mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Racisme in Nederland / Jaar in beeld 2001 / Inleiding

* Inleiding

Verscherping en paradox

Een grote, maar niet soepel verlopende, wereldconferentie tegen rassendiscriminatie in Durban en eenzijdige, agressieve, het wereldnieuws bepalende aanslagen in New York en Washington. September bepaalde hiermee het aanzien van de internationale verhoudingen in 2001. Deelnemers aan de wereldconferentie beleefden de aanslagen van 11 september welhaast als een vervolg op die conferentie, waar onverzoenlijke tegenstellingen over met name het Palestijns-Israëlisch conflict de toon zetten. En waar de westerse wereld, net als bij het andere hete hangijzer op de conferentie, het slavernijverleden, tegenover andere delen van de wereld stond, of leek te staan.
Zo weinig als er na september is geschreven over de resultaten en de invloed van de conferentie in Zuid-Afrika, zo veel gevolgen zijn er toegeschreven aan de aanslagen in de Verenigde Staten.
In Nederland was er na 11 september een duidelijke toename van anti-islamitische incidenten, maar ook een afname van het aantal incidenten binnen enkele maanden. Los van deze afname relateren publicisten en commentatoren veel veranderingen in het politieke en maatschappelijke klimaat aan de aanslagen van september. Maar waar velen 11 september zien als een breuk, als een begin of een einde van ontwikkelingen, ziet het LBR toch vooral de voortzetting van een eerder waargenomen, en bijvoorbeeld in de edities van 1999 en 2000 van Jaar in beeld beschreven, trend. Een trend van verscherping. Verscherping van de negatieve lading die het begrip multiculturele samenleving heeft, van ongeduld, angsten en frustraties onder burgers op dit punt, van gevoeligheid voor zaken gerelateerd aan de islam en van angst voor immigratie. Een verscherping van onvrede die, ondanks de wereldschokkende gebeurtenissen, ook paradoxaal te noemen is. Want er zijn veel signalen die wijzen op positieve ontwikkelingen op het gebied van integratie. De werkloosheid onder allochtonen is gedaald, veel kinderen en jongeren met een migrantenachtergrond doen het goed op school en over het belang van integratie en bijvoorbeeld het leren van de Nederlandse taal en het bestrijden van criminaliteit bestaat een brede consensus, onder autochtonen en allochtonen.
<br/>
Het imago van de multiculturele samenleving

In de jaarrapporten over 1999 en 2000 wees het LBR op de 'frustraties ten aanzien van tolerantie en de multiculturele samenleving' en 'de graagte waarmee publiek en media over aspecten van de multiculturele samenleving klagen'.
In de loop van 2001 werd duidelijk dat mensen die zich inzetten voor een positief imago van de multiculturele samenleving voor een verloren zaak strijden. Net als het woord allochtoon is de term multiculturele samenleving onherstelbaar beschadigd. Beiden worden zij geassocieerd met problemen, een associatie die niet meer weggenomen kan worden.
Aan het containerbegrip 'multiculturele samenleving' kleven vele bezwaren, zoals de onoverzichtelijk grote hoeveelheid definities die ervoor worden gehanteerd, de vaak statische opvatting van het begrip cultuur die er achter schuil gaat en het nogal eens overdrijven van het belang van iemands culturele of etnische afkomst. Om deze redenen is de teloorgang van deze term niet betreurenswaardig. De manier waarop 'de multiculturele samenleving' uit de gratie is geraakt, is echter wel een verlies voor iedereen die zich betrokken voelt bij het tegengaan van vooroordelen en rassendiscriminatie. Centrale elementen in dit proces waren immers de vaak gemakzuchtig koppeling van migranten en hun nakomelingen aan maatschappelijke problemen en de steeds duidelijker geformuleerde eis tot aanpassen aan de autochtone cultuur.

De versplintering van het multiculturele imago is de uitkomst van een langdurig maatschappelijk debat over de maatschappelijke positie van migranten en vluchtelingen.
In beschouwingen krijgen VVD-er Frits Bolkestein, PvdA-er Paul Scheffer en Leefbaar Nederland/LPF-er Pim Fortuyn regelmatig het compliment dat zij de inspirators van dit debat zijn en in ieder geval de integratie- en segregatieproblemen op de agenda hebben gezet. Alle drie zetten zij echter de toon door problemen uit te vergroten, positieve ontwikkelingen buiten beschouwing te laten en het niet voldoende formuleren van concrete, realiseerbare oplossingen. Problemen signaleren is echter niet genoeg. Ze moeten ook in de juiste context worden geplaatst en samengaan met een keuze voor alternatief beleid, anders wordt uiteindelijk slechts vervuiling van het klimaat bereikt. De xenofoob aandoende roep tot verregaande beperking van de komst van asielzoekers en migranten en de ontkenning van de globalisering van de wereld zijn onlosmakelijk verbonden aan dit, deels irrationele, debat. Maar het verslechterde bijvoorbeeld ook de positie van zwarte scholen, die hun leerlingen zien vertrekken door het slechte imago van zwarte scholen, ook wanneer zij zelf goede onderwijsresultaten behalen.
<br/>
Politieke ontwikkelingen

Op de vleugels van de onvrede over migranten en de angstgevoelens onder de bevolking na 11 september, groeide de populariteit van de nieuwe politicus Pim Fortuyn, die het nieuws zocht met pleidooien voor een totale immigratiestop en felle veroordelingen van de islam. Thema's die vooral in het begin van zijn campagne een grote rol speelden. Maar ook later associeerden kiezers hem vooral met het thema 'asielzoekers en vreemdelingen'.[1]
Fortuyn was niet van opportunisme gespeend en hij had een neus voor opvallende en populaire uitspraken. Hij heeft echter niet als gekozen politicus kunnen laten zien waar hij stond op het moment dat er werkelijk beleidskeuzes aan de orde zijn. Dat laatste zal door de moord op Fortuyn, op 6 mei 2002, nooit duidelijk worden. Deel van zijn erfenis lijkt wel de ontkenning dat Nederland immigratieland is en immigranten nodig heeft en een verder verminderd draagvlak voor de opvang van vluchtelingen. Politici en de publieke opinie zijn in dat opzicht door hem beïnvloed.

Enigszins paradoxaal, maar ook tot optimisme stemmend, is dat discussies en debatten met politici, zowel in direct contact als via de media, toch aanleiding zijn voor een positieve conclusie. Uit de gedachtewisselingen, de programma's en standpuntbepalingen van alle partijen blijkt zonder meer dat er kamerbrede steun is voor de bestrijding van rassendiscriminatie. Bij alle meningsverschillen - zoals over migratie, asielbeleid, angst voor de islam - die er bestaan, blijkt steeds dat het voor kamerleden van alle partijen vanzelfsprekend is dat beginselen als gelijkwaardigheid van mensen, non-discriminatie en humaniteit het uitgangspunt zijn voor debatten en van beleid. Antiracisme laat zich in Nederland niet in een bepaalde politieke hoek plaatsen. Alle partijen zien antidiscriminatie als een thema dat hen eigen is.
<br/>
Vrijheid van meningsuiting

'In politiek correct Nederland mag je niets zeggen' is in de loop van ongeveer 15 jaar uitgegroeid tot bijna een Geuzengezegde. Deze klacht maakte een carrière van de borreltafel en het buurthuis naar de columns en opiniepagina's in de media, met een beschuldigende vinger richting politiek links en antiracismeorganisaties.
In publicaties van de Anne Frank Stichting uit de jaren '80 wordt al geschreven over het gebruik in discussies van de stelling 'en als je er iets van zegt ben je meteen een racist' en wordt het advies gegeven 'reëel ervaren overlast' en 'asociaal gedrag van migranten' niet te 'ontkennen of goed te praten' en 'vooral niet te bagatelliseren'.[2] In die lijn, van benoemen wat er aan de hand is en stelling nemen wanneer het nodig is, ook wanneer het migranten betreft, liggen bijvoorbeeld de stellingname van antidiscriminatiebureaus en het LBR tegen de homovijandige uitspraken van imam El-Moumni en het toekennen van de Zilveren Zebra mediaprijs aan de tv-documentaire 'Angst voor de liefde' over islam en homoseksualiteit.
Desalniettemin klopt het dat racisme in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog een zwaar beladen term is, en is het voorstelbaar dat mensen het als verfrissend ervaren dat het debat van deze zware morele last is bevrijd. Het 'je mag hier niets zeggen' gezegde staat echter steeds verder af van de werkelijkheid. Mensen nemen privé geen blad voor de mond en ook in het maatschappelijk debat is alles bespreekbaar. In juridisch opzicht hoeft ook niemand zich belemmerd te voelen. De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de grondwet. Daar waar de vrijheid van meningsuiting op gespannen voet staat met bij voorbeeld het eveneens in de grondwet vastgelegde non-discriminatiebeginsel zijn de grenzen omschreven in artikel 137 c en d van het wetboek van strafrecht. In rechtszaken kiezen Nederlandse rechters, op een enkele veroordeling in de jaren negentig van de racistische politicus Janmaat na, voor een ruime bescherming van de vrijheid van meningsuiting.
Wat het LBR betreft is het de hoogste tijd dat wordt erkend dat het adagium van 'niets mogen zeggen' achterhaald is en schadelijke neveneffecten heeft. Het is slecht voor de sfeer waarin gesprekken verlopen, kan werken als excuus om het gesprek niet aan te gaan en leidt af van waar het werkelijk om moet gaan: knelpunten en oplossingen bespreken.

In 2001 waren er weer tal van aanleidingen voor felle debatten en tientallen bijeenkomsten over de vrijheid van meningsuiting. Imams die uitspraken deden over homoseksualiteit, allochtonen die 'begrip' hadden voor de aanslagen in New York en Washington, Pim Fortuyn die opriep tot een koude oorlog tegen de islam etc. Het is ook belangrijk dat mensen in het maatschappelijk debat worden gewezen op hun verantwoordelijkheid voor de gevolgen van hun uitspraken. Daar moeten debatdeelnemers elkaar op aanspreken en hoeft geen rechter aan te pas te komen. In extreme gevallen moet echter aan de rechter het recht voorbehouden blijven uitspraken aan de wet te toetsen. Niet op de eerste plaats omdat dat zo in Nederlandse en internationale wetgeving is vastgelegd. En ook niet om 'politieke correctheid' door een 'gedachtepolitie' op te laten leggen. Maar omdat, als we willen samenleven met anderen, we ook rekening moeten houden met hun gerechtvaardigde belangen. Zo'n belang is bijvoorbeeld dat de menselijke waardigheid van individuen niet wordt aangetast en dat mensen gevrijwaard blijven van aanzetten tot haat en oproepen tot geweld.

<br/>
<small>
Voetnoten:

fn1. Aldus onderzoek gepubliceerd in De Volkskrant 16-03-2002.

fn2. Vooroordelen veroordeeld: Feiten tegen vooroordelen over buitenlanders, J.E. Dubbelman, Anne Frank Stichting / Nederlands Centrum Buitenlanders, Amsterdam / Utrecht, 1984 en 1988. Feiten tegen vooroordelen, J.E. Dubbelman en L. Rouw (red), Anne Frank Stichting, Amsterdam, 1993.
</small>

<br/>
« Voorwoord

p>. Racisme: feiten, cijfers en de publieke opinie »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 



 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: