Geen vervolging Hirsi Ali voor uitspraken in Trouw
25.04.2003
Dossier: Jurisprudentie
Het VVD-Tweede-Kamerlid Hirsi Ali wordt niet vervolgd voor haar uitlatingen over de islam in dagblad Trouw, zo berichten het ANP, Nieuwsplanet en Brabants Dagblad op 23 april 2003. Volgens het OM liggen in de kritiek die Hirsi Ali op de islam en profeet Mohammed uitte geen conclusies besloten ten aanzien van moslims en wordt de waardigheid van hen als groep niet miskend. Op grond hiervan concludeert de officier van justitie dat Hirsi Ali geen strafbaar feit heeft gepleegd. De uitlatingen van het Kamerlid wekten wrevel bij islamitische organisaties en personen. Die vonden de woorden van Hirsi Ali lasterlijk en eisten dat het Openbaar Ministerie de politica zou vervolgen. Andere islamitische organisaties zagen geen rol voor de rechter in deze zaak. Dit werd onder meer verwoord door H. Karacaer van Milli Görüs Nederland en D. Boujoufi van de Unie van Marokkaanse Moslims in Nederland (UMON). Het LBR (nu Art.1) gaf in januari 2003 aan dat er weinig grond is voor een strafrechtelijke vervolging van Hirsi Ali, en dat een juridische procedure niet wenselijk is (zie onderstaande berichten).
LBR-bericht, Rotterdam, 27 januari 2003
LBR : weinig grond voor strafrechtelijke vervolging van uitspraken Hirsi Ali maar deze uitspraken dragen niet bij aan dialoog
Aankomend VVD-kamerlid Ayaan Hirsi Ali heeft in dagblad Trouw in krasse bewoordingen een negatief oordeel geuit over Mohammed, de stichter van de islam. Het gaat hierbij om persoonlijke uitspraken. De uitspraken van Hirsi Ali zullen, gezien haar positie als aankomend volksvertegenwoordiger, niet bijdragen tot een klimaat waarin partijen nader tot elkaar komen.
Vanuit de media en door particulieren is aan het LBR (nu Art.1) de vraag voorgelegd of deze uitspraken voor vervolging in aanmerking komen. De gezamenlijke islamitische organisaties in Nederland willen, aldus een persbericht van het ANP, dat het Openbaar Ministerie onderzoekt of de uitlatingen van Ayaan Hirsi Ali over de profeet Mohammed strafbaar zijn.
Naar mening van het LBR is er weinig grond voor een strafrechtelijke vervolging van Hirsi Ali. Het beledigingsartikel in het Wetboek van Strafrecht, 137 c, bepaalt dat opzettelijke belediging van een groep mensen vanwege hun geloof strafbaar is. In het interview is daarvan geen sprake, omdat Hirsi Ali in negatieve bewoordingen over de profeet Mohammed spreekt. Hoewel dit veel moslims zal kwetsen, zijn de bewoordingen niet tegen hen gericht. Daarmee zal een vervolging weinig kans van slagen hebben.
Het is niet zinvol veel energie te steken in de vraag of Ayaan Hirsi Ali haar uitlatingen in Trouw, vanuit juridisch oogpunt, wel of niet mocht doen. Niet alleen omdat de kans dat het tot vervolging komt klein is, maar ook omdat de juridische weg de inhoudelijke discussie en dialoog in de weg kan staan. Het maatschappelijk klimaat is gebaat bij het doorgaan van inhoudelijke discussies en het zoeken naar dialoog en wederzijds begrip, ook wanneer standpunten moeilijk verteerbaar zijn of onhandig in de media worden gebracht. Wanneer het gesprek stokt, zullen de verhoudingen slechts verder polariseren en verharden.
Reacties op stellingname LBR
LBR-medewerkers hebben verschillende reacties gekregen op bovenstaande stellingname van het LBR, en de toelichting die daarop in diverse media is gegeven. Het standpunt van het LBR - aangaande het wel of niet strafrechterlijk vervolgen van Hirsi Ali op grond van haar uitspraken in het Trouw-interview - heeft veel bijval gekregen. Er zijn echter ook mensen die teleurgesteld zijn over de stellingname van het LBR.
Uit een enkele reactie sprak de vrees dat de conclusie 'Naar mening van het LBR is er weinig grond voor een strafrechtelijke vervolging van Hirsi Ali' te snel is getrokken. Er zijn echter goede gronden om tot die conclusie te komen, wetgeving en jurisprudentie zijn goed bekeken. Inmiddels zijn in de media ook diverse juristen aan het woord geweest, en zij onderschrijven de mening van het LBR.
Het LBR heeft er bewust voor gekozen om snel te laten weten dat strafrechtelijke vervolging weinig kans maakt. Dat helpt misschien voorkomen dat mensen zich richten op een juridische procedure en vervolgens teleurgesteld en gefrustreerd raken. Mensen kunnen en mogen zich richten op een juridische procedure, maar het is zinnig daarbij de vraag te stellen wat haalbaar is en welk doel er mee wordt gediend.
In dit geval acht het LBR het vooral zinvol wanneer mensen die het oneens zijn met Hirsi Ali, dit aan hun omgeving, aan de media en aan politici laten weten, en dat degenen die zich geraakt voelen duidelijk maken waarom haar uitspraken pijn doen (in de media en bij de politiek is er, zeker in de dagen direct na het interview, veel aandacht voor mensen die het niet met Hirsi Ali eens zijn). Dan kan er een dialoog ontstaan en wederzijds begrip, en ontstaat de mogelijkheid polarisatie tegen te gaan. Via een juridische procedure, die bovendien weinig kans maakt, kan toenadering moeilijk plaatsvinden.
Jeroen Visser,
voormalig woordvoerder LBR (Art.1)






