Een les over jeugdcriminaliteit
'Confronteer de ene beeldvorming met de andere'
door Hermine Wiersinga - 01.12.2001
Dossier: Politie en justitie
In een sfeer van 'zero tolerance' is de roep luid om een harde aanpak van jeugdige criminelen. Dat de kleine criminaliteit stijgt lijkt een hard gegeven, maar welke werkelijkheid geven de cijfers nu eigenlijk weer? Hoe moet je reageren op een niet-aflatende stroom negatieve berichten over 'Marokkaanse probleemjongeren'? Hermine Wiersinga geeft in onderstaand essay haar recept voor het loslaten van vooroordelen en clichés.
Een 'Marokkaanse jeugdbende' maakt de Amsterdamse wallen onveilig, wist het Parool in 1988 te melden. Anno 2001 is de opschudding die over dit bericht ontstond moeilijk meer na te voelen. Het was indertijd voor het eerst, dat een dergelijk, stigmatiserend gevonden etiket werd geplakt op een allochtone minderheid; rechtbankverslaggevers die voor de `serieuze' bladen schreven plachten het niet ethisch te vinden de allochtone achtergrond van daders te vermelden. En zo was de berichtgeving in het Parool de daadwerkelijke doorbreking van een taboe.
Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks
De tijden zijn veranderd. Wij zijn eraan gewend in de media te lezen over 'Marokkaanse boefjes', die met name de grote steden onveilig maken. En de toonzetting is de afgelopen jaren verhard. Het algemene beeld is dat politie en justitie er niet in slagen dit type misdaad effectief te bestrijden. De zogenoemde harde kern van jonge criminelen - waaronder opvallend veel Marokkanen en Antillianen - is niet gevoelig voor 'zachte' methodes; goede gesprekken, taakstraffen en korte vrijheidsbeneming halen niets uit.
Ergo: het wordt tijd om alles uit de kast te halen. Na het rapport van de commissie Van Montfrans over jeugdcriminaliteit van 1994, is het jeugdstrafrecht in 1995 al ingrijpend verzwaard - het is daadwerkelijk mogelijk ook daders tussen de twaalf en de zestien hard aan te pakken - en justitie heeft intussen ook enige greep op de jongste groep dadertjes. Bepleit wordt nog meer 'interventie'. Wie niet horen wil, moet maar voelen. Nu moet erbij gezegd worden, dat deze roep algemener in de samenleving klinkt, en dus niet alleen geldt ten aanzien van (al dan niet allochtone) jongens die op het verkeerde pad zijn geraakt.
Het zijn niet alleen de hoofdcommissarissen van politie, die roepen om meer handhaving. Ook serieuze onderzoekers stellen een 'beschavingsoffensief' voor, waarin de jeugd er weer in, en aan geloven moet. Normen en waarden dienen opnieuw bijgebracht te worden, en als dat niet goedschiks gaat, dan maar kwaadschiks. Het taboe lijkt ook hier definitief doorbroken.
Angst is een voedingsbodem voor erger
Ik woonde op 26 september 2001 de presentatie bij van het boek van Gabriël van den Brink, Geweld als uitdaging. De betekenis van agressief gedrag bij jongeren (NIZW 2001). Hoezeer ook de wetenschappers bij dit symposium elkaar op ouderwetse wijze in de haren vlogen over de gehanteerde wetenschappelijke verklaringen voor de oorzaken van criminaliteit, men was het over een paar dingen eens. De gewelddadige criminaliteit, gepleegd door jeugdigen stijgt. Daarop moet een reactie komen. Ook als het niet gaat om hals- of levensdelicten, maar om overlast en `hinderlijke' criminaliteit, en ook als de daders behoren tot minderheidsgroepen. En dat laatste - de allochtonie van de daders en dadertjes - moet niet worden verbloemd. Theo de Roos, hoogleraar strafrecht in Leiden, gaf als voorbeeld de 'zwembadcriminaliteit'. Groepjes (vooral) Marokkaanse jongens pesten elkaar en anderen, meisjes worden lastiggevallen, er wordt gevochten en gepikt, en badmeesters die hiertegen willen optreden worden vierkant uitgelachen. Dat heeft al tot zwembadsluitingen geleid, maar bovendien tot intense haatgevoelens bij andere kinderen, die ook elders - op schoolpleinen, op basketbalveldjes, in de supermarkten - met dit soort `lichte' criminaliteit te maken krijgen. Angstige en boze gevoelens bij kinderen, dat is een voedingsbodem voor erger.
Vermijdingsgedrag
Ik geef nog een voorbeeld uit mijn huidige werkkring, om aan te geven dat het om een serieus en levend probleem gaat, waarbij feiten en beeldvorming over feiten door elkaar heen lopen. Als universitair docent straf(proces)recht in Leiden discussieer ik met grote regelmaat met groepen studenten. Binnen de staf bestaat een soort stilzwijgende afspraak, geen aanleiding te geven voor discriminatie, racisme of wat voor -isme dan ook. In onze leerstof, waarin veel casuïstiek, fungeren Koos, Cor en Joop als de prototypes van een soort ouderwetse penoze. Een typisch geval van vermijdingsgedrag. Onze studenten (Ja, meestal Jan Willem, Jeroen en Frederique) valt dit voorlopig niet op. Voor hen is, denk ik wel eens, elke verdachte en elke misdadiger voorlopig nog iemand van een andere planeet. Kiezen zij voor de afstudeerrichting strafrecht, dan verandert dit. Zij zijn verplicht een bezoek aan een penitentiaire inrichting te brengen en dat is dan vaak voor het eerst dat zij worden geconfronteerd met the real thing. Ik ben er niet helemaal gerust op dat het effect positief is. Want wat zien zij? Vooral heel veel gedetineerde Surinamers, Antillianen en Marokkanen. Koos, Cor en Joop zijn met een lantarentje te zoeken, althans in de grootstedelijke inrichtingen. Bevestigen, of vestigen wij hier misschien een paar vooroordelen?
Hoopgevend is anderzijds dat studenten met gedetineerden praten. Hoe simplistisch het ook klinkt, het verandert voor heel veel studenten de wereld echt een beetje. Ze bespreken met Reggi Graanoogst over de doodstraf in Amerika, en met Mohammed Eldrissi over artikel 140 Sr (het 'deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven') en ze ontdekken dat ze met deze clevere jongens kunnen praten!
Achteraf wordt er door de studenten met enige regelmaat gediscussieerd over de etnische herkomst van de gedetineerden. Dat zijn moeilijke discussies, moeilijk voor de docente en ook voor de enkele allochtone student of studente, naar wie dan opeens zo schuins gekeken wordt: wat zou díe ervan vinden? Als studenten de schaamte voorbij zijn, komen er flink wat stereotiepen op tafel. Ik ben dan blij als zich in zo'n groep iemand bevindt die enig realistisch weerwerk kan bieden. Ik zal nooit vergeten, dat een student-agent met een langdurige grootstedelijke ervaring zich in zo'n groep eens als volgt uitliet over Marokkaanse boefjes: "ze zuigen en ze treiteren. Toch heb ik geen hekel aan die jongens. Het is ook een soort sport. Waar ik een enorme hekel aan heb, dat zijn van die Amstelveense witteboordenheiligen". Het ene cliché voor het andere, maar toch.
De nijpende vraag blijft: hoe moet je reageren op zoveel - en zo stellig gebrachte - negativiteit?
Moet je als politieambtenaar, docent, rechter enzovoorts blijven doen of je neus bloedt?
Recept
Ik geef mijn 'recept' voor wat het waard is. Mijn lijn is ongeveer als volgt:
1) Ik bespreek de rol van cijfers. Tegenover als onjuist ervaren beeldvorming probeert men immers nogal eens cijfermatige `waarheden' te plaatsen. Nu zijn misdaadcijfers niet neutraal. Enerzijds wordt door de meeste onderzoekers aangenomen dat geweldpleging door jongeren tamelijk fors is toegenomen. Anderzijds is het zo (bijvoorbeeld volgens Van den Brink in bovengenoemd boek) dat de tolerantie van de omgeving meetbaar afneemt. Volgens hem reageert de omgeving normatiever dan ooit. Zero tolerance! Er wordt eerder bij de politie geklaagd, men ervaart spoediger overlast van jongeren en men pikt dat niet meer. Het aantal (geregistreerde) klachten neemt toe ook bij gelijk gebleven, objectief vast te stellen gedrag. Bovendien gaat de politie, al dan niet van boven af aangestuurd allicht actiever registreren. Cijfers verklaren op zichzelf weinig, cruciaal is hun interpretatie en daarom ontkomen zij niet aan allerlei irrationele beeldvormende factoren. Ander voorbeeld: stel, dat er met grote wetenschappelijke zekerheid kon worden vastgesteld, dat in Nederland het relatieve aandeel van allochtone en autochtone jongens aan jongerencriminaliteit precies even groot was. Zou dat iets afdoen aan een ander 'feit', namelijk dat in 1999 in de regio Utrecht (volgens opgave van de politie) een onevenredig aantal (56 %) van de jongeren tussen de 18 en de 24 jaar in de categorie met 10 of meer antecedenten blijkt een Marokkaanse achtergrond te hebben? Men kan uit zo'n gegeven dan hooguit afleiden dat tegenover de Marokkaanse oververtegenwoordiging hier elders een grote autochtone 'inbreng' moet bestaan. Verschillen in plaats - en tijd - kunnen dramatisch groot zijn. Het geweld in het weekeinde rond een plattelandsdicotheek - zou wel eens veel groter (maar minder opvallend, en dus minder gesignaleerd) kunnen zijn dan het met de camera geregistreerde geweld in stadscentra. Cijfers kunnen nuttig zijn, maar het blijft moeizaam argumenteren.
2) Cijfers zijn bovendien statisch en vertellen ons weinig over de toekomst. Bovengenoemde 'zwembadcriminaliteit' is in termen van strafrechtelijke ernst eigenlijk peanuts. Het gaat om vergaande vormen van overlast maar de diefstal van een badhanddoek en het roepen van schunnigheden naar meisjes is in strafrechtelijk perspectief tamelijk overkomelijk. De onrust die erdoor ontstaat is deels ook angst voor de toekomst. Nu is het nog een handdoek, maar straks staat dit jongetje op de uitkijk bij een woninginbraak en op zijn achttiende is hij een doorgewinterde overvaller. De attitude van sommige van deze jongens (men schat: enkele honderden), hun wezenlijke ongrijpbaarheid en de onaanspreekbaarheid is angstaanjagend. Veelvuldige contacten met allerlei instanties zijn geen uitzondering; ze baten hier niet. Al heel jong weet dit type daders de boel handig te manipuleren. Er is op gewezen, hoe lucratief de misdaad is vooral voor hen, die geen loopbaanalternatief hebben. Er is op de voorbeeldfunctie gewezen van de oudere jongens, en de onmacht van de ouders bij de opvoeding van hun kinderen. Maar hoe de verklaringen ook luiden, ze geven weinig indicaties voor de toekomst en de meest wijze aanpak van dit soort jeugdigen. Wat blijft, is dat juist de jeugdige leeftijd van de daders maakt dat men met sancties voorzichtig blijft, ondanks de roep om een hardere aanpak van de 'harde kernjongeren' vanuit het opsporingsapparaat. Intussen: er ligt dus een niet-cijfermatig probleem.
3) Kan tegen deze somberte dan niets positiefs worden gesteld? Ik kan natuurlijk benadrukken dat de overgrote meerderheid, ook onder allochtone jongeren, níet crimineel is, dat die meerderheid het goed (en steeds beter) doet. Dat is uiterst belangrijk en rechtvaardig tegenover al die jongens en meisjes, die zich gegriefd of plaatsvervangend beschaamd voelen, omdat zij geheel ten onrechte met een scheef oog worden aangekeken (of dat gevoel hebben). Ik benadruk ook dat er succesvolle projecten zijn die wel effectief lijken te zijn en die taakstraffen creatief invullen.
Laten alsjeblieft zoveel mogelijk Rachids, Otmans en Aicha's studeren, voorbeeldposities verwerven en het goed doen in het leven. Het is voorts belangrijk om te beseffen, dat 'de' Nederlanders evenmin lieverdjes zijn en een belaste - bijvoorbeeld koloniale - geschiedenis kennen.
Toch blijven dit omtrekkende bewegingen. De falende aanpak van justitie blijft, net als de treurige verhalen van de vele onvoltooide taakstraffen blijven, de vergeefse hulpverlening en de mislukte reclassering, en daarbij de voortgaande recidive.
4) Ik geef aan mijn strafrechtstudenten ten slotte de volgende 'instructie'. Allereerst: aanvaard dat beeldvorming - altijd grof, en nooit juist - onvermijdelijk en noodzakelijk is. Achter de gepercipieerde werkelijkheid zit geen andere, 'echte werkelijkheid', alleen een genuanceerdere, nieuwe perceptie. Beelden zijn er echter om bijgesteld te worden. Bekijk ze dan ook nauwkeurig. Ga naar gevangenissen, praat met gedetineerden, praat met je buurvrouw en met jezelf. Onthoud je zo lang mogelijk van normatieve beoordelingen, schort je indrukken op. In de strafrechtspleging zul je, aan het begin van het strafrechtelijk traject, heel veel stereotypen tegenkomen die in het begin van het traject onvermijdelijk lijken. De zogenoemde 'daderprofielen' - soms behoorlijk discriminerend als je door het verhullend taalgebruik heenprikt - zijn echter niet bedoeld als afbeelding van de werkelijkheid, maar als hulpmiddel bij de opsporing. Laat ze dus op tijd weer los. Een groepje Marokkaanse of Antilliaanse jongens krijgt politieaandacht. Laat die aandacht, die wordt overgenomen door de professionele strafjurist, zich verdiepen in de loop van het proces, zodat stereotiepen vervagen en er persoonlijker, individueler en indringender gecommuniceerd kan worden. Dat kan niet op recept; dat vereist een open attitude en de bereidheid, bepaalde ideeën los te laten. Meer kun je niet doen.
Ja, het is toch een beetje een preek. Maar het is wel een attitude, die jegens elke verdachte in acht zou moeten worden genomen. Ook Koos, Cor en Joop bestaan immers niet. En Fatima - die ook rechten studeert - begrijpt dat best.
Ik hoop dat dit zo ongeveer de lijn is, die ook de onlangs ingestelde 'permanente Nederlands-Marokkaanse dialooggroep' (die zich gaat buigen over Marokkaanse jeugdcriminaliteit) wil volgen. Dat zou mij een stap in de goede richting lijken. Het accent moet wat mij betreft van statische, 'wetenschappelijke' modellen en cijfers worden verschoven naar de confrontatie van de ene beeldvorming met de andere, en een telkens opnieuw loslaten van vooroordelen en clichés. Vandaar dat dit een nogal pedagogisch stuk is geworden.
Mr. Hermine C. Wiersinga is Universitair Docent straf(proces)recht in Leiden.
Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 4 / december 2001.
Meer weten over jeugdcriminaliteit?






