mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Racisme in.. / Racisme in.. / Politieke..

* Politieke ontwikkelingen

Katern LBR-rapportage Racisme in Nederland. Stand van zaken

Tekst 2003/2004
De aanslagen in New York en Washington op 11 september 2001 en het omstreden maar populaire optreden van de op 6 mei 2002 vermoorde politicus Pim Fortuyn hebben de Nederlands politiek danig beïnvloed, zo wordt het althans door velen beleefd. '11 september 2001' en 'Fortuyn' zijn in het huidige maatschappelijk klimaat symbolen voor angstgevoelens en onvrede onder de bevolking over de islam, immigratie en integratie. In de parlementaire politiek lijkt, na het aantreden van het CDA-VVD-D66 kabinet in 2003, de tijd van verandering en beroering alweer voorbij. Maar de 11 september en Fortuyn thema's islam, integratie en immigratie zijn nog steeds gevoelige en veelbesproken onderwerpen in het politieke debat.

De verkiezingen van 22 mei 2002 stonden in het teken van de moord op Pim Fortuyn twee weken daarvoor. De partij van Pim Fortuyn, de LPF, werd de tweede partij van het land en kwam in het nieuwe kabinet. Dit eerste kabinet Balkenende, waaraan ook CDA en VVD deelnamen, was geen lang leven beschoren. Door instabiliteit van de LPF hield dit kabinet het niet lang vol. Daardoor waren nieuwe verkiezingen in januari 2003 noodzakelijk. De LPF verloor daarbij fors. VVD, CDA en D66 vormden na een moeizame formatie het kabinet Balkenende II. Na een jaar van beroering had Nederland weer een regering die aan regeren toekwam.

Voor het huidige kabinet Balkende zijn, in de geest van Pim Fortuyn, immigratie en integratie belangrijke thema's. Fortuyn hamerde tijdens zijn verkiezingscampagne op deze thema's. Hij wilde dat zo min mogelijk migranten en vluchtelingen naar Nederland zouden komen en dat zij zich zouden aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Onder invloed van zijn succes gingen alle partijen over deze thema's een hardere toon aanslaan. Het wekt dan ook geen verwondering dat het nieuwe kabinet eveneens een harde toon aanslaat.
Wat betreft het beleid is er echter geen sprake van een breuk met het beleid van de voorgaande Paarse kabinetten. Ook deze kabinetten probeerden met strengere wetgeving het aantal naar Nederland komende migranten en vluchtelingen te verminderen. Het aantal asielzoekers is, net als in andere Europese landen, al een paar jaar aan het dalen door strenger beleid. Ook het inburgeringbeleid van het kabinet Balkenende is door de Paarse kabinetten op gang gebracht. Het kabinet Balkenende continueert de al in de jaren negentig ingezette trend van een strenger vreemdelingenbeleid en integratiebeleid. Het verschil met vorige kabinetten ligt vooral in de toon die wordt aangeslagen, door kabinetsleden, regeringspartijen en oppositiepartijen, in het politieke en maatschappelijke debat over migratie en de integratie van minderheden.

Met een harde toon kunnen politici een deel van de politieke achterban bedienen, maar ook mensen afschrikken. Met name Nederlanders met een migrantenachtergrond en islamitische gelovigen geven nogal eens aan zich afgewezen te voelen door de reeks van discussies over migratie- en integratieonderwerpen waarbij generaliserend en beschuldigend naar groepen migranten en migrantenjongeren wordt gewezen. Dat mensen de 'stand van zaken' rondom migratie en integratie heel verschillend kunnen interpreteren, blijkt bijvoorbeeld uit de verslagen van de hoorzittingen van de parlementaire commissie die, in opdracht van de Tweede Kamer, het integratiebeleid van de afgelopen dertig jaar onderzoekt.
<br/>
Parlementaire onderzoekscommissie integratie

Omdat de Tweede Kamer het standpunt inneemt dat het integratiebeleid onvoldoende geslaagd is, heeft zij een parlementaire onderzoekscommissie ingesteld, om dat integratiebeleid te onderzoeken (de commissie Blok, genoemd naar haar voorzitter VVD parlementariër Stef Blok).[1] De commissie sprak, in de kamer en in diverse steden, met betrokkenen en organisaties. Het Hilda Verwey Jonker instituut kreeg van de kamercommissie de opdracht het Nederlandse integratiebeleid te onderzoeken. Het instituut publiceerde op 25 september 2003 daarover het rapport Bronnenonderzoek Integratiebeleid. De Nederlandse kranten gaven, in artikelen over het rapport en de gesprekken die de commissie voerde, een duidelijk beeld van hoe verschillend er in Nederland over het thema integratie wordt geoordeeld. Daarbij overheerst een negatieve teneur en zijn mensen met een positiever oordeel in de verdediging.

Het bronnenonderzoek was - gezien de politieke gevoeligheid van het onderwerp bijna onvermijdelijk - bij publicatie al omstreden. Kamerleden van SP en VVD stelden dat het Verwey Jonker instituut in het verleden te nauw betrokken was geweest bij het gevoerde integratiebeleid. De redelijk positieve toon van het rapport van het instituut lag bij voorbaat onder vuur.[2] Het instituut oordeelt onder meer dat een groot deel van de onderwijsachterstand van allochtonen is weggewerkt, dat op het gebied van huisvesting veel goed geregeld is en dat een groot deel van de doelstellingen uit de jaren zeventig is gehaald. Wel werd veel beleid onvoldoende uitgevoerd en was er te weinig aandacht voor hoe autochtonen, die hun scholen en wijken zagen veranderen, dat beleefden. Want het multiculturele ongenoegen heeft wellicht ook met jaloezie van autochtonen te maken.[3]
Han Entzinger, hoogleraar migratie- en integratiestudies, bevestigde tegenover de onderzoekscommissie dat er, naar zijn mening, sprake is van een redelijk succes. De kloof tussen allochtonen en autochtonen is kleiner geworden en bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de tweede generatie stijgt jaar na jaar.[4] Onderzoeker en publicist Paul Scheffer stelde daarentegen dat de tweede generatie het beduidend minder goed doet dan verwacht, hij wees op zorgwekkende WAO- en werkloosheidscijfers en het veelvuldig trouwen met partners uit het buitenland.[5] Volgens econoom en overheidsadviseur Arie van der Zwan is niet het hele integratiebeleid mislukt maar moeten verplichtingen worden gesteld aan allochtonen om de keerzijde van het integratiebeleid ongedaan te maken. Er moeten bijvoorbeeld sancties staan op absentie bij taalonderwijs en een strenge rechtshandhaving ten aanzien van allochtone jongeren. Participatie op de arbeidsmarkt noemde hij echter de sleutel tot integratie.[6] Ook naar mening van de hoogleraren Rinus Penninx en Ruud Koopman is de Nederlandse overheid zich veel te laat gaan richten op integratie en zelfredzaamheid van migranten.[7]
In de steden die de commissie bezocht, lieten diverse migranten van allerlei afkomst echter aan de commissieleden weten dat het integratiedebat hen begint te irriteren. Wat moeten wij nog meer doen om geïntegreerd genoemd te worden, om in Nederland geaccepteerd te zijn? Goed opgeleide allochtonen stelden verder discriminatie op de arbeidsmarkt aan de orde. Afkomst is voor hen een nadelige factor, ook wanneer scholing, taalkennis en ervaring voldoende zijn.[8] Praktische voorbeelden van steden, scholen en wijken die problemen hadden met de snelle verkleuring van de bevolking kwamen ook aan de orde bij de gesprekken die de commissie in de steden voerde. Voorbeelden die lieten zien dat integratie een tweezijdig proces moet zijn. Veel sprekers getuigden echter dat er momenteel iets mis is met de houding van autochtonen. Waar in het verleden de houding van Nederlanders wellicht teveel werd gekenmerkt door betutteling, lijkt die nu om te slaan in onverdraagzaamheid, gestoeld op onvrede met de huidige situatie.[9]
<br/>
Het eindrapport van de commissie Blok

Het eindrapport van de parlementaire commissie is op 19 januari 2004 verschenen. Vooraf was er de verwachting dat de visie van de commissie op verleden en toekomst van de integratie, en bijvoorbeeld haar maatstaf om te bepalen of iemand als geïntegreerd kan worden beschouwd, van groot belang zou kunnen zijn voor het verdere politieke debat. Commentatoren wezen er echter ook op dat zelfonderzoek en leren van fouten veel moeilijker is, dan anderen beschuldigen van wat er fout is gegaan. 'Waar het om gaat, iets te leren van onmiskenbare fouten in het verleden, zal aan het zicht worden ontrokken worden door een woud van wijzende vingers', waarschuwde Bas Heijne in NRC Handelsblad.[10] Zijn voorspelling leek op de dag van het verschijnen van het rapport van de commissie Blok bewaarheid te worden. In de woorden van zijn NRC-collega Frits Abrahams, 'Er was maar één boodschap die men van Blok wilde horen: de integratie is volledig mislukt. Geen nuances, geen relativeringen, laat staan enig positief geluid'.[11]
De constatering dat alle partijen over het rapport heen vielen, kan moeilijk weerlegd worden, en is tekenend voor het heersende politieke klimaat. Wanneer politici hadden verwacht dat de commissie met panklare oplossingen zou komen voor de toekomst van integratie en migratie, of de stokpaardjes van individuele kamerleden zou berijden, is enige teleurstelling wel begrijpelijk. De commissie had, zo blijkt uit diverse reacties, kritischer kunnen kijken naar het falende integratiebeleid ten aanzien van asielzoekers, meer kunnen ingaan op de rol van werkgevers en werknemers of op de actuele discussies over het beperken van huwelijksmigratie en nieuw geformuleerde ideeën over arbeidsmigratie.[12] Maar de commissie heeft wel degelijk een gedegen rapport neergelegd[13], met bouwstenen voor verdere discussies over de belangrijkste beleidsonderdelen. De rol van het rapport zal in de kamerdebatten van de komende maanden wellicht groter zijn dan het momenteel lijkt. Misschien zal dan ook de waardering van de diverse politici voor het werk van hun partij- en vakgenoten in de commissie toenemen.

Positief is dat de commissie een definitie van integratie heeft geformuleerd.[14] Politici die hun mening geven over het al of niet gelukt zijn van integratie zullen nu in ieder geval ook zelf moeten aangeven wat zij daar onder verstaan. Aan de definitie van de commissie, die begrijpelijkerwijs de nadruk legt op gelijkwaardige deelname op sociaal economisch terrein, kennis van de Nederlandse taal en het respecteren van gangbare waarden en normen, kan nog wel iets worden toegevoegd. Directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau Paul Schnabel geeft bijvoorbeeld aan dat het ook belangrijk is of iemand zelf het gevoel heeft dat hij onderdeel uitmaakt van de samenleving, en of zijn omgeving dat ook zo beoordeelt.[15] Maar met zulke criteria komt de beoordeling van het geïntegreerd zijn van personen op microniveau te liggen. Een niveau waarop de overheid nauwelijks effectief beleid kan voeren. Schnabel waarschuwt verder tegen de neiging om het dragen van hoofddoekjes door moslimvrouwen als maat voor integratie te zien. Kritische vragen stellen over allerlei zaken mag, maar 'je moet oppassen voor een niveau, waarbij voortdurend de oprechtheid en eigenheid van allochtonen in twijfel wordt getrokken.[16]'
Het zou overigens interessant zijn eens te onderzoeken in hoeverre autochtonen volgens deze definities 'geïntegreerd' zijn. Het opleidingsniveau, de sociaal-economische positie van mensen en wellicht ook het al of niet in aanraking komen met discriminatie zouden wel eens van meer invloed kunnen zijn - voor de mate van integratie in de samenleving - dan het al of niet hebben van een migrantenachtergrond.

Hieronder een aantal conclusies en voorstellen die de commissie aan de politiek meegeeft[17]:

  • De integratie van veel allochtonen is geheel of gedeeltelijk geslaagd. Het slagen van die integratie is te danken aan de betreffende allochtone burgers en de ontvangende samenleving.
  • Integratie voltrekt zich relatief onafhankelijk van het minderhedenbeleid, net als in andere immigratielanden.
  • De noodzaak van het leren van de Nederlandse taal is lange tijd miskend. Maar zelfs nu inburgering verplicht is voor elke nieuw- en oudkomer is het aanbod van taal- en inburgeringscursussen te gering om aan de vraag onder allochtonen te voldoen. Naast taallessen moeten maatschappelijke stages en werkervaring worden geboden. Een realistische verwachting ten aanzien van het eindniveau van inburgering moet worden gerealiseerd. Nu is er te weinig maatwerk.
  • De spanning tussen het handhaven van een (nationale) verzorgingsstaat en (internationale) immigratie is te lang onderschat, daardoor is er onvoldoende op arbeidsparticipatie gericht beleid geweest en zijn, in plaats daarvan, te gemakkelijk uitkeringen verstrekt. Daarbij luisterde de overheid teveel naar de werkgevers en werknemersorganisaties. Wetgeving om arbeidsdeelname van allochtonen te bevorderen werd daardoor uitgesteld.
  • In de toekomst moet worden voorkomen dat werkgevers lasten afwentelen op de samenleving. Inactiviteit onder migranten heeft geleid tot negatieve beeldvorming. Werkgelegenheidsprojecten in samenwerking met werkgevers waren in de jaren negentig redelijk succesvol, een succes dat werd ondersteund door de toenmalige economische hoogconjunctuur. Gesubsidieerde arbeid, zoals Melkertbanen, was belangrijk om allochtonen aan werk te helpen.
  • Het immigratie-toelatingsbeleid en het integratiebeleid moeten gericht zijn op arbeidsparticipatie. Een baan is het beste middel tot integratie.
  • Hoewel allochtone vrouwen de laatste tien jaar aanzienlijke vooruitgang op de arbeidsmarkt hebben geboekt, is registratie van de arbeidsparticipatie van allochtonen vrouwen en meisjes nodig.
  • Huwelijksmigratie legt een te grote druk op de integratie in Nederland. Ook vindt de commissie dat in Turkse en Marokkaanse kringen de opvattingen over de eerbaarheid van de vrouw weinig zijn veranderd. Maar de commissie is voor de eigen keuzevrijheid en verantwoordelijkheid om een hoofddoek te dragen. De overheid mag dat pas inperken als er daarvoor functionele gronden zijn.
  • Discriminatie en vooroordelen bij autochtonen én allochtonen moeten actief worden bestreden.
  • De overheid moet inzien dat mensen in een veilige en schone omgeving willen wonen. Arme wijken moeten beter worden onderhouden en overlast en criminaliteit worden bestreden. Beleid om sociale problemen in achterstandswijken aan te pakken heeft gefaald.
  • De woonomstandigheden van Surinamers en Antillianen en in mindere mate Turken en Marokkanen zijn sterk verbeterd, door sluiting van pensions, een meer toegankelijke sociale huursector en toenemend gebruik van huursubsidie.
  • Eenzijdig bouwen, gebrek aan sociale woningbouw in Vinex-wijken en de stijging van huurprijzen, onder andere door stadsvernieuwing, heeft de woonsegregatie bevorderd. Randgemeenten moeten hun bijdrage leveren aan het huisvesten van mensen met een laag inkomen, door naast dure ook goedkope huizen te bouwen.
  • Het kabinet Balkenende wil concentraties van kansarme allochtonen tegengaan maar stijgende huren en het verlagen van huursubsidies maken het voor hen betaalbare woningaanbod kleiner.
  • Economische achterstand is een grotere belemmering voor het slagen in het onderwijs dan etnische achtergrond, met het opleidingsniveau van de ouders als de sterkst bepalende factor voor de onderwijskansen van kinderen.
  • Het aantal zwarte basisscholen (meer dan de helft allochtone achterstandsleerlingen) is in relatief korte tijd gegroeid tot 580. De overheid heeft te laat op de ontwikkeling van deze vorm van segregatie gereageerd. Gebrek aan ontmoeting door segregatie is slecht voor integratie. De commissie is voor harde afspraken tussen gemeenten en scholen over de verdeling van allochtone en autochtone leerlingen, hoewel zij erkent dat segregatie moeilijk op te lossen is. Overigens stelt de commissie Blok vast dat allochtone leerlingen de laatste vijftien jaar sterk vooruit zijn gegaan, het Nederlands steeds beter beheersen en daardoor rekenachterstanden inhalen. Met name meisjes halen hun achterstanden in.
  • Omdat bijzondere scholen kinderen mogen weigeren, beperkt Artikel 23 van de grondwet in bepaalde gevallen de keuzemogelijkheden van ouders.

Het is niet uitgesloten dat de milde, maar gezien de tijdsgeest verrassende, op realiseerbaarheid gerichte conclusies van de commissie Blok een voorloper zijn van een lichte verandering van het politiek maatschappelijk klimaat. In commentaren en op de opiniepagina's van dagbladen lijkt er in ieder geval recentelijk meer aandacht te zijn voor het feit dat het luidkeels opeisen van vergaande integratie door allochtonen averechts kan werken, doordat dit segregatie bevordert en ten koste gaat van het betrekken van migranten bij het beleid en het maatschappelijk leven. Maar vastgesteld wordt ook dat politici en andere debaters nog moeilijk over integratie kunnen discussiëren zonder vooringenomen te zijn.[18]
Wanneer er te vaak eenzijdig negatief naar migranten en de islam wordt gewezen, kan het gevoel ontstaan dat zij op grond van hun afkomst of geloof niet gelijkwaardig aan de samenleving deelnemen. Segregatie kan daardoor toenemen. Het is daarom in ieders belang dat het maatschappelijk debat evenwichtig gevoerd wordt.
<br/>
AEL en extreem-rechts

De toenemende polarisatie in het integratiedebat heeft geleid tot een verschuiving in toon en standpunten bij alle Nederlandse politieke partijen. Kleine, meer extreme, partijen voor wie migratie en integratie de hoofdthema's zijn, proberen te profiteren van deze polarisatie. Maar zij slagen er tot nu toe niet in een factor van belang te worden in de Nederlandse politiek. Bijvoorbeeld aan extreem-rechtse zijde is, maar met weinig succes, geprobeerd gebruik te maken van de polarisatie rond de thema's migratie en integratie en van het Fortuyn-effect. (Meer hierover in de paragraaf over Extreem-rechts in Nederland

In de eerste helft van 2002 trad, vanuit België, de Arabische Europese Liga (AEL) toe tot de Nederlandse politieke arena. De media besteedde in die tijd veel, overwegend negatieve, aandacht aan deze nieuwe politieke beweging. Om politiek succes te behalen bespeelt de AEL twee thema's. Het eerste thema is de positie van de islam in Europa en de rest van de wereld, met een sterke betrokkenheid bij het lot van de Palestijnen in het conflict met Israël. Het tweede thema is het etnische groepsbelang, dat wordt benoemd als strijd voor het behoud van de eigen, Arabisch, islamitische identiteit.
Bij de oprichting van de partij leek deze op belangstelling van goed opgeleide islamitische Nederlandse jongeren te kunnen rekenen. Onder hen lijkt behoefte te bestaan aan een op emancipatie gerichte beweging die zich keert tegen de negatieve beeldvorming over islamitische jongeren in de Nederlandse politiek. Gebrek aan leiderschap, controverses over politieke en religieuze standpunten en eenzijdige nadruk op het Palestijns-Israëlische conflict lijken de AEL echter veel aanhang te kosten. Het leden aantal blijft klein, en bovendien dringt het besef door dat de kans klein is dat de AEL zetels behaalt bij verkiezingen. Tegenvallende verkiezingsresultaten van de AEL in België illustreren dat.[19]

<br/>
<small>
Voetnoten

fn1. Rapport over 30 jaar beleid vrijgegeven: Integratiebeleid is niet totaal mislukt, NRC Handelsblad, 25 september 2003.

fn2. Rapport over 30 jaar beleid vrijgegeven: Integratie is niet totaal mislukt, NRC Handelsblad, 25 september 2003.

fn3. Jaloerse autochtoon zit integratie in de weg, Reinoud den Haan, Algemeen Dagblad, 26 september 2003.

fn4. Integreren was nooit een plicht, Michiel Kruijt, De Volkskrant, 30 september 2003.

fn5. Ibidem.

fn6. Ibidem.

fn7. Gewone Nederlanders bij integratie even vergeten, Jaco van Lambalgen, Rotterdams Dagblad, 30 september 2003.

fn8. Ben ik geïntegreerd?, Edwin Schoon, Trouw, 28 oktober 2003.

fn9. Ibidem en Integratie-rapport. Het beleid deinde wel mee, Kustaw Bessems, Hélène Butijn, Edwin Schoon, Trouw, 26 september 2003.

fn10. Schuld, Bas Heijne, katern Opinie & Debat, NRC Handelsblad, 17 januari 2004.

fn11. ‘De politiek is bang geworden voor het volk, doodsbang, en de dag van gisteren stond in het teken van die angst. (…) De 2500 pagina’s, 68 conclusies en 27 aanbevelingen lagen nog amper op tafel of ze werden al aan flarden geschoten door alle partijen, van rechts én links.’ Citaat uit column Angst, Frits Abrahams, NRC Handelsblad, 22 januari 2004.

fn12. Bijvoorbeeld: Rapport ontbeert nieuwe inzichten. Werkgevers en werknemers teveel uit het zicht, Godfried Engbersen (hoogleraar Algemene Sociologie Erasmus Universiteit Rotterdam), NRC Handelsblad, 20 januari 2004.

fn13. Bruggen bouwen - Eindrapport Parlementaire Commissie Onderzoek Integratiebeleid, Den Haag, 2004.

fn14. ‘Een persoon of groep is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving wanneer sprake is van een gelijke juridische positie, gelijkwaardige deelname op sociaal economisch terrein, kennis van de Nederlandse taal en wanneer gangbare waarden, normen en gedragspatronen worden gerespecteerd. Integratie is een tweezijdig proces: enerzijds wordt van nieuwkomers verwacht dat zij bereid zijn te integreren, anderzijds moet de Nederlandse samenleving die integratie mogelijk maken’, Bruggen bouwen

fn15. Integratie blijft ongrijpbaar begrip, Gerard Beverdam, Nederlands Dagblad, 22 januari 2003, met citaten van Paul Schnabel.

fn16. Ibidem.

fn17. Bruggen bouwen - Eindrapport Parlementaire Commissie Onderzoek Integratiebeleid, Den Haag, 2004.

fn18. Mijn meningen, Bas Heijne, katern Opinie & Debat, NRC Handelsblad, 20 december 2003, en Integratiediscussie blijft vooringenomen, hoogleraar Politieke Geschiedenis Ido de Haan, NRC Handelsblad Opinie, 27 januari 2004 ‘De winst van wetenschappelijke ondersteuning in het parlementair onderzoek is dat nauwkeuriger en met meer oog voor de complexiteit over maatschappelijke vraagstukken kan worden geoordeeld. Aan die realiteitszin heeft het in de discussie over immigratie en integratie juist de afgelopen twee jaar sterk ontbroken’..

fn19. In 2003 bij de Kamerverkiezingen in de Kieskring Antwerpen 0,90% van de stemmen.
</small>

<br/>
« Inleiding

p>. Feiten en cijfers »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 



 

Index LBR-rapportage Racisme in Nederland. Stand van zaken.

 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: