Kilic ./. Aweta, Rechtbank Gravenhage
Schadevergoeding voor discriminatoire bejegening op de werkvloer
door Najat Bocchah - 12.09.2001
Dossier: Arbeid en wetgeving
De rechtbank heeft naar aanleiding van de vordering van een werknemer waarin hij schadevergoeding van zijn 'voormalige' werkgever vordert, een uitspraak gedaan waarin de werknemer in het gelijk wordt gesteld. Voorafgaand aan de rechterlijke procedure, heeft de werknemer de zaak voorgelegd aan de Commissie gelijke behandeling (zie oordeel 1999-25). De Commissie komt tot het oordeel dat er onderscheid naar ras is gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden en bij het aangaan van een dienstbetrekking.
De procedure in eerste aanleg
Kilic heeft Aweta voor de kantonrechter te Delft gedagvaard en gevorderd Aweta te veroordelen om aan hem ten titel van schadevergoeding een bedrag van f 20.000,- te betalen.
Kilic stelt dat hij met Aweta een dienstverband heeft gehad voor bepaalde duur. Aweta heeft zich jegens hem niet als goed werkgever gedragen omdat zij mede naar het oordeel van de Commissie gelijke behandeling (CGB) jegens hem onderscheid naar ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden en bij het aangaan van de arbeidsverhouding. Hij heeft daardoor immateriële schade geleden omdat hij in zijn eer en goede naam is geschaad alsmede psychisch is beschadigd.
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en Kilic in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter achtte niet bewezen dat Kilic in zijn persoon is aangetast.
De procedure in hoger beroep
Kilic is tegen het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gegaan. De rechtbank besluit, gelet op de grieven en de daarbijbehorende toelichting om de zaak in volle omvang te behandelen ook al zijn er door Kilic maar twee grieven aangevoerd.
Ter onderbouwing van zijn vordering voert Kilic onder meer het volgende aan. Kilic stelt dat hij gedurende zijn dienstverband bij Aweta op discriminerende wijze is bejegend. Deze stelling wordt ondersteund door de verklaring die een ex-collega bij de CGB heeft afgelegd. De discriminerende bejegening heeft niet alleen psychische schade veroorzaakt, maar ook negatieve gevolgen gehad in zijn privé leven.
Kilic voert ook het verslag van de zitting bij de CGB als bewijs aan. In dit verslag valt onder meer te lezen dat de plaatsvervangend hoofd, Kilic voor 'Gore Turk' heeft uitgescholden.
Als verweer hebben de afdelingshoofd en de plaatsvervangend hoofd verklaard dat Kilic in het begin ook om de 'Turkenmoppen' lachte. Volgens hen is Kilic zich gaandeweg aan de moppen gaan storen. Ook deze verklaringen zijn afkomstig van het verslag van de Commissie. Aweta betwist overigens de juistheid van de weergave door de Commissie van de verklaringen.
De rechtbank concludeert uit de aangehaalde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, dat wel degelijk sprake is geweest van een discriminerende bejegening van Kilic. Daarnaast constateert de rechtbank dat Aweta geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de discriminerende bejegening. Aweta stelt hiertegen dat zij geen actie heeft kunnen ondernemen vanwege de omstandigheid dat zij niet op de hoogte was van die bejegening. Ook verwijt zij Kilic het niet willen beperken van de schade door na te laten om melding te maken van de bejegening. Naar het oordeel van de Rechtbank valt het laatste Kilic echter niet aan te rekenen, nu de discriminerende bejegening mede door zijn directe meerderen tot stand werd gebracht. Ook al zwijgt betrokkene over de onjuiste behandeling, dan nog ligt het op de weg van Aweta om actie te ondernemen. 'Nu Aweta dat heeft nagelaten is het verwijt van slecht werkgeverschap terecht en is zij in beginsel aansprakelijk voor de geleden schade'.
Ten aanzien van de stelling dat Kilic in het begin ook om de moppen mee lachte, overweegt de Rechtbank als volgt: 'dat Kilic aanvankelijk ook mee lachte om grappen over Turken -dus over hem - doet aan het karakter van de discriminatie en/of schending van zijn eer en goede naam geen afbreuk. Behalve dat het mogelijk is dat Kilic heeft meegelachen om erger te voorkomen, is voor het aannemen van de schending geen bestaansvoorwaarde dat iemand daartegen protesteert'.
De rechtbank is verder van oordeel dat Kilic door de bejegening in zijn eer en goede naam is geschaad in de zin van art. 6:106 BW. Dit acht de rechtbank inherent aan de discriminerende c.q. beledigende aard van de opmerkingen en de grappen. De rechtbank meent bovendien dat degenen die deze opmerkingen en grappen hebben gemaakt, bewust zijn geweest van de discrimenerende aard van hun uitlatingen.
Een grond voor toewijzing van immateriële schade in de zin van het hiervoor genoemde artikel, is volgens vaste jurisprudentie (opzettelijke) belediging. Discriminatie levert op grond van het Wetboek van Strafrecht belediging op. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er voldoende grond is voor toewijzing van de vordering van Kilic. Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de vergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van f 2000,-. Tevens wordt Aweta in de proceskosten veroordeeld. Bij de bepaling van de hoogte van de schade heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat de grappen en opmerkingen meermalen zijn gemaakt en dat die tevens door een direct leidinggevende zijn gemaakt.
Commissie gelijke behandeling
Voorafgaand aan de rechterlijke procedure heeft de commissie haar licht op de zaak laten schijnen (CGB-oordeel 1999-25 van 23 maart 1999).
De commissie overweegt dat 'de verplichting van de werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid mee brengt dat de werkgever erop moet toezien dat degenen waarover hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden. Deze verplichting geldt onafhankelijk van de vraag of de betreffende werknemer er al dan niet aanstoot aan neemt en kan en mag niet afhankelijk worden gesteld van het incasseringsvermogen van slachtoffers van discriminatie. Dit te meer omdat het een feit van algemene bekendheid is dat (racistische) pesterijen op de werkvloer, hoe dan ook de slachtoffers daarvan in hun functioneren aantasten.'
Tot slot doet de Commissie de aanbeveling om een anti-discriminatie code in te voeren en de naleving daarvan te bevorderen.
Commentaar
De vordering in deze zaak is terecht gebaseerd op het beginsel van goed werkgeverschap. De werkgever moet er namelijk zorg voor dragen dat zijn werknemers in een veilige omgeving hun werk kunnen doen. De rechtbank acht het niet van belang dat de betrokken werknemer tijdens zijn dienstverband de werkgever niet op de hoogte heeft gesteld van de discriminerende praktijken waarvan hij slachtoffer was. De omstandigheid dat de directe leidinggevende bekend was met de bejegening wordt als het ware toegerekend aan de werkgever. De werkgever kan zich niet verschuilen achter het argument dat de werknemer door het niet melden van de incidenten niets heeft gedaan om de schade te beperken. Het ligt namelijk niet op de weg van de werknemer om een einde te maken aan ongewenste discriminerende bejegening op de werkvloer.
Interessant in deze zaak is ook de overweging van de rechtbank die betrekking heeft op de omstandigheid dat de werknemer in eerste instantie ook om de grappen en de moppen meelachte. Later pas heeft hij blijk gegeven van zijn gekwetstheid en van het feit dat hij zich aan de uitingen stoorde. Ook dit gegeven wordt de werknemer niet aangerekend. Integendeel, net als de Commissie acht de rechtbank het protesteren tegen de schendingen veroorzaakt door de discriminerende uitlatingen, geen voorwaarde voor het aannemen van discriminatie. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van discriminatie en van andere ongewenste gedragingen/uitingen daar vaak niet tegen durven op te komen. Niet alleen omdat de slachtoffers zich in een kwetsbare positie bevinden, maar ook uit vrees voor victimisatie.
Naast een beroep op goed werkgeverschap is er in deze zaak ook een beroep gedaan op art. 6:106 BW: aantasting van eer en goede naam. De rechtbank stelt de werknemer in dezen in het gelijk en voegt daaraan toe dat die aantasting inherent is aan de discriminerende en beledigende aard van de uitlatingen. Met andere woorden: discriminatie levert per definitie aantasting van eer en goede naam op.
Deze casus is overigens een goed voorbeeld van de wisselwerking tussen de rechter en de Commissie. Het verslag van de zitting bij de Commissie wordt door de werknemer als bewijs aangevoerd en de rechtbank maakt er dankbaar gebruik van. Met het oordeel van de Commissie 'op zak' is de werknemer naar de rechter gestapt, die de verklaringen weliswaar aan een eigen beoordeling heeft onderworpen maar tot dezelfde conclusies als de Commissie is gekomen. Deze zaak laat duidelijk zien dat het voortraject bij de Commissie een meerwaarde heeft; niet alleen maar op bewijsrechtelijk gebied maar ook op het terrein van het onderzoek naar de feiten. De rechter krijgt namelijk een helder feitenextract met de bijbehorende bewijsmiddelen die al bij de Commissie vergaard en onderzocht zijn.
Een laatste opmerking over de toegekende vergoeding. Gevorderd is een bedrag van f. 20.000,- en de rechter kent een bedrag van f 2000,- toe. Dit past in de rij van de schadevergoedingen die in Nederland toegekend worden. Bovendien vallen de sancties in discriminatiezaken over het algemeen laag uit. (NB)






