mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Racisme in Nederland / Racisme in Nederland... / Publieke opinie

* Publieke opinie

De afgelopen jaren hebben diverse gebeurtenissen plaatsgevonden die grote invloed hebben gehad op de publieke opinie in Nederland: de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten, de opkomst van - en moord op Pim Fortuyn in het voorjaar van 2002 en de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004. Die verschuivingen in de publieke opinie kunnen onder meer worden waargenomen bij een analyse van berichtgeving, opinieartikelen en commentaren in de media, maar ook aan de hand van de verschuivende populariteit van politici en politieke partijen. In dit katern over Publieke opinie wordt echter voornamelijk gekeken naar de resultaten van opinieonderzoeken die laatste jaren zijn gepubliceerd.
Er zijn de afgelopen jaren verschillende opinieonderzoeken gehouden die een beeld geven van de meningen en gevoelens van autochtone en allochtone Nederlanders ten aanzien van onderwerpen die gerelateerd zijn aan de aanwezigheid van migranten in de Nederlandse samenleving. Deze onderzoeken geven, direct of indirect, ook een beeld van de verhouding tussen autochtonen en allochtonen in Nederland en van heersende oordelen, vooroordelen en vormen van beeldvorming bij verschillende bevolkingsgroepen.
<br/>
Na 11 september – Moslims en niet-moslims

In de periode vlak na de aanslagen van 11 september 2001 is er een reeks van opiniepeilingen afgenomen om de verhouding tussen moslims en niet-moslims in Nederland in kaart te brengen. Uit al deze enquêtes kwam het beeld naar voren dat na 11 september 2001 angstgevoelens ten opzichte van de islam en moslims waren toegenomen onder de Nederlandse bevolking, net als intolerantie. In de laatste maanden van 2001 werd ook een toename geregistreerd van incidenten en gewelddadigheden jegens moslims (net als in november 2004, toen er na de moord op Theo van Gogh een reeks incidenten plaatsvond waarbij islamitische en, in mindere mate, christelijke gebouwen en personen het doelwit waren). Bij de kwaliteit van de reeks onderzoeken na 11 september 2001 konden wel vraagtekens geplaatst worden. Enquête-uitkomsten hadden in die periode grote nieuwswaarde en de vraagstelling was nogal eens gericht op het verkrijgen van opvallende uitkomsten.[1]

In opdracht van het televisieprogramma Twee Vandaag werd door het NIPO zowel rond 11 september 2002 als rond 11 september 2003 een enquête gehouden.[2] De enquête in 2002 ging met name over de wijze waarop autochtone Nederlanders aankijken tegen moslims. In deze enquête gaf meer dan zes op de tien ondervraagden aan bang te zijn voor gewelddadige acties van moslimextremisten in Nederland. Verder is ruim 50% van de Nederlandse bevolking na 11 september 2001 anders gaan aankijken tegen moslims, Van deze 50% heeft 95% een negatief beeld gekregen. Van de geënquêteerden heeft 45% geen ander idee gekregen over moslims na de terroristische aanslagen. Op de vraag of Nederlandse moslims zich voldoende integreren in de Nederlandse samenleving, vindt 85% van de ondervraagden van niet.
De NIPO-enquête van 2003 geeft aan dat islamitische inwoners van Nederland iets banger zijn voor zijn voor terroristische acties van moslimextremisten in Nederland dan niet-islamitische Nederlanders. Van zowel de moslims als niet-moslims gaf 47 procent aan een klein beetje bang te zijn voor zulke acties. Van de moslims was 27 procent behoorlijk bang of zeer bang voor terroristische acties (tegen 22% helemaal niet bang) en van de niet-moslims was 13 procent behoorlijk of zeer bang voor zulke acties (tegen 37% helemaal niet bang).
Volgens deze enquête uit 2003 is 85% van de moslims het niet eens met de stelling ‘ik voel mij welkom in de Nederlandse samenleving’. Behalve dat moslims aangeven zich niet welkom te voelen, zijn er grote verschillen in beleving, vergeleken met niet-islamitische Nederlanders. Van de ondervraagde moslims was 60% het eens met de stelling dat een moslim zich aan kan passen aan de Nederlandse samenleving zoveel hij of zij wil, maar hij of zij zal altijd een buitenstaander blijven. Van de autochtone Nederlanders is 69% het daarmee oneens. Van de autochtone Nederlanders vindt maar 9% dat moslims genoeg doen om in de Nederlandse samenleving te integreren tegenover 52% van de moslims. Voorts is 51% van de niet-moslims het eens met de stelling dat het toenemende aantal moslims in Nederland hen angstig maakt, en heeft een meerderheid wel bezwaren tegen islamitische scholen, maar niet tegen kassamedewerksters met een hoofddoek.
Over het belang van het buitenshuis spreken van de Nederlandse taal zijn beide groepen het eens. Verder valt op dat 24% van de moslims in deze enquête de stelling onderschrijft dat van de westerse cultuur over het algemeen een slechte invloed uitgaat. Een aanwijzing voor een negatief oordeel over de Nederlandse samenleving.

In juni 2004 hield TNS NIPO[3] in opdracht van de Volkskrant een enquête over de houding van autochtone Nederlanders ten aanzien van moslims. De geënquêteerden geven aan weinig kennis over de islam te hebben (kennis over islam: 65% ‘niet zoveel’, 16% ‘helemaal niets’, 18% ‘veel kennis’) maar hebben wel relatief vaak een negatief oordeel over moslims in Nederland (36 procent heeft een negatief gevoel over moslims en 15 procent een positief gevoel).
Onder de respondenten gaf maar eenderde aan persoonlijke contacten te hebben met moslims in Nederland. Respondenten die vaker contacten met moslims hebben en aangeven te beschikken over kennis over de islam oordelen minder vaak negatief en voelen zich minder bedreigd.
Ook komen tegenstrijdige gevoelens naar voren die andere opinieonderzoeken ook hebben blootgelegd. Zo geeft 68 procent aan dat het goed is dat Nederlandse kinderen in contact komen met kinderen uit diverse culturen. Daarentegen geeft 48 procent van de respondenten aan te zullen verhuizen als er te veel allochtonen in de buurt wonen.
Dit TNS NIPO onderzoek is in december 2004, een maand na de moord op Theo van Gogh, op exact dezelfde wijze nog eens uitgevoerd.[4] Hieruit bleek dat in december 2004 maar liefst tweederde van de Nederlanders bang was voor een aanslag door moslimextremisten, tegenover de helft van alle Nederlanders in juni 2004. Bovendien leeft op dat moment bij 72 procent de angst dat de inwoners van Nederland ‘op termijn moeten leven naar de regels van moslims’. In de zomer van 2004 was dat minder dan de helft, 47 procent.
Deze angst voor aanslagen heeft zich niet vertaald in een negatiever oordeel over moslims of de islam in algemene zin. Wel wordt negatieve sentimenten worden breder en gelijkmatiger gevoeld: ouderen, vrouwen en hoger opgeleiden zijn negatiever gaan denken over moslims.

Vlak na de moord op Theo van Gogh, op 2 november 2004, door een moslim-extremist, zijn er verschillende peilingen gehouden. Zo heeft het TNS NIPO in opdracht van de IKON een onderzoek gehouden naar meningen over kerk en staat vlak voor en vlak na de moord op Theo van Gogh.[5] Dit onderzoek concludeerde dat drie op de tien Nederlanders negatiever zijn gaan denken over de islam naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh. Meningen over de houding die de overheid dient in te nemen tegenover de islam zijn niet veranderd door de moord, zoals bijvoorbeeld over de rol van de overheid bij de inrichting van islamitische scholen of de controle die de overheid dient uit te oefenen op moskeeën.
In opdracht van de GPD-bladen heeft het onderzoeksbureau Motivaction een enquête gehouden onder Nederlanders over de gevolgen van de moord op Theo van Gogh.[6] Uit deze enquête blijkt dat de meeste Nederlanders voorstanders zijn van meer bevoegdheden voor de overheid in haar strijd tegen moslimextremisme. De meeste Nederlanders denken dat de verhoudingen tussen moslims en niet-moslims in Nederland zullen polariseren hoewel de meeste Nederlanders dat niet hopen. Slechts 15 procent denkt dat er een verbroedering zal optreden tussen moslims en niet-moslims in Nederland terwijl 65 procent daarop hoopt.

Verder blijkt dat in de publieke opinie de begrippen allochtoon en moslim steeds meer met elkaar worden verward. De moslims zijn de allochtonen, of de minderheid, bij uitstek geworden - en met allochtonen worden vooral moslims bedoeld.
<br/>
Opvattingen over migranten - langere termijn

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft vanaf begin jaren negentig in het kader van de survey Culturele Veranderingen (CV) regelmatig de Nederlandse bevolking ondervraagd naar haar opvattingen over buitenlanders.[7] Zo is bijna de helft van de ondervraagden van mening dat er teveel buitenlanders in Nederland wonen. Tussen 1991 en 2002 is dit aandeel niet veranderd.
Sinds 1995 is de algemene opvatting over buitenlanders iets negatiever geworden. Het percentage mensen dat van zichzelf zegt dat zij positief tegenover buitenlanders staan, is verminderd van 29 procent in 1995 naar 17 procent in 2002. Het aantal mensen dat een negatieve houding heeft tegenover buitenlanders is gestegen van 12 procent naar 22 procent. De meeste mensen houden zich op de vlakte. Van de ondervraagden neemt 60 procent noch een negatieve, noch een positieve houding aan tegenover buitenlanders.
In de periode 1981-2002 stond circa de helft van de autochtone bevolking gereserveerd of zelf afwijzend tegenover buren van buitenlandse afkomst. Daarbij is sprake van een dalende trend van acceptatie. Het aantal mensen dat geen bezwaar heeft tegen mensen van een ander ras als buur, is gedaald van 54 procent in 1991 naar 43 procent in 2002. Een kleine groep (2 procent) zou zich verzetten tegen buren van een ander ras.
Wat de inburgering betreft, vond in 1995 50 procent van de ondervraagden dat buitenlanders zich meer moeten inspannen om Nederlands te leren. In 2002 is dit percentage gestegen naar 67 procent. Tegelijkertijd is 45 procent van de ondervraagden het eens met de stelling dat immigranten de Nederlandse cultuur verrijken.
Op grond van bovenstaande cijfers zou je verwachten dat meeste mensen voorstander zijn van een streng toelatingsbeleid. Dat is niet zo, wat betreft de toelating van politieke vluchtelingen. In 2002 willen de meeste Nederlanders evenals in voorgaande jaren politieke vluchtelingen een kans geven op toelating: bijna 80 procent staat een soepele regeling voor. Voor economische vluchtelingen en huwelijksmigranten is men wel strenger geworden.

In 2002 werd in opdracht van het SCP een onderzoek verricht naar hoe autochtone Nederlanders over allochtonen denken. Dit onderzoek (Beeldvorming over Minderheden 2002 of BOM’02) werd uitgevoerd door het bureau voor marktonderzoek GfK.[8]
De resultaten van BOM'02 geven aan dat een deel van de autochtone Nederlanders afstand ervaart tot Marokkanen en Turken. Van de respondenten voelt 28 procent zich ‘niet zo’ of ‘helemaal niet’ op hun gemak bij Turken. Bij Marokkanen voelt 38 procent van de autochtone respondenten zich ‘niet zo’ of ‘helemaal niet’ op hun gemak.
Het onderzoek BOM’O2 bevatte ook vragen over discriminatiegeneigdheid en opvattingen over de multiculturele samenleving. Bijna 15 procent van autochtone Nederlanders wil bij ontslag de Nederlandse werknemers bevoordelen. Gaat het om de toewijzing van een woning dan wil bijna 44 procent de voorkeur geven aan autochtone Nederlanders, en 54 procent van de Nederlanders geeft aan geen buitenlanders als buren te wensen.
Uit de BOM’02 blijkt verder dat de meeste Nederlanders gemengde gevoelens hebben over de multiculturele samenleving. Enerzijds onderschrijven de geënquêteerden op grote schaal het ideaal van de multiculturele samenleving. Zo onderschrijft 79 procent van de Nederlanders de stelling dat het goed is dat een samenleving bestaat uit mensen van verschillende culturen. Anderzijds overheerst een negatief oordeel over allochtonen. Zo vindt 65 procent van de Nederlanders dat er teveel allochtonen in Nederland wonen, 58 procent vindt dat allochtonen misbruik maken van sociale voorzieningen en 49 procent vindt dat allochtonen een bron van misdaad en onveiligheid zijn.
In het BOM’02 onderzoek wordt ook ingegaan op de persoonlijke kenmerken die samenhangen met een negatieve houding tegenover buitenlanders of xenofobie. Het blijkt dat een negatieve houding tegenover allochtonen niet sterk afhankelijk is van iemands sociale positie. Maar opleiding blijkt, zoals vaker beschreven, een factor van belang: hoe hoger de opleiding, hoe minder xenofobie. Voorts blijkt dat mannen xenofober zijn dan vrouwen en dat met name jongeren tussen de 17 en 25 een hoge mate van xenofobie vertonen. Autochtone Nederlanders die in buurten wonen waar veel allochtonen wonen, scoren - in twee richtingen - extreem op de xenofobiescores: of ze zijn onverdraagzamer of juist verdraagzamer dan anderen. De verdraagzamen in deze buurten zijn vaak mensen die zeggen veel contacten met allochtonen te hebben.

In een uitgebreid rapport uit 2004 over de toekomst van Nederland is het Sociaal Cultureel Planbureau onder meer ingegaan op de toekomstverwachtingen van Nederlanders over migratie en over integratie van etnische minderheden.[9] Van de respondenten verwacht 55 procent dat in 2020 de meeste etnische minderheden beter geïntegreerd zijn dan nu. Men verwacht vooral dat migranten beter geïntegreerd zullen op het gebied van werk. De Nederlandse bevolking heeft minder hoge verwachtingen als het aankomt op de culturele integratie van migranten. Een minderheid van de Nederlanders verwacht dat allochtonen minder op de eigen groep gericht zullen zijn, dat zij zich hebben aangepast hebben aan de Nederlandse cultuur en dat geloof een minder belangrijke rol speelt bij moslimmigranten.
Verder blijken er angstgevoelens te leven onder Nederlanders. Zo denkt 74 procent van de ondervraagden dat in 2020 de dreiging van moslimfundamentalisme groter zal zijn dan nu, 72 procent vreest het ontstaan van gettowijken waar veel mensen niet durven te komen en een minderheid van 38 procent denkt dat etnische spanningen minder zullen zijn dan nu.
<br/>
Wederzijdse beeldvorming

Op 11 september 2002 promoveerde Ronald Leeflang met een proefschrift naar de wederzijdse beeldvorming van Nederlanders en Turken in concentratiewijken in Tilburg en Rotterdam.[10]
Beide groepen vertonen volgens dit rapport vergelijkbare reacties op een meerderheidsgroep in hun omgeving, wanneer zij zelf tot de numerieke minderheid behoren. Opvattingen van Turken in Tilburgse concentratiewijken zijn vergelijkbaar met die van Nederlanders in de Rotterdamse concentratiewijken. Beide minderheidsgroepen hebben intensieve interetnische contacten, maar zij zijn er ook sterk van overtuigd dat de andere groep de sfeer in de wijk verpest.

Het Instituut voor Sociologisch Economisch Onderzoek heeft in het kader van de survey Sociale Positie en Voorzieningengebruik van Allochtonen (SPVA-02) onderzoek verricht naar de beeldvorming die allochtonen en autochtonen over elkaar hebben.[11] Resultaten van de SPVA worden uitgesplitst naar de belangrijkste vier allochtone bevolkingsgroepen: Turken, Surinamers, Marokkanen en Antillianen.
Er worden onder meer cijfers gegeven over gepercipieerde discriminatie. De meerderheid van de allochtonen vindt dat er in Nederland, ‘af en toe’ of ‘vaak/zeer vaak’, gediscrimineerd wordt. Van de Antillianen vindt 24,5 procent dat er vaak of zeer vaak wordt gediscrimineerd, en 58 procent dat er af en toe wordt gediscrimineerd. Voor de Marokkanen gaat het om respectievelijk 22 procent en 52 procent van de respondenten in de categorieën ‘vaak/zeer vaak’ en ‘af en toe’. Voor de Surinamers om 14 procent en 54 procent respectievelijk, en voor de Turken om 13 procent en 60 procent.
Als het gaat om persoonlijk ervaren discriminatie liggen de cijfers lager. Tussen de 5 procent en 8 procent van de respondenten geven aan vaak of zeer vaak discriminatie te hebben ervaren. Tussen de 29 procent en 35 procent van de respondenten zegt af en toe discriminatie te hebben ervaren. Hoge percentages van 61 procent tot 65 procent geven aan nooit of bijna nooit discriminatie te hebben ervaren.

Deze gevonden percentages wijken niet veel af van onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant uit 1995 en 2001 waarin de helft of meer van de allochtone respondenten aangaf discriminatie te ervaren door de politie en bij het zoeken naar werk. Maar tevens gaf driekwart van de ondervraagden toen aan het afgelopen jaar niet persoonlijk geconfronteerd te zijn met racisme. Wanneer dit wel het geval was ging het meestal om beledigingen. Daarnaast rapporteerde 14 procent van de Marokkanen bedreigingen en ruim 10 procent van de Antillianen en Surinamers was in die periode geconfronteerd met racistisch geweld. Over het geheel genomen voelden allochtonen zich volgens dit onderzoek in 2001 minder gediscrimineerd dan in 1995.[12]

Deze enquêteresultaten suggereren een stabilisatie of misschien zelfs lichte afname van discriminatie in Nederland, maar laten ook zien dat een aantal vormen van structurele discriminatie hardnekkig is, zoals op de arbeidsmarkt. De hardnekkigheid van discriminatie op de arbeidsmarkt wordt ook bevestigd door andere onderzoeksgegevens. Zo is er het onderzoek dat is verricht in opdracht van Staatssecretaris van Sociale Zaken Van Hooff en in april 2005 werd aangeboden aan de Tweede Kamer. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat discriminatie één van de factoren is die de Nederlandse arbeidsmarkt minder toegankelijk voor allochtonen.[13] Ruim een op de drie allochtonen heeft wel eens discriminatie ondervonden bij het zoeken naar werk, of op de werkvloer, was één van de conclusies van dit onderzoek. Verder blijkt uit een onderzoek uit 2002, naar de bereidheid van werkgevers om allochtonen aan te nemen, dat bijna een kwart van de werkgevers aangeeft bij voorkeur geen, of zelfs in geen enkel geval, allochtonen aan te nemen.[14]

Verreweg de meeste allochtonen geven aan (toch) te vinden dat het fijn wonen is in Nederland. Een hele kleine groep (van de Turken 5 procent en van de Marokkanen 0,7 procent) vindt het vervelend wonen in Nederland. Het zijn, vergeleken met de andere groepen, vooral Turken en Marokkanen (respectievelijk 21 procent en 14 procent) die zicht het minst op hun gemak voelen bij Nederlanders. Veel allochtonen en autochtonen zijn het verder eens met de stelling dat je als buitenlander alle kansen krijgt. Opvallend genoegd zijn autochtonen het minst eens met deze stelling (47%) en zijn Turken het daarmee het meest eens (64 procent).[15]

In het SPVA’02-onderzoek is ook gevraagd naar hoe allochtonen over buurt en buren denken. Slechts tussen de 4 procent en 7 procent van de allochtonen geeft aan dat zij het liefst naast een landgenoot willen wonen. Van de autochtonen bedraagt dat percentage 39 procent. Het percentage dat vindt dat er teveel buitenlanders in de buurt wonen, is het hoogst onder Turken (44 procent) en het laagst onder Antillianen (20 procent). Bij autochtonen gaat het om 33 procent van de respondenten.
Ook wanneer gekeken wordt naar factoren als sociale contacten en taalvaardigheid, zijn er in het SPVA’02 onderzoek veel gegevens gevonden die erop wijzen dat de sociale afstand tussen autochtonen en allochtonen niet zo groot is. Slechts een klein deel van de vier grootste etnische minderheidsgroepen in Nederland geeft aan dat zij in hun vrije tijd nooit contact heeft met autochtonen. Voor Turken en Marokkanen ligt dit percentage nog wel op ongeveer 30 procent maar bij hen geldt ook dat er meer contacten zijn naar mate men langer in Nederland verblijft. Van alle vier de groepen geeft rond de 90 procent of hoger aan Nederlandse vrienden of kennissen te hebben. Meer dan 60 procent (Turken en Marokkanen) en 80 procent (Surinamers en Antillianen) geeft aan dat deze ook bij hen op bezoek komen. Voor alle groepen geldt dat sinds de jaren negentig het percentage dat aangeeft nooit autochtone vrienden te ontvangen afneemt. Opvallend is echter dat met name de tweede generatie Turken en Marokkanen in de afgelopen jaren steeds minder met autochtonen omgaat.[16]
SCP-onderzoek geeft aan dat de sociale afstand tussen Turken en Marokkanen enerzijds en autochtonen anderzijds het grootst is. Met name Turken, Marokkanen en autochtone Nederlanders blijven overwegend omgaan met leden van de eigen groep. Van de Turken gaat 70% in de vrije tijd overwegend om met leden van de eigen groep. Onder Marokkanen is dit percentage 60%. Van de autochtone bevolking heeft twee op de drie weinig tot geen contact met allochtonen. Surinamers, Antillianen en de meeste vluchtelingengroepen gaan in hun vrije tijd veel meer met autochtonen om.[17]
Er is slechts een heel kleine groep die het vervelend vindt wanneer hun kinderen veel autochtone vrienden hebben: minder dan 10 procent bij Turken en Marokkanen, 0 procent bij Surinamers en Antilianen. Andersom vindt iets meer dan 10 procent van de autochtonen het vervelend wanneer hun kinderen veel allochtone vrienden hebben. Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen geven veel vaker dan autochtonen aan dit soort interetnische contacten van hun kinderen helemaal niet vervelend te vinden (percentages van 37 tot 73, tegen slechts 9 procent van de geënquêteerde autochtone groep). Autochtonen staan dus iets minder positief tegenover dit soort contacten.
Turken, Marokkanen en autochtonen staan minder positief dan Antillianen en Surinamers tegenover de keuze van hun kind voor een autochtone partner (allochtone partner in de vraag voor autochtonen).[18]
Uit het SPVA’02 onderzoek blijkt dat bij Turken en Marokkanen bij de partnerkeuze van zoon of dochter het geloof een belangrijke rol speelt. Autochtonen, Antillianen en Surinamers hebben er veel minder moeite mee dan Marokkanen en Turken (een ruime meerderheid, met name wanneer het om dochters gaat) wanneer hun dochter of zoon wil trouwen met een partner die een andere religie belijdt.[19]

SCP-onderzoekers Gijsberts en Dagevos hebben onderzoek gedaan naar hoe autochtonen en allochtonen over elkaar denken en welke factoren daarop van invloed zijn.[20] Geoordeeld wordt dat autochtone Nederlanders en allochtone Nederlanders mild over elkaar oordelen. De oordelen van allochtonen en autochtonen over elkaar zijn vrij positief. Op een schaal van 0-100, waarbij 100 het meest positief is en gevraagd is naar zaken als gastvrijheid, eerlijkheid en verdraagzaamheid, geven de autochtonen de allochtonen 57 tot 75 punten. De Surinamers worden wat positiever beoordeeld, de Marokkanen iets minder. Omgekeerd waarderen de allochtonen de autochtonen met 65 tot 73 punten. De Turken beoordelen (met 65 punten) de autochtonen wat minder positief, met name waar het gaat om gastvrijheid en verdraagzaamheid. Wel zijn autochtonen negatief gestemd over de aanwezigheid van allochtonen. Zij hebben vooral problemen met de grote omvang van het aantal minderheden in Nederland. Allochtonen denken hier tot op zekere hoogte hetzelfde over als autochtonen alleen veel gematigder.
Minderheden zijn niet onverdeeld positief over het maatschappelijk klimaat rond minderheden. Vooral Turken zijn somber gestemd. Tussen de generaties en de verschillende opleidingsniveaus bestaat weinig variatie in hun opvattingen over met name de mate waarin allochtonen door de Nederlandse samenleving worden geaccepteerd. Bij allochtonen zijn hoger opgeleiden dus niet positiever gestemd over het maatschappelijk klimaat rond de integratie van allochtonen dan lager opgeleiden dit in tegenstelling tot autochtonen. Ook zijn bij allochtonen vrouwen minder positief dan mannen. Bij autochtonen daarentegen zijn vrouwen positiever gestemd dan mannen.
Als gekeken wordt naar de relatie tussen etnische concentratie en beeldvorming dan blijkt het aandeel etnische minderheden in de buurt niet van invloed te zijn op negatieve opvattingen over en weer. In buurten waar de aanwezigheid van allochtonen snel toeneemt heersen wel negatievere opvattingen. In zulke buurten zijn minder contacten tussen allochtonen en autochtonen en uit onderzoek blijkt dat sociale contacten tussen autochtonen en allochtonen een verzachtende rol spelen in opvattingen over elkaar. Interetnisch contact heeft dus een positief effect heeft op de wederzijdse beeldvorming tussen allochtonen en autochtonen.
<br/>
Integratie

Verschillen tussen allochtone en autochtone bevolkingsgroepen worden ook geconstateerd in andere onderzoeken. Zo is er het onderzoek uitgevoerd door TNS NIPO in opdracht van het tijdschrift Contrast naar de opvattingen onder de Nederlandse bevolking over de integratie van allochtone Nederlanders.[21] Resultaten van het onderzoek worden uitgesplitst naar vier bevolkingsgroepen: autochtone Nederlanders, Surinamers/Antillianen, Marokkanen en Turken. Er blijken grote verschillen te bestaan, tussen allochtonen en autochtonen, over hoe zij denken over de maatschappelijke integratie van allochtonen. Het verschil tussen autochtone Nederlanders aan de ene kant en Marokkanen en Turken aan de andere is het grootst. De Antillianen en Surinamers nemen een tussenpositie in.
Zo werd gevraagd naar de mate waarin allochtonen zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Van de autochtone Nederlanders vindt 34 procent dat allochtone Nederlanders zich helemaal moeten aanpassen en 57 procent dat het grotendeels moet geschieden. Onder de Marokkanen vindt vijf procent dat allochtonen zich helemaal moeten aanpassen en onder Turken is dit 0 procent. Surinamers en Antillianen nemen weer een tussenpositie in. Wel vinden van de Marokkanen 41 procent en van de Turken 48 procent dat men zich grotendeels moet aanpassen. Bijna driekwart van de autochtonen vindt dat allochtonen te weinig moeite doen om te integreren. Terwijl een duidelijke meerderheid van de allochtonen vindt dat zij wel veel doen om te integreren.
Voor autochtone Nederlanders heeft integratie een andere betekenis dan voor allochtone Nederlanders. Autochtone Nederlanders beschouwen als belangrijkste voorwaarden voor integratie: het beheersen van de Nederlandse taal en aanpassing aan Nederlandse normen en waarden. Allochtone Nederlanders benadrukken voornamelijk het beheersen van de Nederlandse taal. Allochtonen zijn ook veel optimistischer dan autochtonen voor wat betreft de slaagkansen van de maatschappelijke integratie van allochtonen.

Uit een in 2005 uitgevoerd onderzoek in opdracht van NRC Handelsblad blijkt dat allochtone Nederlanders gemiddeld minder gelukkig zijn dan autochtone Nederlanders.[22] Het zijn vooral allochtonen van de eerste generatie die minder gelukkig en ook minder optimistisch zijn. De tweede generatie allochtonen zijn gelukkiger en optimistischer gestemd dan de eerste generatie. De grote uitzondering hierbij, in negatieve zin, zijn Turkse migranten van de tweede generatie. Zij zijn minder gelukkig en pessimistischer dan de eerste generatie.

Uit een onderzoek naar de houding van Turkse migranten en autochtone Nederlanders tegenover integratie en multiculturalisme blijken weer de verschillen tussen allochtone en autochtone Nederlanders.[23] Turkse Nederlanders hechten meer belang aan cultuurbehoud terwijl autochtone Nederlanders meer belang hechten aan assimilatie dus aanpassing van migranten aan de dominante cultuur. Turkse Nederlanders maken een onderscheid tussen het privé-domein en het publieke domein waarbij binnen het publieke domein de voorkeur wordt gegeven aan integratie en binnen het privé-domein aan separatie. Autochtone Nederlanders geven de voorkeur aan assimilatie zowel binnen het privé-domein als het publieke domein.
<br/>
Conclusies

Uit bovenstaande cijfers kan geconcludeerd worden dat de opvattingen over buitenlanders en migranten nog steeds redelijk, maar zich wel ontwikkelen in een negatieve richting. Het lijkt erop dat de moord op Theo van Gogh en de nasleep van deze moord de ontwikkelingen in een negatieve richting beïnvloeden. Ook geven veel mensen aan pessimistisch te zijn over de toekomst.

Opvallend is voorts dat het aantal autochtone Nederlanders met negatieve gevoelens over de aanwezigheid van grote aantallen minderheden de afgelopen 20 jaar onveranderd vrij hoog is gebleven. Een groot deel van de Nederlandse bevolking heeft altijd een sceptische of zelfs negatieve houding ingenomen tegenover immigratie en de grote aantallen migranten in de Nederlandse samenleving.

Eisen op het gebied van het leren van de Nederlandse taal en integratie worden laatste jaren met meer nadruk gesteld. Daarbij wordt ook een kloof geconstateerd tussen allochtonen en autochtonen. Een ruime meerderheid van de autochtone Nederlanders vindt dat migranten zich te weinig aanpassen aan de Nederlandse cultuur, terwijl de meeste migranten vinden dat zij wel veel doen om te integreren. Voorts blijkt dat autochtonen en allochtonen verschillend denken over hoe het integratieproces zou moeten verlopen. Allochtonen blijven waarde hechten aan het behoud van een eigen identiteit, met name op privé-terrein. Autochtonen vinden dat allochtonen zich geheel of grotendeels aan de Nederlandse cultuur moeten aanpassen. Wat dat aanpassen aan de Nederlandse cultuur betekent, wordt niet helemaal duidelijk uit de enquêtes.
Autochtone Nederlanders met een hogere opleiding zijn positiever gestemd over zaken die samenhangen met integratie van minderheden en multiculturaliteit dan autochtone Nederlanders met een lage opleiding. Ook zijn vrouwen positiever gestemd dan mannen. Bij allochtonen blijkt de hoogte van de opleiding niet van invloed te zijn op de opinievorming, en bij hen zijn juist mannen positiever dan vrouwen over de maatschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot de maatschappelijke positie van allochtonen.
Voorts concentreren de opiniepeilers zich vaker op de verhoudingen tussen moslims en autochtone Nederlanders, naar aanleiding van de aanslagen van 11 september en de moord op Theo van Gogh. Uit de opiniepeilingen blijkt dat de verhoudingen tussen moslims en niet-moslims behoorlijk onder druk zijn komen te staan in Nederland.
<br/>
<small>
Voetnoten:

fn1. Vergelijk Jaar in beeld 2000. Racisme meten.

fn2. Zie http://verkiezingen.2vandaag.nl/index.php?module=PX_Story&

fn3. Kanne, P. (2004), Gevoelens van autochtone Nederlanders ten opzichte van allochtonen en moslims, Amsterdam: TNS NIPO, 2004

fn4. Kanne, P. (2005), Gevoelens van autochtone Nederlanders ten opzichte van moslims. Een half jaar later, Amsterdam: TNS NIPO, 2004

fn5. Kanne, P. (2004), Meningen over kerk en staat: Na de moord op Theo van Gogh, Amsterdam: TNS NIPO

fn6. Rotterdams Dagblad (9 november 2004), Verbroedering tussen moslims en autochtonen verder weg dan ooit

fn7. Becker, J. (2003), Opvattingen over het beleid, uit: De sociale staat van Nederland, Den Haag: SCP, 2003

fn8. Dagevos, J., Gijsberts, M. en Praag, C. van (red) (2003), Rapportage minderheden 2003: Onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie, Den Haag: SCP

fn9. SCP (Sociaal en Cultureel Planbureau) (2004), In het zicht van de toekomst: Sociaal en cultureel rapport 2004, Den Haag: SCP

fn10. R.L.I.Leeflang (2002), Ethnic stereotypes and interethnic relations: a comparative study of the emotions and prejudices of Dutch and Turkish residents of mixed neighbourhoods, Proefschrift Universiteit van Tilburg

fn11. Dagevos, J., Gijsberts,M. en Praag, C. van (red) (2003), Rapportage minderheden 2003: Onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie, Den Haag: SCP, en Groeneveld, S. en Weijers-Martens, Y. (2003) Minderheden in beeld: SPVA-02, Rotterdam: ISEO

fn12. Hoogsteder, M., Schalk-Soker, S. en Vijver, F. van de (2001), Onderzoek naar opvattingen van migrantengroepen in Nederland over de multiculturele samenleving, Utrecht: NCB

fn13. Odé, A., Mevissen, J. en Klaver, J. (2005), De arbeidsmarktpositie van allochtonen: Een inventarisatie van knelpunten en oplossingen, Amsterdam: Regioplan Beleidsonderzoek

fn14. Kruisbergen en Veld, Th. (2002), Een gekleurd beeld: over beoordeling en selectie van jonge allochtone werknemers, Assen: Koninklijke Van Gorcum

fn15. Groeneveld, S. en Weijers-Martens, Y. (2003), Minderheden in beeld: SPVA-02, Rotterdam: ISEO

fn16. Dagevos en J. Gijsberts, M. en Praag, C. van (red) (2003), Rapportage minderheden 2003: Onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie, Den Haag: SCP

fn17. Gijsberts, M. en Dagevos, J. (2005), Uit elkaars buurt. De invloed van etnische concentratie op integratie en beeldvorming, Den Haag: SCP

fn18. Dagevos en J. Gijsberts, M. en Praag, C. van (red) (2003), Rapportage minderheden 2003: Onderwijs, arbeid en sociaal-culturele integratie, Den Haag: SCP.
47% Marokkanen, 39% Turken, 23% autochtonen, 5% Surinamers, 0% Antillianen vindt dat vervelend of heel vervelend; 70% Antillianen, 56% Surinamers, 18% Turken, 11% Marokkanen, 9% Nederlanders vindt dat helemaal niet vervelend. Het gaat om de mening van hoofden van huishoudens.

fn19. Groeneveld, S. en Weijers-Martens (2003), Minderheden in beeld: SPVA-02, Rotterdam: ISEO pag. 86

fn20. Gijsberts, M. en Dagevos, J. (2004), Concentratie en wederzijdse beeldvorming tussen autochtonen en allochtonen, uit: Migrantenstudies 20(3), 145-168, en Gijsberts, M. en Dagevos, J. (2005), Uit elkaars buurt. De invloed van etnische concentratie op integratie en beeldvorming, Den Haag: SCP

fn21. Bodegraven, R. (5 december 2002), Gescheiden werelden: De rol van normen en waarden bij integratie, uit: Contrast

fn22. Santing, F. (23 april 2005), In Marokko ga je op vakantie, naar Turkije ga je terug, uit: NRC Handelsblad

fn23. Arends-Tóth (2003), Psychological acculturation of Turkish migrants in the Netherlands: Issues in theory and assessment, Proefschrift Universiteit van Tilburg, Amsterdam: Dutch University Press
</small>

<br/>
« Extreme racistische uitingingen en geweld

p>. Arbeidsmarkt »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 

auteur:
Eddie Nieuwenhuizen en Jeroen Visser



 

Index LBR-rapportage Racisme in Nederland. Stand van zaken.

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: