mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Hoge Raad bakent begrip..

Hoge Raad bakent begrip 'openbaarheid' af

door Carolina de Fey - 01.12.2001

Dossier: Jurisprudentie

Tags: discriminatie ras, rechts-extremisme, rechtspraak, strafrecht, vrijheid van meningsuiting

De Hoge Raad heeft op 29 mei 2001 twee arresten gewezen over uitlatingen gedaan in het openbaar.

In de zaak Glimmerveen (LJN-nummer: AB1817 Zaaknr: 00073/00) is door verdachte twee vergaderingen georganiseerd die beide plaatsvonden in gelegenheden die voor een ieder vrij toegankelijk zijn, nl. een partycentrum in Rotterdam en een café in Schiedam.
Op die vergaderingen heeft verdachte aangezet tot haat tegen en discriminatie van mensen vanwege hun ras. Beide vergaderingen zijn bijgewoond door journalisten die vervolgens verslag hebben uitgebracht in de media.
Verdachte is telastegelegd het in het openbaar mondeling aanzetten tot haat tegen en discriminatie van mensen vanwege hun ras of godsdienst (art. 137d Sr); belediging in het openbaar van een persoon (art. 266 Sr); in het openbaar mondeling aanzetten tot gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen vanwege hun ras (art. 137d Sr); het in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen vanwege hun ras (art. 137c Sr).

De Rechtbank Rotterdam (8 april 1998) heeft verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden veroordeeld. Verdachte zou zich welbewust tot journalisten hebben gericht die vervolgens de uitspraken in de media hebben weergegeven.

Het Hof Den Haag heeft deze uitspraak op 7 mei 1999 vernietigd en heeft daarbij het volgende overwogen: "De onderhavige uitlatingen heeft verdachte niet tegenover een beperkte groep personen gedaan, maar welbewust mede tegenover journalisten die de uitspraken vervolgens, zoals te verwachten was, in de media hebben weergegeven. Het aanzetten van haat tegen en discriminatie en belediging van mensen vanwege hun ras is niet alleen kwetsend voor de daardoor getroffen personen, maar druist ook in tegen de in Nederland gehuldigde normen en waarden. Verdachte is in het verleden diverse malen veroordeeld tot onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straffen voor soortgelijke feiten. Verdachte heeft tevens ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zulks hem er niet van heeft noch zal weerhouden om het verkondigen van zijn mening te continueren."
Verdachte wordt door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. De Hoge Raad overweegt hierbij het volgende: "Weliswaar heeft het hof in de hierboven weergegeven bewijsoverweging overwogen dat
a) de vergaderingen van 2 en 9 november 1996 telkens plaatsvonden in een gelegenheid die voor een ieder vrij toegankelijk waren en die
b) beide bovendien bezocht werden door journalisten die op het nieuws van deze vergaderingen waren afgekomen en daarover vervolgens verslag hebben uitgebracht via krant, radio en tv,
maar die omstandigheden kunnen niet worden afgeleid uit de bewijsmiddelen die het hof tot het bewijs heeft gebezigd ook niet uit het onder 2 opgenomen bewijsmiddel waarvan niet duidelijk wordt welk gedeelte daarvan tot het bewijs is gebezigd. Voorts heeft het hof in die bewijsoverweging zelf ook niet aangegeven op de inhoud van welke bewijsmiddelen het hof die vaststellingen heeft gebaseerd. Gelet daarop is de bewezenverklaring voorzover die telkens inhoudt dat aan de verdachte verweten handelingen in het openbaar hebben plaatsgevonden niet naar de eis der wet met redenen omkleed."
De zaak wordt verwezen naar het Hof Amsterdam.

In de zaak Mordaunt (LJN-nummer: AB1818, zaaknr. 00074/00) heeft verdachte tijdens een toespraak op een vergadering van CP '86 in een partycentrum opgeroepen tot "de vernietiging van democratische politici".
Verder heeft hij o.a. de volgende uitlating gedaan: "Het moet afgelopen zijn met de joodse overheersing van de Nederlandse partijen."
Verdachte was op de vergadering aanwezig als voorzitter van de partij en had de leiding van die partijvergadering. Daarnaast waren er journalisten uitgenodigd voor het bijwonen van die vergadering en er was voor hen een aparte tafel gereserveerd. Op enig moment tijdens zijn toespraak heeft de verdachte naar aanleiding van een opmerking uit de zaal gezegd dat er journalisten op uitnodiging aanwezig waren.

Verdachte wordt telastegelegd het in het openbaar, mondeling danwel bij geschrift of afbeelding tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien (art. 131 Sr); in het openbaar, mondeling aanzetten tot haat tegen en discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen vanwege ras (art. 137d Sr).

De Rechtbank Rotterdam heeft verdachte op 1 oktober 1998 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, daarbij het volgende overwegende: "Verdachte heeft zich op ernstig grievende, beledigende en agressieve bewoordingen uitgelaten over bepaalde bevolkingsgroepen binnen de Nederlandse samenleving en heeft in zijn toespraak tevens opgeruid tot gewelddadige omverwerping tegen het openbaar gezag en tot discriminatie. Deze uitlatingen deed verdachte in het bijzijn van journalisten, die zijn uitspraken vervolgens in de media hebben weergegeven. Het aanzetten tot haat en geweld tegen en discriminatie van mensen vanwege hun ras of godsdienst is niet alleen kwetsend voor de daardoor getroffen personen, maar druist ook in tegen de in de Nederlandse samenleving gehuldigde normen en waarden. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte en op het feit dat hij ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat zulks hem er niet van heeft noch zal weerhouden om het verkondigen van zijn mening te continueren."

Het Hof Den Haag verhoogde de door de Rechtbank opgelegde straf op 7 mei 1999 tot zes weken op grond van gelijke overwegingen als de rechtbank, daarbij in acht nemend de harde opstelling van verdachte, die zei niet te worden weerhouden van het verkondigen van zijn mening door gevangenisstraf en diens verklaring dat vele politici voor hun uitlatingen gevangenisstraf hebben ondergaan en dat hij dan ook beslist weigert onbetaalde arbeid ten algemene nutte te verrichten.

De Hoge Raad verwerpt het beroep, daarbij overwegende dat: "nu hij op het moment dat hij in dat partycentrum arriveerde enkele journalisten herkende, in ieder geval vanaf dat moment tenminste het voorwaardelijk opzet aanwezig was, in die zin dat hij nadien bij het toespreken van die vergadering - ook al zou deze op zichzelf niet voor een ieder toegankelijk zijn - zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat uitlatingen van hem zouden worden gepubliceerd en ter kennis van het publiek zouden komen, hetgeen naar het hof heeft vastgesteld ook is gebeurd. Aldus verstaan kan die verklaring medewerken tot het bewijs van de in de telastelegging verweten gedragingen - het opruien en aanzetten tot - waarin opzet besloten ligt en de omstandigheid dat deze in het openbaar zijn verricht."

Commentaar

Het doen van uitlatingen in het openbaar die aan de delictsomschrijving van art. 137c en/of d Sr voldoet, is al vele malen in de rechtspraak besproken. Met name uitlatingen van leden van extreemrechtse partijen zijn regelmatig in de rechtspraak de revue gepasseerd. Glimmerveen is daarbij zeker geen nieuwkomer. Hij is in het verleden al meermalen voor de rechter geweest en veroordeeld.

Van belang bij onderhavige uitspraken is het openbaarheidsgehalte van de uitlatingen.
De wetsgeschiedenis geeft te kennen dat het criterium openbaarheid wordt bepaald door niet zo zeer de toegankelijkheid van de plaats waar het feit is geschiedt, maar in de omstandigheid dat het feit wordt gepleegd in het publiek, dat wil zeggen dat het wordt waargenomen door personen die toevallig aanwezig zijn.
Van belang is dat bij opruiing en belediging het voor de publiciteit niet nodig is dat de plaats waar de dader zich bevindt een publieke plaats is. Het is voldoende dat hetgeen hij doet of zegt, op een publieke plaats waarneembaar is (HR, NJ 1939, 861).
Aan 'in het openbaar' in art. 137c en d Sr wordt aldus deze betekenis toegekend. Dit betekent dat beledigende uitlatingen over een groep mensen vanwege hun ras (art. 137c Sr), aanzetten tot haat tegen en discriminatie van mensen vanwege hun ras (art. 137d Sr) en belediging (art. 266 Sr) in het openbaar zijn gedaan indien de gerede mogelijkheid bestaat dat ze door andere personen dan behorend tot een besloten kring worden opgevangen (NJ 1956, 309). De HR heeft in de zaak tegen Glimmerveen besloten dat de door het hof gevoerde bewijsmiddelen onvoldoende zijn om tot veroordeling over te gaan, en verwees de zaak daarom naar het Hof Amsterdam.

De onderhavige zaken betreffen 'misdrijven tegen de openbare orde' (Boek II, titel V Wetboek van Strafrecht). Belangrijk in deze is dat vrijheid van meningsuiting geldt voor een ieder, echter behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet (art. 7 Grondwet). In casu inhoudende: niet ten koste van (groepen) mensen vanwege hun ras, religie of levensovertuiging als wettelijk neergelegd in de onderhavige artikelen van het Wetboek van Strafrecht.
Bij uitingen onder art. 137c en d Sr ligt het strafbaar gedrag dan ook niet in uitingen in beperkte kring waar niet een ieder kennis van kan nemen. De Strafwet doet zijn intrede indien het gaat om uitingen die erop gericht zijn afkeurenswaardige gedachten bij anderen buiten een beperkte kring op te wekken waar wel degelijk een ieder er kennis van kan nemen. Er moet dus sprake zijn van het openbaren van dergelijke gedachten en gevoelens.
Indien Glimmerveen en Mordaunt hun uitlatingen binnen beperkte kring hadden gehouden, waren ze niet strafbaar geweest op grond van art. 137c en d Sr.

Helaas schrikt het strafrecht in onvoldoende mate verdachten als Glimmerveen en Mordaunt af om in het openbaar, opzettelijk te beledigen of aan te zetten tot haat tegen en discriminatie. Uit opmerkingen van beide verdachten is spijtig genoeg op te maken dat zowel beiden zich niet door een veroordeling tot gevangenisstraf hebben noch zullen laten weerhouden en ook in de toekomst hun mening in het openbaar, hoe discriminatoir ook, zullen verkondigen. Uit hun justitieel verleden op te maken betrof het in deze zaken dus geen losse flodder.

Carolina de Fey is juridisch beleidsadviseur bij Art.1.

Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 4 / december 2001.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: