Hof verklaart beklag over niet-vervolging horecadiscriminatie ongegrond
door Dick Houtzager - 01.12.2001
Dossier: Jurisprudentie
Verzoeker, I. A., is eind 1999 en begin 2000 in korte tijd door twee Utrechtse discotheken, waaronder De Dansfabriek, de toegang geweigerd. Hij heeft hierover het oordeel gevraagd van de Commissie gelijke behandeling. In het geval van de Dansfabriek oordeelde de Cgb dat die onderscheid naar ras had gemaakt (Cgb-oordeel 2000-85). A. heeft over weigering van de Dansfabriek en over naar zijn mening racistische opmerkingen door de portier daarvan, De V., aangifte gedaan bij de politie. Naar aanleiding van de aangifte tegen De Dansfabriek en de portier is de Utrechtse Officier van Justitie met De V. een transactie overeengekomen: door betaling van fl. 500,- kon hij vervolging voorkomen.
Tegen deze gang van zaken heeft A. een beklagprocedure bij het Amsterdamse gerechtshof ingesteld op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering. Hij beklaagt zich onder andere over de beslissing van de OvJ om de exploitant van De Dansfabriek niet te vervolgen.
Het hof heeft op 17 mei 2001 het beklag ongegrond verklaard.
Daartoe overwoog hij onder meer:
Blijkens het proces-verbaal is de rechtspersoon die de discotheek exploiteert niet als verdachte aangemerkt en de OvJ is het kennelijk met deze beslissing eens geweest. Noch de OvJ, noch de Advocaat-generaal reppen van de mogelijkheid dan wel de wenselijkheid van vervolging van de rechtspersoon of haar bestuurders. Hoezeer ook een standpunt daaromtrent wenselijk zou zijn geweest, de keuze van de OvJ om alleen de portier als dader aan te merken, valt volgens het hof te billijken. Hij verwijst daarbij naar bijlagen bij het klaagschrift, waaruit blijkt dat het deurbeleid van horecagelegenheden in Utrecht in ander verband aan de orde zal komen.
Wat de transactie van fl. 500,- met de portier betreft, overweegt het hof dat te verwachten is dat de strafrechter bij het eventueel opleggen van een boete niet in relevante mate zal afwijken van dat bedrag. Onder deze omstandigheden is strafvervolging niet aangewezen. Beide onderdelen worden daarom ongegrond verklaard.
Commentaar:
De twee aangehaalde oordelen van de Commissie gelijke behandeling waren voor het LBR en het bestuur van het Utrechtse Steunpunt Anti-discriminatie, STAD, aanleiding om in januari 2001 een brief te sturen aan de beheersdriehoek van Utrecht (burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofd van de politie). In de brief, waar het hof in de onderhavige beslissing naar verwijst, werd gepleit voor een consistente aanpak van discriminatie door horecagelegenheden. In oktober heeft de Gemeente een nieuw beleid bekend gemaakt, waarin geconstateerde discriminatie aanleiding kan zijn om de vergunning in te trekken.
De beslissing van het hof illustreert dat het weigeren van etnische minderheden door discotheken een moeilijk uit te roeien verschijnsel is. Al twintig jaar geleden bepaalde de Hoge Raad (24 november 1981, RR 1995, 34), ook in een Utrechtse zaak, dat het weigeren van etnische minderheden door een discotheek strafbaar is. Sindsdien blijkt uit verschillende bronnen dat een avondje discobezoek voor veel allochtone jongeren onmogelijk is.
Het optreden van het OM in deze zaak roept vraagtekens op. In 1999 vaardigde het College van Procureurs-generaal de Aanwijzing Discriminatie uit. In verband met de 'negatieve werking bij onvoldoende handhaving en de voorbeeldfunctie die van een strafvervolging uitgaat', is daarin als hoofdregel opgenomen dat alle discriminatiezaken in beginsel met een dagvaarding bij de rechter worden aangebracht. Alleen in lichtere zaken kan een transactie worden aangeboden. In de Aanwijzing wordt uitdrukkelijk gewezen op het verband met de Drank- en Horecawet. Die bepaalt dat de horecavergunning wordt ingetrokken, als de exploitant tot twee maal toe onherroepelijk is veroordeeld tot een boete van meer dan fl. 1000,- wegens overtreding van de discriminatieartikelen 137g en 429quater van het Wetboek van Strafrecht.
Kennelijk heeft de Officier dit geval beoordeeld als een lichtere zaak. Gelet op het terugkerende verschijnsel van horecadiscriminatie, en het belang dat het hoogste echelon van het OM, het College van Procureurs-Generaal, blijkens de Aanwijzing Discriminatie hecht aan de mogelijkheid om de horecavergunning in te trekken, is dit niet begrijpelijk. In dit verband dient ook gewezen te worden op een uitspraak van de Politierechter Haarlem van 19 juni 2000 (parketnr. 15/070992-99). In deze, overigens summier gemotiveerde, uitspraak werd een portier van een disco te Zaandam wegens het weigeren van de toegang tot een geldboete van fl. 2000,- veroordeeld. De politierechter nam hier niet de (lichtere) overtreding van 429quater, maar het misdrijf van art. 137g Sr als basis voor de veroordeling. Overigens loopt de vergunning van exploitant van de Zaanse disco geen gevaar, omdat slechts de portier, en niet de exploitant zelf, veroordeeld is.
Een horeca-exploitant zal in het algemeen niet onder de indruk zijn van een transactiebedrag of een boete van duizend gulden, een bedrag dat niet meer is dan een fractie van de baromzet op een gemiddelde zaterdagavond. Het mogelijk intrekken van de vergunning daarentegen, zou een voldoende dwangmiddel moeten zijn om het deurbeleid aan te passen. Daar moet het OM dan wel de basis voor leggen, en met een adequate strafvervolging komen.
Dick Houtzager is juridisch beleidsadviseur bij het LBR.
Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 4 / december 2001.






