mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Racisme in Nederland / Jaar in beeld 2001 / Juridische bestrijding

* Juridische bestrijding

Politie en openbaar ministerie

In toenemende mate, zeker na de aanslagen van 11 september, wordt de politie geconfronteerd met spanningen en situaties waarbij een etnische factor in het spel is. Om deze spanningen in goede banen te leiden en het politieapparaat effectief te laten functioneren, dient de politie een afspiegeling te zijn van de diversiteit in de samenleving. Een diverse samenstelling vergroot namelijk de herkenbaarheid, legitimiteit en het vertrouwen van de burger in de politie.
Om op goede wijze het hoofd te bieden aan discriminatie, zowel intern onder politiemensen als extern in contacten met de burger, dient de politie een gedegen antidiscriminatiebeleid structureel in te bedden in de organisatie. Ad hoc beleid, gebrek aan kennis, het doodbloeden van goede initiatieven en het leegstromen van de organisatie door vertrek van allochtonen worden daarmee tegengegaan. Door het structureel opbouwen en verankeren van kennis over discriminatie kan de politie, in haar optreden, een veel alertere houding aan de dag leggen en beter reageren op mogelijke gevallen van discriminatie die zich voordoen, op de werkvloer en in contacten met de burger.
Het LBR heeft over de afgelopen periode zorgelijke, maar zeker ook positieve ontwikkelingen gesignaleerd en draagt bij aan discriminatiebestrijding bij de politiekorpsen door uitwisseling van expertise en informatie, en door ondersteuning van diverse initiatieven en activiteiten.

Bij de politie groeit het aantal specialisten met kennis van discriminatie. Voor hun positie binnen de organisatie is ondersteuning vanuit de korpsleiding belangrijk, net als de mogelijkheid tot deskundigheidsbevordering. Landelijk wordt op dit terrein bij de politie expertise opgebouwd. Expertise op het gebied van diversiteit en diversiteitbeleid is gebundeld in het Landelijk Expertise Centrum Diversiteit in Apeldoorn, opvolger van het infopunt Kleurrijk Korps. Nog in oprichting is het Landelijk Bureau Discriminatiezaken, waarvoor het korps Rotterdam-Rijnmond de nodige faciliteiten zal bieden. Dit bureau zal zorgdragen voor de implementatie van antidiscriminatiebeleid bij de Nederlandse politie. Het bureau zal naar verwachting eind 2002 operationeel zijn en in eerste instantie een quick scan uitvoeren om de aanpak van discriminatie bij de korpsen in kaart te brengen.
Op regionaal niveau worden door verschillende antidiscriminatiebureaus intensieve contacten onderhouden en vele activiteiten ontplooid met de politie. In steeds meer regio's vindt structureel overleg plaats met politie en justitie over het regionale antidiscriminatiebeleid en de rol van de politie.
Zaken waarin sprake is van discriminatie door de politie, bij contacten met burgers, komen voor de Nationale Ombudsman. Meestal gaat het dan om belediging door agenten.[62]

Toenemende aandacht voor discriminatiezaken kan eveneens worden waargenomen bij het openbaar ministerie. Het actieve Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD), behorend bij het Arrondissementsparket Amsterdam, bundelt kennis omtrent discriminatiezaken. Tweemaal per jaar komen officieren van justitie via het LECD bijeen. Zij hebben, bij de negentien rechtbanken, discriminatie in hun portefeuille en wisselen regelmatig informatie uit, op grond waarvan het LECD in een databank een overzicht heeft vastgelegd van zaken en de afhandeling daarvan. Tussen het LECD en het LBR bestaat een goede samenwerking.

De aanpak van discriminatie bij de politie is in ontwikkeling, maar de opname, behandeling en afhandeling van aangiften van discriminatie door politie en justitie blijft uitermate zorgelijk. Implementatie van regelgeving vindt in veel te geringe mate plaats. De Aanwijzing Discriminatie, die in 1999 in werking is getreden, geeft aan hoe het openbaar ministerie en de politie met discriminatiezaken dienen om te gaan.[63] De hoofdregel van de aanwijzing - van alle aangiften en klachten betreffende discriminatie dient een proces-verbaal te worden opgemaakt -wordt echter slecht nageleefd. Bij het doen van aangifte worden mensen met sussende praatjes weggestuurd, of krijgen demotiverende opmerkingen als 'Daar kunnen we niets mee' te horen.[64]
Er is niet alleen sprake van hoge drempels voor burgers. Ook de registratie van discriminatiezaken en de verplichte uitwisseling met het openbaar ministerie laat te wensen over.
In april 2003 loopt de huidige Aanwijzing Discriminatie af. Het LBR evalueert in 2002-2003 de Aanwijzing en zal in samenwerking met de Landelijke Vereniging van antidiscriminatiebureaus een onderzoek uitvoeren onder antidiscriminatiebureaus naar de werking van de Aanwijzing in de praktijk.
De instroom, doorstroom en uitstroom van allochtonen bij de politie blijft eveneens aandacht vragen. Hoewel aan de instroom duidelijk gewerkt wordt, vindt door discriminatoire omstandigheden op de werkvloer nog steeds een grote uitstroom van allochtone medewerkers plaats. Het aandeel allochtone medewerkers bij de politie is niet in verhouding tot het aandeel allochtonen onder de beroepsbevolking en het aantal allochtonen in hogere en leidinggevende functies blijft sterk achter. Extra inspanningen van de korpsleiding zijn noodzakelijk om te bewerkstelligen dat het personeel open staat voor de integratie van verschillende bevolkingsgroepen binnen het korps.[65]
<br/>
Jurisprudentie

Ontwikkelingen wat betreft gerechtelijke uitspraken houdt het LBR bij in een jurisprudentiedatabase, onderdeel van LBRbase, waarin een verzameling samenvattingen is opgenomen van rechterlijke uitspraken en oordelen van rechtsprekende instanties en commissies op nationaal en internationaal niveau. In 2001 is de jurisprudentiedatabase verbeterd en zodanig aangepast dat verspreiding per cd-rom en inzien van de database via de website sinds het voorjaar van 2002 mogelijk is. Volledige teksten van uitspraken van teksten kunnen bij het LBR worden opgevraagd, of worden opgezocht in de door het LBR samengestelde bundel Rechtspraak Rassendiscriminatie. Daarvan is, eveneens begin 2002, een nieuwe editie gepresenteerd. De bundel bevat 224 nieuwe, voor een aanzienlijk deel geannoteerde, uitspraken. Het betreft strafrechtelijke en civielrechtelijke uitspraken en oordelen van de Commissie gelijke behandeling, de Nationale Ombudsman, de Reclame Code Commissie en de Raad voor de Journalistiek. Ook zijn enkele uitspraken van internationale instanties opgenomen, zoals het Europese Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het gros van de uitspraken komt uit het strafrecht en van de Commissie gelijke behandeling. De uitspraken van de strafrechter betreffen onder andere belediging, aanzetten tot haat en discriminatie.

De Commissie gelijke behandeling[66] ziet jaarlijks een stijging van het aantal zaken dat onderscheid op grond van ras betreft. De oordelen betreffen met name discriminatie op de arbeidsmarkt, waaronder discriminatie op de werkvloer, ongelijke beloning, beëindiging van de arbeidsovereenkomst of voorkeursbeleid voor allochtonen.
Weinig oordelen van de Commissie gelijke behandeling hebben zo'n commotie teweeggebracht als het oordeel van vorig jaar dat de Zwolse rechtbank indirect onderscheid op grond van godsdienst maakte door een vrouw te weigeren voor de functie van hulpgriffier omdat zij had aangegeven tijdens de rechtszittingen haar hoofddoek niet af te willen doen.[67] De Commissie gaf aan er niet van overtuigd te zijn dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht in een multiculturele samenleving alleen via de onderhavige kledingvoorschriften tot uitdrukking kunnen worden gebracht en dat deze eisen noodzakelijkerwijs ook voor de waarnemend griffier gelden. Hierbij merkt de Commissie op dat gelijke behandeling ruimte met zich brengt voor pluriformiteit en geen uitsluitende uniformiteit. De betreffende sollicitante heeft verder niet meer geprobeerd gebruik te maken van het voor haar gunstige oordeel van de Commissie gelijke behandeling. Vanwege de gang van zaken zag ze verder van de functie af.[68]

Als het aan de minister van Justitie (Korthals) ligt, maakt zij bij haar volgende sollicitaties weinig kans op soortgelijke functies. De minister kondigde een wettelijke regeling aan die rechterlijke ambtenaren verbiedt om ter zitting door middel van kleding uiting te geven aan hun persoonlijke overtuiging. Hij vindt onpartijdige uitstraling van de rechterlijke organisatie zo belangrijk dat hij het wenselijk vindt tot een nadere wettelijke regeling van de bestaande kledingvoorschriften te komen. Maar nu de Commissie gelijke behandeling geoordeeld heeft dat de rechtbank in Zwolle verboden indirect onderscheid heeft gemaakt, is een dergelijke wettelijke regeling in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (artikel 4 sub c). Deze bepaalt immers dat nieuwe wetgeving aan de gelijkebehandelingsnorm moet voldoen.
Wanneer op grond van nieuwe wetgeving inderdaad religieuze groepen uit de rechterlijke macht worden geweerd, is haar onafhankelijkheid en onpartijdigheid echter niet gewaarborgd. Integendeel. Op dat moment is zij geen open en pluriforme macht meer, geen afspiegeling van de samenleving. Verstandiger lijkt het daarom niet te verdoezelen dat alle leden van de rechterlijke macht persoonlijke overtuigingen hebben en duidelijk te maken dat van hen wordt verlangd dat zij hun functie op een onpartijdige en onafhankelijke manier uitvoeren.[69]

Uit het strafrecht zijn in de jurisprudentiedatabase vooral uitspraken opgenomen over rechtsextremisme. Vaak gaat het daarbij om extreemrechtse partijen en -groeperingen, waarbij meer dan één verdachte terecht staat voor het beledigen van een groep mensen wegens hun ras zoals neergelegd in artikel 137c Wetboek van Strafrecht. Een opvallende uitspraak in dit kader kwam in maart 2001 van een rechter die zich uitsprak over een verbod van de burgemeester van Kerkrade van een demonstratie van de extreemrechtse Nederlandse Volksunie De voorman van deze partij ging tegen het verbod van de burgemeester in beroep bij de president van de rechtbank in Maastricht.[70] De rechter stond de betoging toe en overwoog daarbij dat alleen indien een betoging naar redelijke verwachtingen gepaard zal gaan met wanordelijkheden op zodanige schaal dat er niet voldoende politie ingezet kan worden om daaraan het hoofd te bieden, een betoging kan worden verboden. Deze uitspraak wijkt af van in het verleden door rechters gedane uitspraken omtrent betogingen van extreemrechts waarbij als redelijkheidstoets belangen tegen elkaar werden afgewogen.[71]
Over rechtsextremisme opgenomen uitspraken betreffen verder onder andere het dragen van een hakenkruis, het uitbrengen van de Hitlergroet, maar ook het aanbieden van nazi-parafernalia en het in het bezit hebben van antisemitisch materiaal ten behoeve van verspreiding.
Andere uitspraken die zijn opgenomen betreffen een grote variëteit aan zaken en werkgebieden. Het gaat bijvoorbeeld om discriminatie bij het verlenen van diensten, zoals het verkrijgen van een mobiele telefoon met abonnement, waarbij aan de klant allerlei voorwaarden worden gesteld waardoor discriminatie van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit kan optreden.
Een spraakmakend en terugkerend onderwerp blijft horecadiscriminatie. Hierbij gaat het om deurbeleid zoals dat door uitgaansgelegenheden wordt gevoerd en waarbij menigmaal sprake is van onderscheid op grond van ras door het weigeren van toegang aan mensen met een donkere huidskleur of van allochtone afkomst.
Op 3 april 2001 diende bij het Gerechtshof Leeuwarden een zaak waarbij een bewoner van verwijdercentrum Ter Apel de toegang tot een bar-dancing werd ontzegd. De tenlastelegging betrof het discrimineren in de uitoefening van beroep of bedrijf van personen wegens ras. Het hof oordeelde dat de door verdachte toegepaste maatregel ogenschijnlijk neutraal is - namelijk gericht op mensen die op een adres verblijven - maar in feite personen van een bepaalde groep betreft, te weten personen van niet-Nederlandse afkomst die in het verwijdercentrum Ter Apel verblijven. Naar oordeel van het hof kon, met in achtneming van verschillende factoren, het verschil in behandeling wel worden verklaard door objectief gerechtvaardigde factoren.

Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) krijgt jaarlijks enkele honderden meldingen binnen van discriminatie op internet. In slechts enkele gevallen komen zaken voor de rechter, vaak worden de uitingen al verwijderd voordat er een rechter aan te pas hoeft te komen.[72] Op 17 april 2001 diende de zaak "Theo 1610" bij het Gerechtshof Arnhem. Verdachte had onder de schuilnaam "Theo 1610" in meerdere nieuwsgroepen verschillende antisemitische en racistische teksten geschreven. Verdachte werd door de Rechtbank te Arnhem veroordeeld tot een geldboete van ƒ 1.500 en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf. Ook het Hof veroordeelde de verdachte, in hoger beroep, en wel tot een gevangenisstraf van vier weken voorwaardelijk en een geldboete van ƒ 1.500 op grond van artikel 137 c en d Wetboek van Strafrecht.

Verreweg de meeste uitspraken die zijn opgenomen in de jurisprudentiedatabase betreffen belediging in de vorm van uitlatingen in het openbaar waarbij mensen wegens hun ras worden beledigd (artikel 137c Wetboek van Strafrecht) en het aanzetten tot haat en discriminatie van mensen wegens hun ras (artikel 137d Wetboek van Strafrecht). Of iets een belediging is van een groep mensen wegens hun ras en is toe te schrijven aan verdachte is niet altijd eenvoudig vast te stellen.
Zo werd op 9 oktober 2001 door de Hoge Raad in de zaak Waterdrinker[73] afstand genomen van de redenering van het Hof Amsterdam, dat uitlatingen gedaan door een romanfiguur in beginsel niet toe te schrijven zijn aan de auteur.
In deze zaak ging het om het boek 'Danslessen' van de schrijver P. van der Sloot waarin de figuur Van der Heijden, burgemeester van Zandvoort, wordt opgevoerd. Over deze burgemeester wordt door een romanpersonage gezegd 'gnoomachtige gestalte' en 'Maar ja, wat wil je ook met zo'n joodje aan het hoofd'. De echte burgemeester van Zandvoort, Van der Heijden, voelt zich beledigd.
In eerste aanleg is de schrijver P. van der Sloot door de Politierechter Haarlem op 18 maart 1999 veroordeeld tot ƒ 500 / 10 dagen waarvan ƒ 250 / 5 dagen voorwaardelijk, met proeftijd van 2 jaar voor art. 266 Sr (eenvoudige belediging), en vrijgesproken van primair art. 137c (belediging van een groep mensen) en subsidiair 267 (belediging bijzondere organen en functionarissen). In hoger beroep bij het Gerechtshof in Amsterdam is de verdachte vrijgesproken zowel voor art. 137c als voor 267 en 266 Sr.
Maar de Hoge Raad overweegt vervolgens dat het enkele feit dat een beledigende uitlating wordt gedaan door een romanfiguur niet uitsluit dat de auteur kan worden aangemerkt als degene die zich beledigend heeft uitgelaten. Voor de beoordeling van het feit of een bepaalde passage beledigend is, moet die passage niet op zichzelf worden gelezen maar in samenhang met de overige inhoud van de roman. Daarnaast moet worden gelet op aard en strekking van de roman en de plaats die de desbetreffende passage daarin inneemt. In dit geval echter verwerpt de Hoge Raad het beroep tegen het arrest van het Hof Amsterdam. Het overweegt daarbij dat alle in dit verband relevante omstandigheden met zich mee brengen dat aan een op zichzelf beledigende uitlating niettemin het beledigende karakter moet worden ontzegd.
<br/>
Wetswijzigingen

De meeste veranderingen in de Nederlandse wetgeving op het gebied van discriminatiebestrijding komen voort uit veranderende Europese wet- en regelgeving. Om het non-discriminatieartikel, artikel 13, in het EG-verdrag uit te werken nam de Europese Raad in 2000 de richtlijn inzake gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afkomst aan.[74] Deze richtlijn dient op uiterlijk 19 juli 2003 in Nederlands recht te zijn omgezet. Ongeveer gelijktijding nam de Raad de kaderrichtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep aan waarin discriminatie op grond van godsdienst, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt verboden.[75] De aanpassingen, die allen betrekking hebben op de Algemene wet gelijke behandeling, worden door de regering gerealiseerd in overleg met maatschappelijke organisaties als het LBR, die een commentariërende rol hebben.[76] Volgens de plannen zal de definitie van het begrip 'indirect onderscheid' worden herzien, komt er een verbod op intimidatie op grond van afkomst en verschuift de bewijslast deels naar de partij met de sterkste positie, zoals verhuurders, werkgevers en onderwijsinstellingen, wanneer die betrokken zijn bij een discriminatieklacht.

Andere voorstellen zijn nog op Europees niveau in voorbereiding. In november 2001 bracht de Europese Commissie een voorstel naar buiten voor de aanpak van racisme. De Commissie stelt voor het aanzetten tot haat, het racistisch beledigen, het vergoelijken van genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, het verspreiden van racistisch materiaal en het steunen of leiden van racistische groeperingen strafbaar te stellen. In het voorstel ligt de strafmaat voor dergelijke misdrijven op minimaal twee jaar en geldt de strafbaarheid ook voor ook rechtspersonen. In 2002 brengt het Europees Parlement advies uit, waarna de Europese Raad beslist over de tekst van het voorstel.[77] Nadat de Raad van Europa in 2000 het aanvullend protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens aannam, werd in Nederland de ratificatie ervan voorbereid. In tegenstelling tot enkele andere lidstaten van de Raad van Europa, bestaan in Nederland geen overwegende bezwaren tegen de invoering van extra bescherming tegen rassendiscriminatie, waarin het protocol voorziet. De goedkeuringswet voor de ratificatie wordt in 2002 aan de Tweede Kamer voorgelegd.

Zowel de Raad van Europa als de Europese Unie hebben regelingen ontworpen met daarin regels omtrent de aanpak van racisme en discriminatie op internet. De Raad van Europa nam in november 2001 de cybercrime-Conventie aan.[78] Deelnemende staten worden opgeroepen om maatregelen te nemen om misdrijven die via internet worden gepleegd aan te pakken. Om aan de wens van de Verenigde Staten, medeondertekenaar van het verdrag, tegemoet te komen, werd in de tekst geen bepaling opgenomen die racistische uitingen strafbaar stelt. Strafbaarstelling daarvan verhoudt zich niet met de vrijheid van meningsuiting zoals die in de VS mogelijk is. Wel werden de eerste voorbereidingen getroffen om een aanvullend protocol op te stellen waarin racistische en xenofobe misdrijven, begaan via computersystemen, strafbaar worden gesteld.
In de Europese Unie werd in 2000 de richtlijn inzake elektronische handel of de e-commerce-richtlijn aangenomen.[79] Deze richtlijn bepaalt onder andere dat internetproviders die gegevens opslaan, ter beschikking stellen of verspreiden (zgn. hosting-diensten) strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden voor racistische uitingen. Het enkele transport (mere conduit) en tijdelijke opslag in verband met doelmatig transport (caching) zijn uitgesloten van aansprakelijkheid. In 2001 bereidde de Nederlandse wetgever de omzettingswetgeving voor. Het uiteindelijke wetsvoorstel wordt in 2002 aan de Tweede Kamer voorgelegd.
In het jaar 2001 heeft de Tweede Kamer een wetsvoorstel ter verhoging van de strafmaat bij structurele vormen van discriminatie behandeld. Het voorstel, dat is besproken in de vaste justitiecommissie en voor de tweede helft van 2002 op de agenda van de Tweede Kamer staat, bevat een verdubbeling van de strafmaxima voor deze vormen van discriminatie, zoals beschreven in de artikelen 137c, d en e. De strafmaatverhoging vergroot het gewicht van discriminatiebestrijding bij justitie en kan een preventieve werking hebben.
In het kader van het wetsvoorstel is naar aanleiding van een motie Dittrich door de Minister van Justitie ingegaan op het spanningsveld tussen de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en het non-discriminatiebeginsel.[80] Op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal verdrag ter bestrijding van alle vormen van rassendiscriminatie concludeert de minister dat de vrijheden van godsdienst en meningsuiting niet in de weg staan van strafrechtelijke discriminatieverboden, aangezien daar ruimte voor is geschapen, net als in de Nederlandse wetgeving. Artikel 10 van het EVRM bepaalt bijvoorbeeld dat vooral van belang is of een veroordeling 'in een democratische samenleving noodzakelijk' kan worden geacht. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat van groot belang is of een uitlating een bijdrage aan het publieke debat over een thema beoogt te zijn. In dat geval bestaat betrekkelijk weinig ruimte voor een strafrechtelijke veroordeling.[81]
<br/>
Toekomst: verscherping en signalering, criminaliteit en preventie

Met de uitgave van een nieuwe editie van Rechtspraak Rassendiscriminatie en de plaatsing van de jurisprudentiedatabase op de website van het LBR en op cd-rom, beiden begin 2002, werkt het LBR verder aan het laagdrempelig toegankelijk maken van jurisprudentie. Ook andere vormen van informatieverstrekking en juridische advisering via internet worden uitgebreid. Met bijvoorbeeld veel aandacht voor bestaande en nieuwe wetgeving.
Gezien de verscherping van het maatschappelijk klimaat, verwacht het LBR dat het belang van haar signaleringsfunctie de komende tijd toeneemt. In het huidige klimaat wordt gemakkelijk gewezen naar groepen met een sociaal zwakkere positie. Het gevaar bestaat dat er meer oog is voor hun, echte of vermeende, plichten dan voor hun rechten. Wanneer deze rechten in het gedrang komen en personen en groepen tegen mogelijke vormen van rassendiscriminatie bescherming nodig hebben, zal het LBR er op reageren.
In het begin van 2002 is er, mogelijk als een gevolg van deze ontwikkelingen, al een groei in de vraag naar juridische informatie.
Dat het thema integratie van migranten momenteel sterk wordt benadrukt, hoeft geen probleem te zijn. Maar integratie moet van twee kanten komen, de samenleving moet haar sociale gezicht niet verliezen. Een situatie waarin beperkende of repressieve maatregelen humane oplossingen in de weg staan of voorrang krijgen boven preventie, is ongewenst. Deze situatie zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan rond de thema's criminaliteit en veiligheid in de steden. Hier ligt een terrein waar antiracismeorganisaties meer aandacht voor zouden moeten hebben. Want waar in verband met criminaliteit nogal eens wordt gewezen naar bepaalde, jeugdige groepen allochtonen als daders, is er te weinig aandacht voor het feit dat er onder allochtonen en autochtonen consensus bestaat over de noodzaak van criminaliteitsbestrijding. Van samenwerking met - en versterking van diverse etnische groepen kan juist bij criminaliteitsbestrijding veel verwacht worden. Een voorbeeld daarvan is het initiatief van Antilliaanse burgers en organisaties in Nederland om de criminaliteitsproblematiek onder Antillianen breed in eigen kring aan de orde te stellen. Ongeveer 3000 Antillianen namen aan 50 bijeenkomsten in geheel Nederland deel. Op basis van de bijeenkomsten is een analyse van de oorzaken gemaakt en een advies aan de Nederlandse regering geformuleerd.[82]

<br/>
<small>
Voetnoten:

fn62. Jurisprudentiedatabank LBRbase.

fn63. Aanwijzing Discriminatie, 1999 A008, Staatscourant 2002, 16.

fn64. Sussende praatjes vullen geen gaatjes. Afhandeling discriminatieklachten schiet tekort, Jacky W. Nieuwboer en Rinus Visser, Zebra-Magazine 1e jaargang nr. 2, juni 2001.

fn65. Kleurrijk Management, Infopunt Kleurrijk Korps, 2000, p. 5.

fn66. Commissie gelijke behandeling jaarverslag 2001, Commissie gelijke behandeling, Utrecht 2002.

fn67. Datum oordeel 22-06-2001, Verzoeker: Mw. … te Utrecht, Wederpartij: Arr. Rechtbank Zwolle.

fn68. Zie ook de paragraaf Discriminatie van moslima's in het hoofdstuk Racisme: feiten, cijfers en de publieke opinie en de paragraaf Voor 11 september in het hoofdstuk Media.

fn69. De doek van Vrouwe Justitia. Rechterlijke macht moet toegankelijk zijn voor alle bevolkingsgroepen, Gé Grubben, Zebra-Magazine 2e jaargang, nr. 1, maart 2002.

fn70. Grondrecht op betoging uit evenwicht, J.W. Nieuwboer, Zebra magazine, 2e jaargang nr. 2, juni 2001.

fn71. Afdeling Rechtspraak van de Raad van State, 1 juni 1998, Centrumdemocraten vs de burgemeester van Rotterdam.

fn72. Zie de paragraaf Racistische uitingen op internet in het hoofdstuk Racisme: feiten, cijfers en de publieke opinie.

fn73. Nieuwsbrief LECD 2001-4.

fn74. Richtlijn 2000/43/EG van 29 juni 2000, Pb. EG L 180/22.

fn75. Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000, Pb. EG L 303/16.

fn76. Kamerstukken II, 2001-2002, 28 871, nr. 1.

fn77. Voorstel voor een kaderbesluit, COM(2001) 664 def. - 2001/0270, C75 E/269.

fn78. Boedapest, 23 november 2001, Tractatenblad 2002, 18.

fn79. Richtlijn 2000/31/EG, Pb.EG L178/1.

fn80. Kamerstukken II, 2000/2001, 28 000 VI, nr. 34.

fn81. Kamerstukken II, 2001/2002, 27 792, nr 5, p. 4-6.

fn82. Nèt loke falta. Ontbrekende schakels. Missing links. Advies inzake de aanpak van de criminaliteitsproblematiek onder Antillianen in Nederland. Adviescommissie Antilliaans Medeburgerschap in Nederland, den Haag, december 2001.
</small>

<br/>
« Onderwijs

p>. Internationaal »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 



 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: