een beperking van de meningsvrijheid zou zijn die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Uitlatingen mogen schokken, kwetsen of verontrusten
De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens laat zien dat de journalist heel ver kan gaan in zijn werk, voordat het tot een veroordeling mag komen. Volgens de rechters van het Hof in Straatsburg is de vrijheid van meningsuiting van de media er niet alleen om informatie en ideeën te verspreiden die iedereen aardig vinden. Die vrijheid is er ook om denkbeelden en ideeën te verspreiden die schokken, kwetsen of verontrusten.
Sinds het midden van de jaren negentig laat de Nederlandse rechter in zijn oordelen expliciet weten dat hij rekening heeft gehouden met het EVRM. Dat was niet toevallig. Begin 1995 werd Nederland hardhandig op de vingers getikt door de rechters in Straatsburg. Die oordeelden dat Nederland het verdrag niet hadden toegepast in een zaak die handelde over de inbeslagname van een ultralinks blaadje met de naam Bluf!. Sindsdien blijkt soms expliciet uit de oordelen van de Nederlandse rechter dat onrechtmatig of strafbaar handelen niet automatisch voldoende is om de vrijheid van meningsuiting te beperken, zoals artikel 7 van de grondwet doet vermoeden.
Er is een keur van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die de Nederlandse rechter tot richtsnoer kunnen dienen en ook dient als die moet oordelen over het werk van journalisten. Op het terrein van de rassendiscriminatie bijvoorbeeld heeft de zaak van de Deense journalist Jersild interessante jurisprudentie opgeleverd. De rechters van het EHRM vinden dat de journalist de vrijheid heeft om racistische denkbeelden te verspreiden als die blijkbaar leven in sommige bevolkingsgroepen en de journalist daarover bericht. Daarbij moet hij er wel voor zorgen dat duidelijk is, dat niet hij, maar anderen die racistische denkbeelden uiten.
Dat journalisten het recht hebben om met hun vrijheid van meningsuiting te schokken, te kwetsen of te verontrusten met hun uitingen, is iets dat het sterkst tot uitdrukking komt in het werk van columnisten. Columnisten, maar ook bijvoorbeeld tekenaars van spotprenten of schrijvers in literair satirische tijdschriften, werken vaak in de grensgebieden van de vrijheid van meningsuiting. Zij kunnen het heel bont maken, voordat een rechter hen terecht wijst. Zo heeft vanaf midden jaren tachtig tot begin jaren negentig een hele stoet rechters steeds opnieuw een oordeel moeten geven over een essay van filmer-schrijver Theo van Gogh dat deze publiceerde onder de titel "Een Messias zonder kruis. Enige kanttekeningen bij Leon de Winter". Voor de ene rechter was er geen sprake van strafbaarheid in de, voor joodse mensen, pijnlijke uitspraken van Van Gogh, voor de ander wel. En toen de zaak voorbij leek, begon alles weer van voor af aan, omdat het essay opnieuw werd gepubliceerd. Uiteindelijk werd Van Gogh vrijgesproken, omdat de rechter vond dat "niet onmiskenbaar is, dat de uitlatingen (van Van Gogh) geheel overbodig of onnodig grievend zijn."
Voorbeelden van zaken waarbij een rechter een column strafbaar of onrechtmatig oordeelt zijn met een vergrootglas te zoeken in de Nederlandse jurisprudentie. Soms kom je eentje tegen, zoals in de VPRO-gids in 1990. Daar beschreef een columnist onder de kop dikke lul over het doen en laten van een lid van de Centrumpartij. Daar was de grens opeens niet meer vaag. Volgens de president van de Amsterdamse rechtbank was die duidelijk overschreden.
Mr. Harry Coerver is journalist bij Dagblad De Limburger. Zijn doctoraalscriptie "De journalist voor de rechter" is aanwezig in het Art.1-documentatiecentrum.
Dit artikel is verschenen in Zebra Magazine 4 / november 2002.







