mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Dossiers / Amerikaanse toestanden!

Amerikaanse toestanden!

De vrijheid van meningsuiting vs. discriminatieverbod
door Dick Houtzager - 01.06.2002

Dossier: Wet- en regelgeving tegen discriminatie

Tags: discriminatie ras, internationaal recht, mensenrechten, strafrecht, vn-verdragen, vrijheid van meningsuiting

Botsende grondrechten hebben in lange tijd niet zoveel aandacht gekregen als juist sinds de aanloop naar de verkiezingen. Met zijn opmerkingen over het afschaffen van artikel 1 van de Grondwet, het non-discriminatiebeginsel, ten gunste van de vrijheid van meningsuiting, wist Pim Fortuyn de discussie over het onderwerp op het hoogste platform te plaatsen. Van verschillende kant is betoogd dat het systeem zoals dat in de VS bestaat, een vrijwel ongebreidelde voorrang voor de vrijheid van meningsuiting boven andere grondrechten, in Nederland zou moeten worden ingevoerd. Krijgen we Amerikaanse toestanden in Nederland?

Cleveringa-lezing

In juni 2002 werd op de Leidse universiteit een symposium georganiseerd over de nationale en internationale invalshoeken van het discriminatieverbod in artikel 1 Grondwet. Het symposium gold als de afsluiting van het docentschap van prof. Theo van Boven op de Cleveringa-leerstoel. In zijn inleiding constateerde Van Boven dat artikel 1 als pijler van het normenstelsel voor de mensenrechten ook in Nederland van groot belang is. Bij de debatten rondom het goedkeuren van het rassendiscriminatieverdrag (IVUR) in 1967 vonden de minister en veel parlementariërs dat het verdrag voor Nederland vooral als symbool van solidariteit met de door de apartheid onderdrukte zwarte Zuid-Afrikanen gold; in Nederland kwam immers geen rassendiscriminatie voor. Later bleek dat het IVUR in Nederland wel degelijk een rol vervulde; het CERD-comité, dat toeziet op de naleving van het verdrag, achtte zelfs enkele klachten tegen de Nederlandse staat gegrond.
Hoewel het beginsel van non-discriminatie diep geworteld is in de samenleving, meende Van Boven dat de aanvallen op artikel 1 betekenen dat het geen veilig bezit is. Hij pleitte hartstochtelijk voor het handhaven van het artikel. Omdat de wortels van het beginsel van gelijke behandeling voor een groot deel liggen in Tweede Wereldoorlog, zou een afschaffing van artikel 1 voor hem hetzelfde zijn als het afschaffen van de herdenking van 4 en 5 mei.

Strafbaarheid racistische uitingen afschaffen

De discussie verplaatst zich de laatste tijd van artikel 1 van de Grondwet, naar de strafbaarstelling van racistische uitingen. De uitwerking daarvan in art. 137c en d van het wetboek van Strafrecht leidt tot meer fundamentele kritiek. Deze kritiek is niet uitgevonden door Pim Fortuyn, maar wel door hem op de maatschappelijke agenda geplaatst. Het standpunt van afschaffing van de strafbaarheid voor discriminerende uitingen is opgepakt door Meindert Fennema, docent politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn standpunt is dat de wetgever en de rechter zich niet dienen te bemoeien met discussies over ras en cultuur. Opvattingen van burgers over de gelijkheid van groepen mensen moeten buiten het bereik van de strafrechter blijven. De grens trekt hij bij oproepen tot geweld tegen groepen wegens hun afkomst. In diezelfde zin liet socioloog Erik van Ree zich uit, die het Amerikaanse systeem van een vrijwel ongebreidelde vrijheid van meningsuiting aanhangt. Volgens Van Ree vormt in een fundamenteel maatschappelijk debat de minderwaardigheidsverklaring van andere groepen een onvermijdelijke basis, waarmee dergelijke debatten een inherente beledigende inhoud met zich mee brengen. Volgens hem brengt de strafbaarstelling van discriminerende uitingen deze debatten om zeep.

Veel van de argumenten voor inperking van de strafbaarheid van racistische uitingen zijn te vinden in het doorwrochte proefschrift over de vrijheid van meningsuiting van Theo Rosier.
Rosier breekt een lans voor het Amerikaanse systeem en stelt dat in Nederland 'ook de benepen en kortzichtige burger een fundamenteel recht heeft om zijn visie te geven op de gewenste vormgeving van de samenleving (…). Stemmingmakerij tegen etnische minderheden acht hij niet gepast, maar vindt dat deze niet te vangen is in juridische formuleringen. Het onderdrukken van ongenuanceerde kritiek en venijnig geformuleerde probleemanalyses wakkert volgens Rosier frustraties aan en bevordert haat. Omdat negatieve beeldvorming op andere manieren tegen te gaan is, wil hij de strafbaarstelling van dit soort uitingen beperken.
Wel bepleit hij de instandhouding van strafbaarstelling van racistische belediging. 'Uitlatingen waarmee ondubbelzinnig te kennen wordt gegeven dat anderen wegens hun ras als minderwaardige schepsels worden gezien (…) geven de mikpunten ervan diepe aanstoot, doen hen onrecht en zijn (…) op geen enkele manier te rechtvaardigen'. De menselijke waardigheid is daarmee in het geding.

Einde van politieke correctheid: de vlag uit?

Is het mogelijk om binnen de grondrechten het primaat aan de vrijheid van meningsuiting te geven boven het recht om gevrijwaard te blijven van racisme? Staten in Europa zijn gebonden aan internationale verdragen, zoals het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), het Internationaal verdrag voor de bescherming van burgerlijke en politieke rechten (Bupo) en het verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR). Al deze verdragen bevatten bepalingen die een verbod op rassendiscriminatie inhouden. Het racistisch handelen valt hieronder en, in het geval van het IVUR, ook het naar buiten brengen van racistische taal. De vrijheid van meningsuiting is, volgens artikel 10 van het EVRM, gebonden aan beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Wat de vrijheid van meningsuiting betreft, bepaalde het Europese Hof voor de rechten van de mens al in 1976, dat dergelijke beperkingen niet mogen leiden tot het aantasten van die vrijheid. Opvattingen die kwetsen, schokken of onrust baren zijn toegelaten.
Zonder internationale verdragen op te zeggen, zal het in Nederland onmogelijk zijn om het Amerikaanse systeem te omarmen, mochten we dat willen.

Het debat over deze botsende grondrechten is na de reeks recente gebeurtenissen actueler dan ooit. De aanslagen in de VS, de verkiezingscampagne en de opkomst van fenomeen Fortuyn hebben bij velen de kreet van verlichting doen slaken, dat ze eindelijk mochten zeggen wat ze dachten. Het gemopper over 'dat je niets mag zeggen in dit land' is bijna uitgegroeid tot een geuzenkreet. Opmerkingen in deze trant zijn echter niet van deze tijd. Al in de jaren tachtig verhaalden publicaties van de Anne Frank stichting over discussies waarin gemeld werd : '… en als je er iets van zegt ben je meteen een racist', waarop het advies gegeven werd om reëel ervaren overlast en 'asociaal gedrag van migranten' niet te ontkennen, goed te praten of te bagatelliseren. Ook Rosier haalt in zijn proefschrift uit 1997 dergelijk gemopper aan.
De reeks van rechtszaken tegen politici, columnisten, schrijvers, godsdienstig gedrevenen van pakweg de afgelopen tien jaar toont aan dat de rechter vooral het ongenuanceerd beledigen en het aanzetten tot haat, met name door rechts-extremisten, strafbaar acht. Bij de afwegingen speelt in alle gevallen de context waarin dingen geroepen zijn een grote rol. Janmaat werd in 1997 veroordeeld voor het roepen van de leuze 'Zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, schaffen we de multiculturele samenleving af'. Bij de strafbaarstelling steunde de Hoge Raad in het cassatieberoep in 1999 de overwegingen van het Hof in Den Haag. Dat overwoog, dat de context waarin dit werd gezegd, namelijk een demonstratie waarin aanhangers van de CD en CP'86 met vlagvertoon, aan nazieversierselen refererende symbolen meeliepen en roepend 'Eigen volk eerst', 'Nederland voor de Nederlanders', en 'Vol is vol', van doorslaggevende betekenis was. In de overwegingen zegt het Hof dat het leveren van kritiek op het integratiebeleid van de overheid geoorloofd is, maar dat de wijze waarop Janmaat dat in deze demonstratie deed, resulteerde in het aanzetten tot discriminatie en daarmee strafwaardig.

Geen blad voor de mond

Racisme is een beladen begrip, en daarvan beschuldigd worden is geen sinecure. Het is denkbaar dat mensen het beschouwen als de bevrijding van een zware morele last, nu het einde van de politieke correctheid op grote schaal gevierd wordt. De klacht dat 'je niets mag zeggen' lijkt echter steeds verder van de werkelijkheid af te staan. In privé-situaties en in het maatschappelijk debat wordt geen blad voor de mond genomen, en juridisch lijken, gezien het bovenstaande, geen belemmeringen te bestaan.
De huidige klacht dat het bestaan van art. 137c en 137d ingrijpt in het politieke debat, wordt door de terughoudendheid van de rechter ontzenuwd. Weliswaar bestaat bij velen de wens om anderen via het strafrecht de mond te snoeren, maar in de praktijk vangt het Openbaar Ministerie regelmatig bot bij pogingen om uitingsdelicten te vervolgen.

Waarom is handhaving van de strafbaarheid van deze uitingsdelicten dan noodzakelijk? Een belangrijke reden is het uitdrukken dat in een rechtsstaat geen plaats is voor uitingen die aan een ander zijn menselijke waardigheid ontnemen; uitingen die voedingsbodem kunnen zijn voor het optreden van juist ondemocratische krachten. De ervaringen uit het nazi-tijdperk vormen daarvoor goede gronden.
Voor het toepassen van het strafrecht kan nóg een onderscheid worden gemaakt. In de politieke arena, net als in de godsdienstige of de journalistieke, is een grote mate van vrijheid gewenst en geoorloofd. De gemiddelde politieke tegenstander is in het algemeen goed gebekt en mag in staat worden geacht een weerwoord te leveren. In het dagelijks leven echter kunnen racistische uitingen iemands leven vergallen en zodanig in de war sturen, dat strafrechtelijk ingrijpen gewenst is. Er bestaat geen vrij debat tussen degene die roept 'Rot op naar je eigen land, vuile Papoea' en diens voorwerp van woede. Zinnig verweer tegen dergelijke mensonterende uiting is niet mogelijk en een passende sanctie van overheidswege is dan op zijn plaats.

Menselijke waardigheid respecteren

Voor het LBR geldt, dat de waarheid gezegd moet kunnen worden. Echter, in het maatschappelijk en politiek debat is van even groot belang dat gekeken wordt naar de gevolgen van uitspraken die gedaan worden. Het kan schadelijk zijn voor minderheden om problemen niet te benoemen uit angst om te kwetsen, maar het kan even schadelijk zijn als voor minderheden beledigende teksten onbeantwoord blijven. Een negatieve beeldvorming kan de maatschappelijke positie van de betrokken groepen schade toebrengen, omdat werkgevers op grond van ontstane vooroordelen en stereotyperingen kunnen besluiten de voorkeur aan witte Nederlanders te geven of dat daardoor in een buurt onschuldige, brave medebewoners het leven zuur gemaakt kan worden.

Het recht op respect voor de menselijke waardigheid steeds het uitgangspunt blijven.

Dick Houtzager is redacteur van Zebra Magazine.

Dit artikel is verschenen in Zebra-Magazine 2 / juni 2002.

Gerelateerde artikelen

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

Volg Art.1

Mediatheek

De mediatheek van Art.1 is te bezoeken op afspraak.
Neem contact op via het contactformulier of tel. 010 - 201 02 01.


Art.1 is onder meer verbonden aan: