mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Racisme in Nederland / Jaar in beeld 2001 / Racisme: feiten,..

* Racisme: feiten, cijfers en de publieke opinie

Klachtenregistraties, rapportages over incidenten, onderzoekscijfers en opiniepeilingen bevestigen het beeld van verscherping dat in de inleiding is geschetst. Cijfers en andere indicatoren geven met name verslechteringen aan wanneer het gaat om antisemitisme en anti-islamisme. De invloed van internationale gebeurtenissen, zoals het Israëlisch-Palestijns conflict en met politiek-islamitische denkbeelden gerechtvaardigd terrorisme, wordt eveneens bevestigd. Wanneer dergelijke conflicten opspelen, vertaalt zich dat in een toename van antisemitische en anti-islamitische uitingen. Duidelijk is echter ook dat er de laatste jaren een structurele onderstroom is - van bijvoorbeeld discriminatie van islamitische vrouwen op de arbeidsmarkt en van antisemitische scheldpartijen en vernielingen - die vanuit een Nederlandse context moet worden verklaard en die niet louter als reactie op internationale ontwikkelingen kan worden beschouwd.
<br/>
Registratie van antidiscriminatieklachten

De Landelijke Vereniging van antidiscriminatiebureaus geeft in haar jaarrapport aan dat het aantal ingediende klachten bij antidiscriminatiebureaus is gestegen van 3530 in 2000 naar 3913 in 2001.[4] Deze stijging hoeft geen indicatie te zijn van toenemende discriminatie. De groei in het aantal geregistreerde klachten kan het gevolg zijn van diverse factoren. De gerapporteerde cijfers van de plaatselijk of regionaal werkende bureaus tonen verschillen die soms eerder het gevolg zijn van verschillen in registratiesystematiek, dan van verschillen in de plaatselijke omstandigheden van de betreffende bureaus. De Landelijke Vereniging werkt aan de verbetering van de rapportages en met ingang van 2002 gaan de antidiscriminatiebureaus een meer eenduidig registratiesysteem gebruiken.
Wellicht zal de Landelijke Vereniging de klachten en meldingen in haar rapportage in de toekomst ook kunnen wegen. Daardoor kan duidelijk worden hoeveel klachten terecht zijn ingediend, en of het bijvoorbeeld ging om klachten met betrekking tot regelgeving of klachten die anderszins consequenties hadden voor grote groepen mensen.

De antidiscriminatiebureaus behandelen klachten op diverse discriminatiegronden. Naast ras en afkomst bijvoorbeeld ook seksuele voorkeur en geslacht. Ruim 70% van de klachten heeft betrekking op rassendiscriminatie. Het zou wenselijk zijn wanneer deze cijfers konden worden aangevuld met cijfers van andere instanties die registreren of behoren te registreren. Zo heeft een groot deel van de klachten bij de antidiscriminatiebureaus betrekking op de arbeidsmarkt maar zijn cijfers van bijvoorbeeld vakbonden en Arbo-diensten over discriminatie niet voorhanden. De kans bestaat echter dat klachten op dit terrein juist bij deze instanties worden gemeld. Iets dergelijks geldt ook voor de sector onderwijs, waar wel klachtenstructuren zijn, maar publieke rapportages ontbreken.
De Landelijke Vereniging van antidiscriminatiebureaus is een van de weinige organisaties die cijfers levert en publiceert, ondanks de krappe personele bezetting waarmee een deel van de bureaus kampt. Een effectieve bestrijding van rassendiscriminatie vereist een breed inzicht in - en een gedegen analyse van het probleem. Daarvoor is registratie noodzakelijk. Aangenomen mag worden dat de cijfers van de antidiscriminatiebureaus slechts het topje van de ijsberg tonen. De bureaus melden bijvoorbeeld voor het jaar 2001, voor alle discriminatiegronden tezamen, ruim 600 klachten op het gebied van arbeid. Maar dit aantal vormt nog niet 1% van het aantal gevallen van geweld, intimidatie en discriminatie op het werk dat op basis van onderzoek van het TNO kan worden verwacht.[5]
<br/>
Anti-islamisme - gevolgen 11 september

Het Dutch Monitoring Centre (DUMC - Nederlands Waarnemingscentrum inzake racisme en vreemdelingenhaat) heeft in opdracht van het European Monitoring Centre (EUMC - Europees Waarnemingscentrum inzake racisme en vreemdelingenhaat) na de terroristische aanslagen van 11 september in vier fases gerapporteerd over incidenten tegen moslims en islamitische instellingen in Nederland. De eindrapportage beslaat de periode van 11 september tot en met 31 december.[6] Op grond van berichten in de media en klachten bij de grotere antidiscriminatiebureaus komt het Nederlands Waarnemingscentrum tot een totaal van 80 incidenten waarvan met zekerheid vaststaat dat zij aan 11 september gerelateerd zijn. Het betreft met name beledigingen, graffiti en bedreigingen en dergelijke (53 maal) en geweld (13 maal), waarvan 9 maal brandstichting. Het overgrote deel vond plaats in de eerste maanden na de aanslagen. Het Korps Landelijke Politiediensten meldde in haar, methodologisch niet geheel vergelijkbare, onderzoek naar de gevolgen van 11 september 485 incidenten.[7]
Vergeleken met andere Europese landen en voorgaande jaren zijn dit grote aantallen. Een zorgwekkend signaal. Ten opzichte van het buitenland moet er misschien rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat in Nederland een betere registratie heeft plaatsgevonden dan in andere landen. Maar ten opzichte van Nederlandse cijfers uit voorgaande jaren is de toename beduidend. Het getal van negen brandstichtingen bij islamitische doelen in 2001 sinds 11 september, steekt bijvoorbeeld scherp af ten opzichte van de jaren 1999 en 2000. Toen was er sprake van respectievelijk 11 en 20 brandstichtingen met racistische motieven. Deze waren voornamelijk gericht op asielzoekerscentra en gebouwen die daarvoor waren bestemd, en niet op islamitische doelen.[8]
<br/>
Anti-islamisme is in Nederland geen nieuw verschijnsel. Door zaken als de Rushdie-affaire, de Golfcrisis of de aanslagen in de VS wordt bestaand anti-islamisme duidelijker zichtbaar, maar niet uitsluitend veroorzaakt. Anti-islamisme wordt er wel verder door versterkt.
Net als bijvoorbeeld door de uitspraken van imams over homoseksualiteit (vergelijkbare uitspraken van protestante en katholieke voormannen roepen overigens dergelijke reacties niet op), de meldingen van homofobie onder allochtone jongeren en de antisemitische wanklanken tijdens anti-Israël demonstraties. Met het afnemen van anti-islamitische, aan 11 september gerelateerde, incidenten is het anti-islamisme in Nederland echter nog niet verdwenen.
Vooralsnog zijn er geen indicaties voor gestructureerde, centraal aangestuurde agressie tegen moslims. Aannemelijk is dat de brandstichtingen et cetera het werk zijn van individuen of kleine groepen. Anti-islamitische of racistische motieven liggen waarschijnlijk wel ten grondslag aan deze daden. Het is dan ook verwonderlijk dat sommige bestuurders en media woorden als 'vandalen' en 'baldadigheid' gebruikten. Brandstichting, vernieling, bedreiging, racistische bekladdingen en beledigingen zijn geen baldadigheid. Het zijn racistische criminele daden die strafbaar en intolerabel zijn. Datzelfde geldt voor criminele antisemitische of anti-Amerikaanse activiteiten.
<br/>
Discriminatie van moslima's

Moslima's die een hoofddoek dragen worden omwille van die hoofddoek regelmatig gediscrimineerd. In tegenstelling tot islamitische mannen en vrouwen die geen hoofddoek dragen, zijn moslima's door hun hoofddoek voor buitenstaanders als moslim direct herkenbaar. Wellicht worden zij gezien als vertegenwoordigers van niet liberale stromingen. Deze moslima's zien zich geconfronteerd met hoofddoekverboden binnen het onderwijs en op de arbeidsmarkt, zo blijkt uit een in 2001 door het LBR verricht onderzoek.[9] Zulke verboden op scholen zijn strijdig met de wetgeving. Sommige scholen hebben in hun reglement een algemeen hoofddekselverbod opgenomen. Maar jurisprudentie bevestigt dat een vergelijking van een om religieuze motieven gedragen hoofddoek met een baseballpet niet opgaat. Religieuze gedragingen, dus ook het dragen van een hoofddoek, worden door de wet beschermd. De onderwijsinspectie weigert echter op te treden tegen dergelijke verboden en ook het ministerie van onderwijs vindt dergelijke verboden binnen het bijzonder onderwijs acceptabel. Echter ook een christelijke school mag, wanneer zij moslims of andere niet christenen als leerling aanneemt, geen hoofddoekverbod instellen.[10]
De resultaten van het onderzoek zijn onder de aandacht gebracht van de vaste Kamercommissies. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn door het LBR verzocht maatregelen te nemen.

Opvallend bij discriminatie op de arbeidsmarkt op grond van hoofddoekjes is dat het niet gaat om een bepaalde categorie werkgevers, maar om een grote dwarsdoorsnede. Zowel grote als kleine bedrijven maken zich schuldig aan het weren van vrouwen met een hoofddoek. Het gaat hierbij niet alleen om commerciële bedrijven, maar ook om stichtingen en overheidsdiensten. Zij weigeren vrouwen met een hoofddoek omdat zij bang zijn dat hun cliënten er problemen mee zullen hebben of omdat zij vrezen voor problemen op de werkvloer. Moslima's die een hoofddoek dragen worden daarbij niet alleen voorgesteld als representanten van een 'gevaarlijke en achterlijke religie', maar ook als slachtoffers van diezelfde religie, waarvan wordt verondersteld dat zij vrouwen achterstelt.
Onderwerpen met betrekking tot de islam in Nederland krijgen vaak overmatige aandacht van pers en politici. Daarbij worden ook zorgen uitgesproken over de positie en emancipatie van islamitische vrouwen. In dat licht bezien is het wrang dat in het publieke debat geen krachtdadige woorden uitgesproken worden tegen discriminatie van islamitische vrouwen. Deze vorm van discriminatie belemmert immers de persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling van islamitische vrouwen.
<br/>
Islamitische intolerantie

In hun landelijke rapportage hebben de antidiscriminatiebureaus apart aandacht voor moslims.[11] Niet alleen als slachtoffers, maar ook als daders bij discriminatie van homoseksuelen en antisemitisme. De klachten over discriminatie van homoseksuelen hebben voornamelijk betrekking op uitspraken van islamitische geestelijk leiders over homoseksualiteit en de islam. Bij meldingen van antisemitisme is het aantal daders met een islamitische achtergrond opvallend. Daarbij is er een klaarblijkelijk, ook na 11 september oplevend, verband tussen anti-Israëlische en pro-Palestijnse standpunten, anti-Amerikanisme en antisemitisme. De Amerikaanse maatregelen tegen terroristen en de verwijzingen naar het Palestijns-Israëlische conflict, en de rol van de Verenigde Staten daarin, waren aanleiding voor anti-semitische gedragingen, met name ook van Marokkaanse jongeren.[12]
<br/>
Antisemitisme

In zijn jaaroverzicht concludeert het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) dat het aantal antisemitische incidenten in 2001 en de eerste vijf maanden van 2002 is toegenomen in vergelijking met voorgaande jaren.[13] De stijgende lijn die in 1997 is ingezet, zet door. Niet alleen stijgt het aantal incidenten, ook worden de incidenten ernstiger van aard. Vooral het aantal antisemitische scheldpartijen is toegenomen. In Amsterdam worden joden die een keppel dragen, regelmatig uitgescholden. Een reden voor velen van hen om in het centrum van Amsterdam geen keppel meer te dragen. De personen die schelden, worden veelal beschreven als Marokkaanse jongeren.
Wederom blijkt dat er een verband is tussen het Israëlisch-Palestijnse conflict en het aantal antisemitische incidenten. Als de spanning in het Midden-Oosten stijgt, neemt het aantal antisemitische incidenten toe. Een deel hiervan staat in verband met de stellingname van Marokkanen in Nederland. Zij kiezen in het Israëlisch-Palestijnse conflict in ruime mate de kant van de Palestijnen en zijn vooral zeer gekant tegen de Israëlische bezettingspolitiek. Marokkaanse jongeren, met name diegenen onder hen die ook op andere manieren voor overlast zorgen, reageren hun anti-Israëlische gevoelens blijkbaar af op joden in Nederland. Maar het zijn niet alleen Marokkaanse jongeren die voor antisemitische incidenten zorgen. Bij geregistreerde antisemitische bejegeningen tussen buren gaat het niet om Marokkanen en bijvoorbeeld de bekladdingen op een joodse begraafplaats in Oosterhout zijn gedaan door Nederlandse extreemrechtse jongeren.
<br/>
Racistische uitingen op internet

Uit het jaarverslag van het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie op internet is gestegen.[14] In 2001 ontving het meldpunt 691 meldingen, 141 meer dan in 2000. Van uitingen in 370 meldingen werd geconstateerd dat het ging om discriminatie in de zin van de wet. Uitingen in 73 meldingen werden als beledigend geclassificeerd en uitingen in 115 meldingen als tendentieus. De meeste meldingen hadden betrekking op racistische uitingen (507), antisemitische uitingen (197) en anti-islamitische uitingen (71). 54 meldingen hadden betrekking op de aanslagen van 11 september in de Verenigde Staten.
Bij 360 uitingen werd door het Meldpunt Discriminatie Internet een verzoek ingediend deze te verwijderen. Dat resulteerde in 312 gevallen tot de verwijdering van de uiting.
In 12 gevallen gaf de internetprovider op verzoek van het MDI een waarschuwing aan een gebruiker. In negen gevallen werden de internetaccounts van gebruikers door hun provider geblokkeerd. Er werden over 2001 elf aangiftes gedaan bij het Openbaar Ministerie, onder meer over Fundamenteel.nl (uitingen moslims en asielzoekers), de Moskeeëndatabase (antimoslim) en de Weerwolf-site (antisemitisme en aanzetten tot geweld).
<br/>
Verscherping versus toenadering, al voor 11 september

In de inleiding van deze uitgave is de verscherping van standpunten beschreven die in Nederland plaatsvindt ondanks de lange termijn ontwikkeling van naar elkaar toegroeiende bevolkingsgroepen. Ook in opiniepeilingen wordt deze trend waargenomen.

In de zomer van 2001 onderzocht de Katholieke Universiteit Brabant (KUB) de houding van diverse etnische groepen en van autochtone Nederlanders tegenover de multiculturele samenleving.[15] De resultaten van deze enquête zijn vergelijkbaar met een soortgelijke enquête die in 1995 werd gehouden. Uit de enquête blijkt dat allochtonen zich steeds beter thuis voelen in Nederland. Zij voelen zich minder gediscrimineerd dan in 1995. Ten opzichte van 1995 zijn de persoonlijke racistische ervaringen van Marokkanen en Surinamers echter wel toegenomen. De helft van de allochtone respondenten gaf aan discriminatie te ervaren door de politie en bij het zoeken naar werk; in 1995 was dat respectievelijk 68% en 82%.
Driekwart van de ondervraagden was het afgelopen jaar niet persoonlijk geconfronteerd met racisme, een kwart wel. Dit racisme bestaat meestal uit beledigingen. Veertien procent van de Marokkanen rapporteerde ook bedreigingen en ruim tien procent van de Surinamers en Antillianen is in die periode geconfronteerd geweest met racistisch geweld. Autochtonen denken, volgens dit onderzoek, overigens dat allochtonen meer discriminatie ervaren dan door allochtonen zelf wordt aangegeven. Eens te meer blijkt ook dat de allochtoon niet bestaat. Er zijn grote verschillen tussen de diverse bevolkingsgroepen.
De uitkomsten van het onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant hebben volgens wetenschappers van de universiteit ook na de aanslagen van 11 september hun geldigheid niet verloren. Aangegeven wordt dat de enquête een heel langzame trend in de Nederlandse samenleving zichtbaar maakt, die zelfs niet door dit soort ongehoorde gebeurtenissen wordt beïnvloed. Onderdeel van die trend is dat autochtonen en allochtonen langzamerhand aan elkaar beginnen te wennen.[16] De helft van de geënquêteerde allochtonen geeft wel aan dat de Nederlandse media naar hun mening een verkeerd beeld geven van allochtonen. Geen enkele allochtoon ziet zijn kinderen graag op een zwarte school. Allochtonen blijken voorts veel mildere standpunten aan te nemen ten aanzien van asielzoekers en illegalen dan autochtonen.
<br/>
Nederlanders over allochtonen

Een ander trendonderzoek, dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2001 publiceerde, had betrekking op de periode 1986-2000. Volgens dit onderzoek zijn Nederlanders over het algemeen voorstander van integratie van 'buitenlanders' en van een restrictief toelatingsbeleid. Over de aanwezigheid van buitenlanders is men niet negatief.
In 1986 vond 29% van de bevolking de aanwezigheid van buitenlanders een aanwinst omdat men zo in contact komt met andere culturen. In 2000 was dat percentage gestegen tot 44%.
Voor dit onderzoek zijn, alleen voor 2000, ook vragen gesteld over de contacten van Nederlanders met buitenlanders. Het blijkt dat een kwart van de Nederlanders dagelijks en de helft in ieder geval meer dan één keer per week in contact komt met buitenlanders.
Eén op de vijf Nederlanders komt nooit in contact met buitenlanders, eenderde heeft één tot vier keer per maand contact.
Tussen het al dan niet hebben van contacten met buitenlanders en de meningsvorming over buitenlanders bestaat volgens de onderzoekers een verband. Van de mensen die minstens één keer per week in contact komen met buitenlanders is een groter deel het eens met de stelling 'dat de aanwezigheid van buitenlanders een aanwinst is voor de samenleving omdat deze ons in aanraking brengt met andere culturen'. Van de mensen die nooit in contact komen met buitenlanders vinden er juist veel dat deze geen verrijking voor de samenleving vormen. Maar of mensen nu wel of niet veel met buitenlanders in aanraking komen, hun mening over zaken als het toelatingsbeleid en integratiemaatregelen blijken er nauwelijks door te worden beïnvloed.[17]
<br/>
Objectieve gegevens als subjectieve aanjagers

Enquêtes en andere steekproeven kunnen, wanneer de vraagstelling goed is, geobjectiveerde informatie over de publieke opinie geven. Zeker wanneer onderzoeken een langere periode bestrijken. In 2001, na 11 september, is in de media echter een reeks enquêtes gepubliceerd die niet zozeer opvielen door het objectieve gehalte van de resultaten, maar vooral door de manier waarop de prominent in het nieuws gebrachte resultaten het publieke debat aanjaagden. De indruk ontstond dat opdrachtgevers en onderzoekers vooral op zoek waren naar opvallende, subjectieve meningen, die op dat moment grote nieuwswaarde hadden.
<br/>
11 september enquêtehype

Naar aanleiding van de aanslagen van 11 september in de Verenigde Staten is kort achter elkaar een reeks enquêtes afgenomen. De eerste enquête werd op 13 en 14 september uitgevoerd door Foquz Etnomarketing onder moslims in Nederland. Daaruit kwam naar voren dat veel Nederlandse moslims begrip hadden voor de aanslagen (73%) en dat een kleine minderheid (6 %) de aanslagen goedkeurde. De uitslagen van deze enquête zorgde voor veel ongerustheid onder de Nederlandse bevolking en onder Nederlandse politici. Premier Kok en minister van Boxtel van Integratiebeleid zeiden geschokt te zijn door het aangegeven begrip voor de aanslagen en vooral de instemming van 6% van de ondervraagde moslims. Het weekblad Contrast, opdrachtgever van de enquête, constateerde dat er een grote kloof bestond tussen moslims en niet-moslims en wees op de noodzaak van dialoog.
Maar er was ook kritiek op de enquête zelf. Deze zou niet representatief en te ongenuanceerd zijn. In opdracht van het televisieprogramma Netwerk werd een soortgelijke enquête gehouden door Bureau Intomart. Op 23 september maakten zij bekend dat 10 procent van de door hen ondervraagden de aanslagen in de VS goedkeurden en dat 73 procent die afkeurden.
Tegelijkertijd werden er enquêtes gehouden onder de Nederlandse bevolking. Op 18 september werden de uitslagen bekend gemaakt van een enquête die door bureau CentERdata van de Katholieke Universiteit Brabant werd gehouden onder 1.565 Nederlanders. Van hen sprak 87% de verwachting uit dat er meer conflicten komen tussen islamitische en christelijke bevolkingsgroepen door de aanslagen van 11 september. Op 26 september publiceerde de Volkskrant de resultaten van een enquête onder ruim 800 Nederlanders. Meest opvallende uitslag was dat 62 % van de ondervraagden vond dat moslims die de aanslagen steunden het land uit moeten worden gezet. Voorts oordeelde 62% van de ondervraagden dat de integratie van moslims schade zal ondervinden van de aanslagen.
Op 17 oktober publiceerde het Algemeen Dagblad de uitslagen van een enquête onder Nederlanders van Bureau Intomart. Daaruit bleek dat een meerderheid van de Nederlanders een deel van hun privacy willen opgeven om terreur te bestrijden. Opvallend was dat 21,5 % van de ondervraagden asielzoekers uit islamitische landen wil weren. Een week later werden door de VARA de uitslagen bekend gemaakt van een onderzoek naar het terrorismebeeld onder Nederlanders dat werd uitgevoerd door het Centrum voor International Conflict-Analyse en - Management (CICAM) van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Een groep Nederlanders werd gevraagd naar wat volgens hen de grootste bedreiging was. Osama Bin Laden scoorde hoog (30,7%), armoede en economische uitzichtloosheid in bepaalde landen (21,6%) en onverantwoordelijke geestelijke leiders (19,5%) behaalden de tweede en derde plaats. Op de vierde plaats komt de islam (14,1%) en plaats vijf en zes werden respectievelijk ingenomen door de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten (4,4%) en het Westen (3,7%). Er blijkt onder de Nederlandse bevolking ook angst te bestaan voor een confrontatie tussen de islam en het Westen, 6,2% gaf aan erg bang te zijn voor zo'n confrontatie, 25% nogal bang en 44,4% enigszins bang.
Op 10 december werden de resultaten bekend van een NIPO-enquête waaruit onder meer bleek dat 29% van de ondervraagden het eens was met de uitspraken van Pim Fortuyn dat de islam een buitengewone bedreiging vormt voor de Nederlandse samenleving waartegen een koude oorlog gerechtvaardigd is. Tot slot werden op 28 december door de GPD-bladen de resultaten bekend gemaakt van een enquête uitgevoerd door het onderzoeksbureau Interview/NSS. Daaruit bleek dat een grote groep Nederlanders sinds de aanslagen van 11 september minder tolerant is geworden ten opzichte van allochtonen. Twintig procent geeft dit ronduit toe. Dat de relatie met mensen uit landen als Marokko, Suriname en de Antillen sinds 11 september in ieder geval is verslechterd, is het oordeel van veertig procent van de ondervraagden.

Uit al deze enquête komt het beeld naar voren dat na 11 september 2001 de angstgevoelens ten opzichte van de islam en moslims zijn toegenomen onder de Nederlandse bevolking. Het beeld van de Nederlandse samenleving als een harmonieuze samenleving heeft scheuren opgelopen. Uit de enquêtes blijkt ook een toename van de intolerantie in Nederland. Deze toename werd in de eerste maanden na september bevestigd door een toename van incidenten en gewelddadigheden jegens moslims in Nederland.[18]
Overigens kunnen er bij al deze enquêtes grote vraagtekens worden gezet.[19] Opdrachtgevers willen nieuws maken, het liefst snel en goedkoop, en onderzoeksbureaus spelen het spel mee. Dat leidt tot dubieuze vraagstellingen waar geen enkele vorm van nuance mogelijk is. Antwoorden op deze vragen worden vervolgens in een artikel of persbericht als feit gepresenteerd en tot inzet van de maatschappelijke discussie gemaakt.
<br/>
Een speculatie voor de toekomst

In 2001 heeft een verscherping plaatsgevonden in de meningsvorming over een aantal zaken binnen de multiculturele samenleving. Deze verscherping is in tegenspraak met de verbeterende sociaal-economische positie van veel migranten en hun kinderen, die steeds beter hun plek in de samenleving lijken te vinden, en is het gevolg van een emotioneel debat over integratie en migratie waarin vooral problemen werden gesignaleerd. Voor de komende jaren is het wenselijk dat het zwaartepunt in het debat verschuift naar het vinden van oplossingen. Dan kunnen de knelpunten, die vaak betrekking hebben op relatief kleine groepen mensen, worden aangepakt en kan in het debat en het beleid worden aangesloten op de geconstateerde positieve ontwikkelingen. Politici, wetenschappers en andere deelnemers aan het debat kunnen elkaar vinden op het punt dat migranten en hun nakomelingen zich moeten richten op de kansen die de Nederlandse samenleving biedt. Onderdeel van dit uitgangspunt moet zijn dat de Nederlandse samenleving hun daartoe ook de mogelijkheid biedt, bijvoorbeeld door gelijke kansen te garanderen op de arbeidsmarkt en binnen het onderwijs.[20]
Als dat gebeurt, is het mogelijk dat discussies over de multiculturele samenleving minder belangrijk worden, omdat het belang van de culturele afkomst van personen minder belangrijk wordt en zij steeds meer op hun persoonlijke eigenschappen en mogelijkheden worden beoordeeld. Dan wordt een weg ingeslagen die past bij moderne ontwikkelingen als de toenemende individualisering binnen de samenleving, de groeiende sociaal-economische verschillen binnen etnische groepen en hun verdere oriëntatie op de Nederlandse samenleving. Van grove onderscheiden als die tussen allochtonen en autochtonen kan dan afscheid worden genomen want 'we zijn allemaal burgers van een multi-individuele samenleving, met eigen overtuigingen en unieke identiteiten'.[21] De vraag die dan aan de orde is, is of Nederland kan ontetniseren, zoals het ook ontkerkelijkt is. Wat betreft mensen van Indonesische afkomst en Italiaanse, Spaanse, Griekse en Portugese gastarbeiders en hun nakomelingen, lijkt dit al aardig gelukt.
In de debatten en uit de opiniepeilingen blijkt dat het belang van iemands afkomst voor 'witte' Nederlanders steeds minder belangrijk wordt.
En harde standpunten ten aanzien van migranten leveren wel politieke winst op, maar politieke stromingen die zich concentreren op parolen als eigen volk eerst of het ze-moeten-terug geluid dat eind jaren tachtig opkwam, zijn gemarginaliseerd. De nadruk ligt erop dat mensen zich moeten aanpassen en de normen en waarden moeten onderschrijven die op dit moment in Nederland als belangrijk worden gezien. Als je uitstraalt dat je erbij wilt horen, kun je geaccepteerd worden, ongeacht je afkomst of huidskleur. Dat wil niet zeggen dat er geen onderscheid meer wordt gemaakt naar anders zijn. Maar de zwaarte van factoren die een rol spelen bij het beoordelen van personen verschuift. Iemands afkomst weegt minder zwaar, maar voor minderheidsposities en -opvattingen is minder begrip. Dat is de keerzijde van deze ontwikkeling, die bijvoorbeeld de toenemende discriminatie van moslima's verklaart.

<br/>
<small>
Voetnoten:

fn4. Rapport Kerncijfers Discriminatie 2001, Klachten en Meldingen, een uitgave van de Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten.

fn5. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het onderzoek 'Geweld, intimidatie en discriminatie op het werk in de Europese Unie', uitgevoerd in 1996 door TNO Arbeid. Voor het onderzoek werden circa 16.000 werkenden in alle vijftien Europese lidstaten geïnterviewd, onder wie ruim duizend in Nederland.

fn6. Report to EUMC on post September 11th 2001 developments, Final report: November 23th to 31th December, DUMC, 2002 (voor informatie over het rapport, LBR: tel. 010-2010201) en Summary Report on Islamophobia in the EU after 11 September 2001, C. Allen en J.S. Nielsen, EUMC, Wenen, 2002. Korte beschrijving van DUMC en EUMC in paragraaf Europese samenwerking, hoofdstuk Internationaal.

fn7. Ibidem.

fn8. Aldus leert een vergelijking van de cijfers van het DUMC met Monitor racisme en extreem-rechts. Vierde rapportage, J. van Donselaar en P.R. Rodrigues, Anne Frank Stichting/Departement Bestuurskunde Universiteit Leiden, Amsterdam/Leiden, 2001.

fn9. Een onfortuinlijke positie, discriminatie van moslima's in Nederland, G. Grubben, LBR, 2002.

fn10. Zie ook paragraaf Bijzondere scholen in hoofdstuk onderwijs.

fn11. Rapport Kerncijfers Discriminatie 2001, Klachten en Meldingen, een uitgave van de Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten en vergelijk hoofdstuk 1, paragraaf Vrijheid van meningsuiting.

fn12. Rapportages DUMC en EUMC, zie eerste noot bij paragraaf Anti-islamisme - gevolgen 11 september.

fn13. Overzicht antisemitische incidenten Nederland 2001 en voorlopig overzicht 2002, H. Hirschfeld (red), CIDI, Den Haag, 2002.

fn14. Inhoudelijk jaarverslag, Meldpuntdiscriminatie Internet, Amsterdam, 2002.

fn15. Allochtonen over Nederland(ers) in 2001: Onderzoek naar opvattingen van migrantengroepen in Nederland over de multiculturele samenleving, M. Hoogsteder, S.Schalk-Soekar en F. van de Vijver, Utrecht, NCB, 2001.

fn16. Fons van de Vijver, cultuurpsycholoog aan de Katholieke Universiteit Brabant in: Autochtonen en allochtonen groeien naar elkaar toe, J. Landman, Bijeen november 2001.

fn17. Kijk op en contacten met buitenlanders: immigratie, integratie en interactie, I. Esveldt en J. Traudes, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag, 2001.

fn18. Zie de paragraaf Anti-islamisme - gevolgen 11 september, in dit hoofdstuk.

fn19. Te wapen tegen enquêteterreur, W. Knapper, NRC Handelsblad 27 september 2001.

fn20. Zoals bijvoorbeeld wetenschapper Justus Veenman en de Rotterdamse wethouder Sjaak van der Tak doen volgens berichten in Rotterdams Dagblad, Vooruitzichten voor jeugdige allochtonen zijn gunstig en Veenman vindt Rotterdam helemaal niet multicultureel, Rotterdams Dagblad 5 juni 2002.

fn21. Kees Schuyt in column De multi-individuele samenleving, De Volkskrant 19 juni 2002.
</small>

<br/>
« Inleiding

p>. Media en beeldvorming »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 



 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: