Vrijheid van meningsuiting vs. discriminatieverboden
door Mr drs J.W. Nieuwboer - 25.04.2003
Dossier: Wet- en regelgeving tegen discriminatie
Al een poosje staan de botsing tussen de vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet) en het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet sterk in de belangstelling. Discriminatie is niet alleen verboden in artikel 1 Gw, maar ook in het strafrecht. Wat zijn de achtergronden van al deze bepalingen en hoe verhouden ze zich tot elkaar? Moeten er artikelen worden afgeschaft? Zelfs al zou artikel 1 van de Grondwet worden afgeschaft, dan zouden de discriminatieverboden in het strafrecht nog blijven bestaan. Of moeten deze ook worden afgeschaft? En dan hebben we het nog niet eens over het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationale Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie waar Nederland lid van is. Deze verdragen vormen een basis voor bovengenoemde artikelen. Moeten deze verdragen dan ook maar worden opgezegd? In het onderstaande wordt eerst ingegaan op de achtergronden van artikel 7, artikel 1 en relevante strafrechtartikelen, waarna tot een nadere beschouwing wordt overgegaan.
1. Vrijheid van meningsuiting - artikel 7 van de Grondwet
De vrijheid van meningsuiting is neergelegd in artikel 7 van de Grondwet, ingevoerd in 1983. 1 Het artikel houdt het recht in zonder voorafgaand verlof gedachten en/of gevoelens te openbaren. Niemand heeft zulk een voorafgaand verlof nodig. Er is een verbod op censuur. Wel heeft men rekening te houden met overige wettelijke bepalingen. In de verhoudingen tussen burgers moet bijvoorbeeld ook gekeken worden naar andere grondrechten 2 waarbij valt te denken aan artikel 1 van de Grondwet, dat het discriminatieverbod bevat. Bij de burgerlijke rechter kan voorts een beroep worden gedaan op onrechtmatigheid indien rechten met elkaar botsen (artikel 6:162 BW).3 Tenslotte kunnen achteraf strafrechtelijke maatregelen worden genomen.
Ook zonder dit artikel heeft de Nederlandse burger houvast, want de vrijheid van meningsuiting wordt ook gegarandeerd in artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Wel is hier sprake van een beperking (lid 2): uitoefening van de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. Hierbij worden verscheidene criteria genoemd, zoals het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Interessant is dat ook internationaal de vrijheid van meningsuiting dus geen absoluut gegeven is.
2. Verbod op discriminatie - artikel 1 van de Grondwet
Artikel 1 van de Grondwet (ook ingevoerd in 1983) bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Meer concreet bevat het artikel voorts het discriminatieverbod, onder andere op grond van ras. Hoewel het artikel de eerste plaats bezet in de Grondwet, gaat het niet voor de daaropvolgende artikelen waar het om inhoud gaat. Men kan zich bij de burgerlijke rechter op dit artikel beroepen. 4
Ook in dit geval kan men nog een beroep doen op het EVRM: in artikel 14 wordt discriminatie, onder andere op grond van ras, verboden. Als artikel 1 van de Grondwet zou verdwijnen, zou ook het EVRM moeten worden opgezegd.
In deze bijdrage gaat het nu om de vraag wat er moet gebeuren als iemand een mening uit (artikel 7 Gw, artikel 10, lid 1 EVRM) waarmee hij discrimineert (artikel 1 Gw, artikel 14 EVRM). Discriminatie druist ook in tegen strafrechtartikelen, waarop in het volgende uitgebreid wordt ingegaan.
3.Strafrecht5
3.1. Inleiding
De anti-discriminatiebepalingen in het strafrecht zijn ontstaan in 1971, nadat Nederland in 1967 het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie (IVUR, in het Engels CERD) had geratificeerd. Dit Verdrag eist nationale wetgeving waarin discriminatie strafbaar werd gesteld en moet dus worden opgezegd als men in Nederland besluit de strafrechtelijke anti-discriminatiebepalingen te schrappen. De bepalingen zijn aangescherpt in 1991 en 1992.6 In het onderstaande zullen nadat wat algemene punten belicht zijn artikelen 137c, d en e, naast artikel 266 Sr aan de orde komen.
3.2. Algemeen
Van belang is de vraag waar wij het over hebben als het gaat om rassendiscriminatie. Het is vaste jurisprudentie dat het begrip 'ras' in het Wetboek van Strafrecht volgens de in artikel 1 IVUR gegeven opsomming moet worden uitgelegd. Die opsomming behelst naast ras ook huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming.
Hieruit valt af te leiden dat de term ras ruim dient te worden opgevat en ook begrippen als 'buitenlanders', 'vreemdeling' en zelfs 'asielzoeker' kunnen eronder vallen. Dat laatste is in 2000 door de Hoge Raad bepaald. 7
In de artikelen 137c, d en e Sr is voorts opgenomen dat de discriminatoire uitlatingen 'in het openbaar' moeten zijn gedaan willen ze strafbaar zijn. Voor een antwoord op de vraag wanneer uitlatingen in het openbaar zijn gedaan kan aansluiting worden gezocht bij de betekenis die de Hoge Raad aan het begrip 'in het openbaar' heeft gegeven bij het misdrijf opruiing (art. 131 Sr): "In het openbaar" betekent niet dat de opruiende woorden worden geuit op een openbare plaats; maar dat zij worden geuit onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze, dat zij door het publiek kunnen worden gehoord". 8
De uitlatingen moeten dus voor het publiek waarneembaar zijn. Uitingen in de schrijvende pers, of op radio of televisie zijn altijd 'in het openbaar'. Het toezenden van een boek met voor joden beledigende inhoud aan een klein, select gezelschap is aan te merken als het zich in het openbaar uitlaten over een groep mensen. Het Hof Arnhem verwerpt het verweer van een verdachte dat hij zich niet in het openbaar over de joden had uitgelaten. 9 Daarentegen kan bij interne verspreiding van een concept-rapport niet gesproken worden van het in de openbaarheid brengen. 10 Sinds de wetswijziging van 1992 is in artikel 137e Sr ook het ongevraagd toesturen van voorwerpen met een discriminatoire inhoud strafbaar gesteld.
In twee extreem-rechtse zaken speelt de vraag of uitlatingen op partijvergaderingen in het openbaar waren gedaan. In beide gevallen waren de vergaderingen niet besloten en er waren journalisten aanwezig.11 In een geval wordt door de Hoge Raad voldoende bewijs voor openbaarheid aanwezig geacht, in het andere geval niet. 12
Voorts geldt ten aanzien van misdrijven de algemene regel dat opzet moet worden bewezen. Deze regel geldt dus ook voor de discriminatie-misdrijven. Voor het aantonen van opzet kan de constructie van het voorwaardelijk opzet worden gebruikt. Het leerstuk van het voorwaardelijk opzet houdt in dat de verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans, dat hij in strijd met de wet handelt. Hij neemt het gevolg van zijn daden op de koop toe. Of verdachte al dan niet de bedoeling heeft gehad om in strijd met de wet te handelen doet niet terzake.13
Geconcludeerd kan dus worden dat rassendiscriminatie een ruim begrip is, waarbij openbaarheid en opzet van belang zijn.
3.3. Discriminatie-artikelen
3.3.1. Artikel 137c Sr
In het volgende wordt nader ingegaan op artikel 137c Sr. In dit artikel komt het woord opzettelijk voor. Gelet op de plaats van het woord in de delictsomschrijving gaat het er om dat iemand zich opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun ras. De opzet hoeft niet gericht te zijn op de openbaarheid.
Een vaak aangevoerd verweer bij een tenlastelegging op grond van artikel 137c Sr is dat de opzet een groep mensen te beledigen wegens hun ras niet aanwezig is. De verdachte is zich niet bewust dat zijn uitlatingen beledigend zouden zijn voor een groep mensen wegens hun ras Hier kan het leerstuk van de voorwaardelijke opzet - het zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans, dat de uitlatingen beledigend zijn voor een groep mensen wegens hun ras - uitkomst bieden. Zo verwerpt de Rechtbank Zwolle het verweer van een verdachte die pamfletten verspreidde van de Centrumpartij '86, dat hij geen opzet zou hebben gehad tot het beledigen en aanzetten tot haat: "(...) is de rechtbank van oordeel dat verdachte door het hanteren van de uiterst suggestieve en generaliserende teksten als thans bewezen, in ieder geval moet worden geacht zich willens en wetens te hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door zich te gedragen zoals verweten een groep mensen zou worden beledigd en anderen zouden worden aangezet tot discriminatie in vorenbedoelde zin". 14
Een uitlating is beledigend als zij kwetsend of grievend is en de eer en de goede naam aantast.
Het bijzondere van de belediging bij artikel 137c Sr is, dat de gedane uitlating beledigend moet zijn voor "een groep mensen wegens hun ras". Dit onderdeel geeft in de praktijk weinig moeilijkheden. Het wezenlijke is immers dat de individuele persoon beledigd wordt, omdat hij of zij tot een bepaalde etnische groep behoort.15
Dit gebeurt in gevallen waarin mensen op grond van hun ras uitgescholden worden. Een voorbeeld is: "Vuile Papoea, rot toch op naar je eigen land".16 Inhoudelijk soortgelijke zaken leiden ook tot veroordelingen en strafopleggingen. 17
Voor het oordeel of passages uit bijvoorbeeld een artikel beledigend zijn, kan de context van belang zijn. 18 Of discriminerende uitlatingen van een romanfiguur in geschreven stukken aan de auteur kunnen worden toegeschreven, spelen ook alle omstandigheden, waaronder de context, een rol. 19
Ook de manier waarop een politieke boodschap is verpakt kan in samenhang met bijvoorbeeld een tekening of lay-out bij de beoordeling van de beledigende uitlating betrokken worden. Zo bekijkt het Hof Arnhem niet alleen de inhoud van een pamflet van 'Neerlands Herstel' maar ook de titel, alsmede de op het titelblad aangebrachte karikaturale tekening. 20
Ook belediging op grond van ras/godsdienst in geschreven werk is in een paar zaken aan de orde gekomen. In 2000 oordeelt het Hof Amsterdam in de zaak Waterdrinker, waarin de schrijver van het boek Danslessen een van zijn romanfiguren discriminerende taal in de mond legt. 21 In eerste instantie wordt hij veroordeeld, maar het hof spreekt hem vrij omdat niet kan worden aangenomen dat de uitlatingen gedaan door de romanfiguur kunnen worden aangemerkt als uitlatingen van de schrijver zelf. Onder omstandigheden - bijvoorbeeld indien verdachte zijn romanfiguur slechts gebruikt om zijn eigen opvattingen te ventileren, indien de passage niet in het boek of de context past, of indien de passage een zo grote nadruk krijgt dat deze een eigen leven gaat leiden - kan dit wel het geval zijn. De Hoge Raad neemt in 2001 afstand van de redenering dat de uitlating van een romanfiguur niet kan worden toegeschreven aan verdachte. Een passage moet niet op zichzelf worden gelezen, maar gelet moet worden op de aard en strekking van de roman en de plaats die de betreffende passage daarin inneemt, naast andere omstandigheden die een rol spelen. 22
In 2001 speelt bij het Hof Amsterdam een zaak over uitspraken in een tijdschriftartikel23, waarin gesproken wordt over onder andere een 'geitenneuker' uit Mekka, terwijl er ook overigens beledigende opmerkingen in het artikel staan voor moslims. Uitspraak is dat de uitlatingen grof zijn, maar dienen te worden gelezen in het licht van de gevoerde polemiek zoals daarvan uit de overige inhoud van het tijdschrift blijft. Dit brengt volgens het hof met zich dat hier de grenzen van de journalistiek vrijheid en/of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet zijn overschreden, zodat de klacht wordt afgewezen. Dit is in lijn met uitspraken van de Raad voor de Journalistiek, die ook vaak vindt dat de journalistieke grenzen niet worden overschreden worden.
Met betrekking tot artikel 137c kan geconcludeerd worden dat belediging van een groep mensen wegens hun ras strafbaar is. Vooral scheldpartijen zijn uit den boze. Opzet houdt ook voorwaardelijk opzet in en hoeft niet gericht te zijn op openbaarheid. In het geval van geschriften komt het niet snel tot een veroordeling.
3.3.2. Artikel 137d Sr
In artikel 137d, dat veel overeenkomsten met artikel 137c Sr vertoont, staat centraal het aanzetten tot haat en discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed. 'Aanzetten' sluit opzet in, dus ook hier voorwaardelijk opzet. De term moet ruimer opgevat worden dan 'uitlokken'. Het al dan niet resultaat hebben van het aanzetten doet niet ter zake. 24
Evenals voor het voorgaande artikel, geldt voor artikel 137d Sr dat de bedoeling van de dader niet relevant is. Aan de hand van de gedane uitlatingen dient beoordeeld te worden of er sprake is van aanzetten tot haat of discriminatie. De Rechtbank Zwolle oordeelt over pamfletten van de Centrumpartij '86 dat: "het anno 1994 als een feit van algemene bekendheid mag worden geacht dat teksten als de onderhavige in brede kringen van de samenleving worden opgevat als beledigend en tot discriminatie aanzettend karakter. 25
Vanaf de tweede helft van de jaren negentig worden vele uitspraken van de Centrumpartij veroordeeld. Gesteld wordt door de partij dat Nederlanders worden achtergesteld bij asielzoekers, dat asielzoekers allerlei gratis voorzieningen krijgen en in Nederland een luxeleven tegemoet gaan ten koste van Nederland. Ook wordt een verband gelegd met criminaliteit. Men spreekt over een 'multiraciale hutspot', 'illegale vreemdelingen', 'asielbedriegers' en 'asielbedrog'. Dit alles leidt tot strafoplegging.26 Uiteindelijk wordt de partij zelfs verboden verklaard en ontbonden. 27
Ook de Centrumdemocraten worden aangepakt. Voor de uitspraak van voorman Janmaat "Wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af", wordt bijvoorbeeld een flinke boete opgelegd. 28 Dit vooral omdat de uitspraak in het kader van een demonstratie wordt gedaan die bol staat van xenofobe uitingen. Er wordt door de rechter groot belang gehecht aan deze context.
Racistische uitlatingen kunnen zowel beledigend zijn als aanzetten tot haat of discriminatie. In de praktijk bevat een tenlastelegging dan ook vaak elementen van beide strafbepalingen (en/of). De rechter kan één van de twee feiten bewezen verklaren maar ook beide (cumulatie). 29
Met betrekking tot artikel 137d (vaak in combinatie met artikel 137c en ook wel 137e) kan geconcludeerd worden dat rechts-extremistische uitingen regelmatig zijn aangepakt.
3.3.3. Artikel 137e Sr
Artikel 137e Sr heeft een ander karakter dan de twee hierboven besproken artikelen. Het gaat hierbij om het openbaar maken van beledigende uitlatingen of toekoming, verspreiding of het in voorraad hebben van voorwerpen met zodanige uitlatingen. Te denken valt aan artikelen, folders, boeken, films en dergelijke. Er is wel een voorbehoud: als het gaat om zakelijke berichtgeving wordt een uitzondering gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de woorden 'anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving' in art. 137e Sr zijn opgenomen om de vrijheid van meningsuiting niet onnodig te beperken. 30
De bedoeling van de verdachte, die bij de vorige twee artikelen niet van belang was, kan bij artikel 137e Sr een rol spelen bij de beoordeling of de verspreiding al dan niet ten behoeve van zakelijke berichtgeving strekte. Een verhelderend voorbeeld betreft de Jersild-zaak die zich weliswaar in Denemarken voordoet, maar die ook voor de Nederlandse situatie van belang is. In deze zaak overweegt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat een Deense journalist die vertegenwoordigers van een racistische jongerenorganisatie had geïnterviewd, waarbij racistische uitlatingen zijn gedaan, niet veroordeeld kan worden. De journalist had immers niet de bedoeling om racistische ideeën te verspreiden, maar eerder deze te bestrijden door ze aan de kaak te stellen. 31 Met andere woorden, indien deze journalist in Nederland zou worden vervolgd, dan zou vrijspraak moeten volgen, omdat hij de interviews heeft verricht ten behoeve van zakelijke berichtgeving. Goede bedoelingen moeten volgens Nederlandse jurisprudentie wel kenbaar zijn. 32
Dat er geen goede bedoelingen geacht worden aanwezig te zijn bij extreem-rechtse folders, pamfletten en posters blijkt uit een aantal op elkaar volgende uitspraken. Leuzen als 'Ausländer raus' en 'Holland voor de Hollanders' worden door de rechter als zeer kwalijk ervaren. 33
Onder 'voorwerpen' worden naast geschreven teksten, ook films, televisieopnamen, geluidsbanden en dergelijke begrepen. 34In het verleden is het te koop aanbieden van het boek Mein Kampf vervolgd 35, maar de Minister van Justitie heeft op 7 maart 2002 verklaard dat dit in de toekomst niet meer zou moeten gebeuren.36
Zoals eerder vermeld, is sinds 1992 ook het ongevraagd doen toekomen van een voorwerp waarin racistische uitlatingen zijn vervat strafbaar gesteld. Daarmee kan ook in gevallen waarin het niet meteen zeker is of er sprake is van verspreiden - bijvoorbeeld omdat één persoon één exemplaar van een beledigend geschrift ontvangt - strafrechtelijk worden opgetreden. Ook valt hieronder het drukwerk dat ongevraagd in de bus geduwd wordt.
Geconcludeerd kan worden dat racistische uitingen in folders en artikelen en dergelijke, naast verspreiding van boeken of films met dergelijke teksten gestraft worden, maar dat er een spanningsveld bestaat met eventuele zakelijke berichtgeving, die mogelijk moet blijven.
3.3.4. Artikel 266 Sr
Tenslotte artikel 266 Sr. Dit artikel betreft eenvoudige belediging, niet op grond van ras. Veelal wordt dit artikel subsidiair ten laste gelegd, voor het geval niet te bewijzen is dat sprake is van belediging wegens ras, terwijl ook niet in het openbaar gedane uitlatingen volgens dit artikel strafbaar zijn.
3.4. Conclusie
Rassendiscriminatie is volgens het strafrecht een ruim begrip. Wel worden er hoge eisen gesteld aan vervolging, zo moeten veelal openbaarheid en opzet bewezen worden. Scheldpartijen waarbij een groep mensen beledigd wordt op grond van ras worden veelal afgestraft. Ook met rechts-extremistische uitingen wordt zo omgegaan, al lijkt de laatste tijd een kentering gaande - uitspraken van Balkenende en Fortuyn worden niet vervolgd, maar die zijn ook niet gedaan in het kader van demonstraties, maar in het publieke, politieke debat. 37 Met uitingen in schriftelijk werk wordt soepel omgegaan, vooral als het gaat om satire. Uitingen ten behoeve van zakelijke berichtgeving zijn buiten de strafwet geplaatst.
4. Vergelijking vrijheid van meningsuiting en de discriminatieverboden
Het bovenstaande geeft al aan dat enerzijds de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is; echter, de discriminatieverboden kennen ook hun grenzen. Er is wel voor gepleit artikel 1 af te schaffen (Pim Fortuyn), terwijl er ook stemmen opgegaan zijn de strafrechtelijke discriminatiebepalingen te schrappen. 38 Tegen de afschaffing van artikel 1 in het bijzonder pleit hoogleraar Theo van Boven 39, terwijl anderen ook in het geweer komen tegen afschaffing van de strafrechtartikelen.
Degenen die voor afschaffing van artikel 1 zijn, beroepen zich op de noodzaak van het vrije debat. Tegenstanders menen dat men ervoor moet waken dat situaties gaan herleven die doen denken aan de behandeling van joden in en om de Tweede Wereldoorlog, terwijl ook onlangs nog massamoorden hebben plaatsgevonden op grond van discriminatie. 40 Ook wordt door hen veel waarde gehecht aan het respect voor anderen 41 Daarnaast wordt gewezen op het gevaar dat belediging in het leven roept: schade vloeit voort uit de miskenning van de intrinsieke gelijke waarde van ieder individu. Die miskenning is vaak het voorportaal van daadwerkelijke ongerechtvaardigde achterstelling en van fysieke mishandeling. Het gaat vaak om een minderheidsgroep die in zekere zin kwetsbaar is en daarom in bepaalde omstandigheden strafrechtelijke bescherming moet genieten. 42
Meer evenwicht dan thans bestaat wordt gezocht door C.W. Maris, die meent dat men als volwaardig gelijk en vrij persoon moet worden erkend om van een recht als de vrijheid van meningsuiting volledig gebruik te kunnen maken. Hij meent dat het discriminatieverbod moet worden beperkt tot zeer duidelijke en ernstige gevallen en hij stelt daartoe drie voorwaarden: het moet gaan om de directe ontkenning van iemands persoonszijn wegens etnische afkomst of 'ras', daarbij moet het een groep betreffen die lijdt onder een geschiedenis van ontmenselijkende onderdrukking en de uiting moet bovendien een minachtende of haatdragende strekking hebben. 43 Ook Rosier meent dat strafbaarstelling beperkt moet worden en wel tot ondubbelzinnige gevallen van racistische belediging, opdat verder een open en robuust debat gevoerd kan worden, onder andere over de problemen waar Nederland als immigratieland mee te kampen heeft. 44
5. Slotconclusie
In Nederland staan naast elkaar de vrijheid van meningsuiting van artikel 7 en artikel 10 van het EVRM en het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, naast artikel 14 van het EVRM. Aanvullend zijn voorts nog (onder andere) strafrechtartikelen die discriminatie verbieden, waarvoor het IVUR de basis heeft gevormd. Er wordt wel gezegd dat artikel 1 en de strafrechtartikelen de vrijheid van meningsuiting te zeer beperken. De meningen hierover zijn zeer verdeeld. Een probleem is dat vrijheid en gelijkheid in elkaar overlopen: om als volwaardige partner in het vrije debat deel te kunnen nemen, moet men ook als gelijke worden erkend. De discriminatieverboden kunnen derhalve naar mijn mening niet gemist worden. Hierbij moet betrokken worden dat zij, hoewel 'rassendiscriminatie' een ruim begrip is, aan een groot aantal voorwaarden moeten voldoen: zo moeten bijvoorbeeld opzet en openbaarheid bewezen worden. Vooral scheldpartijen worden afgestraft; dit gold tot voor kort ook voor rechts-extremistische uitingen, maar hierin lijkt een kentering te komen. In ieder geval geldt dit voor het publieke debat, waarvan blijkt dat het altijd mogelijk moet zijn. Ook wordt soepel opgetreden in het geval van geschriften. Zakelijke berichtgeving is buiten de strafwet geplaatst en, tenslotte, de rechter stelt zich niet zelden terughoudend op. De werkelijkheid ligt dus genuanceerd, zodat afschaffing van artikelen niet aan de orde hoeft te komen. Dit nog afgezien van de problemen die dat op zou roepen met verdragsverplichtingen, waaraan Nederland zich dan ook zou moeten onttrekken.
Mr drs J.W. Nieuwboer was juridisch beleidsadviseur bij het LBR (nu Art.1)
Voetnoten:
1 Zie voor een evaluatie hiervan T. Gerbranda en M. Kroes, Grondrechten Evaluatie-0nderzoek, documentatierapport (2), Leiden: Stichting NJCM-Boekerij 15, 1991, p. 7-1 - 7-132
2 Gerbranda en Kroes, a.w., p. 7-131.
3 P. Rodrigues, "Vrijheid van meningsuiting versus discriminatieverbod in Nederland: enige casuïstiek", in G.A.I. Schuijt en D. Voorhoof (red.), Vrijheid van meningsuiting, racisme en revisionisme, Gent: Academia Press, 1995, p. 146.
4 T. Gerbranda en M. Kroes, Grondrechten Evaluatie-Onderzoek, documentatierapport (1), Leiden: Stichting NJCM-Boekerij 15, 1991, p. 1-310 - 1-314.
5 De tekst van dit deel van deze bijdrage is deels ontleend aan J.W. Nieuwboer, "Strafrechtelijke anti-discriminatiebepalingen", in H.B. Winter, G.G. Lodder, J.W. Nieuwboer en C.A. Tazelaar (red.), Migratie en Integratie, Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum en Lelystad: Koninklijke Vermande, 1998, p. 16.2/1200-1 - 16.2/1220-10 en aan J.W. Nieuwboer, "Rechtspraak Rassendiscriminatie 1995-2000, Een overzicht van lijnen in het Nederlandse strafrecht", in Rechtshulp, Maandblad voor de sociale praktijk, 5/2002, Uitgeverij Paris, p. 40-48.
6 Er is sprake van een algehele verscherping van bepalingen in de afgelopen tientallen jaren. Zie: Th. L. Bellekom, "Racismebestrijding en vrijheid van meningsuiting in Nederland: wetgeving en jurisprudentie", in Schuijt en Voorhoof, a..w., p. 119-139.
@@noot:7:(a) HR 13 juni 2000, nr. 00274/99, JOL 2000, 358 en F.R. van Eck, A. Kellermann en J.W. Nieuwboer (red.), Rechtspraak Rassendiscriminatie 1995-2000, Rotterdam: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie, 2001, nr. 558.
(b) N. Bochhah en J. Nieuwboer, "Asielzoekers een ras apart", Zebra Magazine 2000, p. 18-19.
(c) De zaak werd later verwezen naar het Hof Leeuwarden, dat bepaalde dat niet asielzoekers in het algemeen, maar slechts asielzoekers uit Ter Apel werden getroffen, zodat de horecaondernemer werd vrijgesproken. Hof Leeuwarden 3 april 2001, www.rechtspraak.nl. Zie ook J.W. Nieuwboer, "Positie asielzoekers door feiten achterhaald", in Zebra Magazine, 3/september 2001, Rotterdam: LBR, p. 22-23. @@
8 HR 22 mei 1939, NJ 1939, 861.
9 Hof Arnhem, 4 juni 1982 in A.C. Possel (red.), Rechtspraak Rassendiscriminatie 1995, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, nr. 41.
10 Hof Amsterdam, 13 september 1984, A.C. Possel (red.), Rechtspraak Rassendiscriminatie 1986- 1987, Lelystad: Koninklijke Vermande 1988, nr. 74; HR 24 februari 1987, RR 1995, nr. 143.
11 Hof 's-Gravenhage 7 mei 1999, RR 1995-2000, nr. 514, m.nt. Van der Meij en Rechtbank Rotterdam 8 april 1998, RR 1995-2000, nr. 471, m.nt. Van der Meij en nogmaals Hof 's-Gravenhage 7 mei 1999, RR 1995-2000, nr. 514, m.nt. Van der Meij.
11 HR 29 mei 2001, www.rechtspraak.nl (tweemaal); zie voorts C.C. de Fey, "Hoge Raad bakent begrip 'openbaarheid' af", in Zebra Magazine, 4/december 2001, Rotterdam: LBR, p. 21-22. Zie ook Hof 's-Hertogenbosch 18 januari 1999, nr. 503, mnt Van der Meij, HR 14 september 1999, RR nr. 527, mnt. Van der Meij en Hof Amsterdam 8 juni 2000, RR nr. 555.
13 J. Remmelink, Mr. D. Hazewinkel-Suringa's Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Deventer: Gouda Quint BV 1996, p. 205-208.
14 Rechtbank Zwolle 25 april 1994, RR 1995, nr. 346.
15 HR 26 juni 1984, RR 1995, nr. 69; zie echter ook Politierechter Utrecht 9 oktober 1992, RR 1995, nr. 298, m.nt. Possel.
16 Rechtbank Amsterdam 23 april 1998, RR nr. 472 mnt Schoep en mnt Nieuwboer.
17 Zie noot Nieuwboer bij Rechtbank Amsterdam 23 april 1998, RR nr. 472, Rechtbank Breda 16 maart 2001, Nieuwsbrief Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD, behorend bij het parket Amsterdam) nr. 2001-2 en Rechtbank Haarlem 4 januari 2002, LECD Nieuwsbrief Discriminatie nr. 2002-1.
18 HR 11 februari 1986, RR 1995, nr. 122.
19 Hof Amsterdam 4 januari 2000, RR 1995-2000, nr. 537 mnt. Schoep en HR 9 oktober 2001, www.rechtspraak.nl.
20 Hof Arnhem (17 maart en) 12 juni 1986, RR 1995, nr. 127.
21 Hof Amsterdam 4 januari 2000, RR nr. 537 mnt Schoep. Tenlastegelegd: art. 137c Sr, art. 266 Sr.
21 HR 9 oktober 2001, www.rechtspraak.nl.
23 Hof Amsterdam 9 april 2001. Zie voor voorbeelden van uitspraken van de Raad voor de Journalistiek de noot van A. Kellermann bij RR nr. 357 en overige uitspraken van de Raad in deze bundel.
24 J.L. van der Neut, Discriminatie en strafrecht, Arnhem: Gouda Quint BV 1986, p. 73.
25 Rechtbank Zwolle 25 april 1994, RR 1995, nr. 346.
26 HR 2 mei 1995, RR nr. 365, mnt Rodrigues, HR 30 september 1997, RR nr. 444, HR 30 september 1997, nr. 445, mnt Duinhof, Rechtbank Rotterdam 8 april 1998, RR nr. 471, mnt Van der Meij, Hof 's-Gravenhage 7 mei 1999, RR nr. 514, mnt Van der Meij.
27 Rechtbank Amsterdam 18 november 1998, RR 500, zie ook J. Duinhof, "CP'86 als deelnemer aan een criminele organisatie", in het LBR-Bulletin, 1/98, p. 23-29.
28 HR 18 mei 1999, RR nr. 515 mnt 't Hart.
29 Zie ook Rechtbank Zwolle 25 april 1994, RR 1995, nr. 346.
30 Kamerstukken II 1967/1968, 9724, nr. 3, p. 5.
31 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, uitspraak 36/1993/431/510, 23 september 1994, besproken door F. Janssens in het NJCM-Bulletin 1995, jaargang 20-2, p. 124-141. Zie ook RR 1995, nr. 326 voor de uitspraak van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, 8 juli 1993, in deze zaak.
32 Politierechter Zutphen 16 november 1993, RR 1995, nr. 339.
33 Rechtbank Amsterdam 13 juni 1995, RR nr. 366 mnt Van der Meij, Hof 's-Hertogenbosch 12 februari 2001, LECD Nieuwsbrief Discriminatie, nr. 2001-1, N. Bochhah, "Roepen van 'Eigen volk eerst' is aanzetten tot discriminatie, in Zebra Magazine, 3/september 2001, Rotterdam: Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie, p. 22, Hof Arnhem 11 maart 1996, RR nr. 388 en Hof Amsterdam 24 mei 1996, RR. nr. 397 mnt Schoep.
34 Kamerstukken II 1967/1968, 9724, nr. 3, p. 5.
35 (a) HR 12 mei 1987, RR 1995, nr. 150. (b) Rechtbank Amsterdam 18 november 1998, RR 1995-2000, nr. 499, m.nt. Schoep. Zo ook Hof Amsterdam 20 april 2000 (rolnr. 23-001459-99) en Rechtbank Dordrecht 9 november 1999, RR 1995-2000, nr. 531.
36 Verklaring in Barend en Van Dorp, 7 maart 2002.
37 A. Brouwer en M. Fogteloo, "Vrijheid van meningsuiting onder druk", in de Groene Amsterdammer, 22 juni 2002.
38 E. van Ree, "Het belang van vrij debat", in de Groene Amsterdammer, 19 januari 2002.
39 Cleveringa-lezing, Rijksuniversiteit Leiden, 4 juni 2002.
40 A. Ellian, "Artikel 1 waarborgt pluriforme maatschappij", in Vrij Nederland, 16 februari 2002.
41 D. Houtzager, "Amerikaanse toestanden! De vrijheid van meningsuiting vs het discriminatieverbod", in Zebra Magazine/2, juni 2002, p. 14-15.
42 A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Amsterdam: Thela Thesis, 1998, p. 400-401.
43 C.W. Maris, "Wanftidè, tuftamara, Over vrijheid van meningsuiting en discriminatie", in Schuijt en Voorhoof, a.w., p. 13-30.
44 Th. Rosier, Vrijheid van meningsuiting en discriminatie in Nederland en Amerika, Nijmegen: Ars Aequi Libri, 1997, p. 307-308.






