Racisme in Nederland / Jaar in beeld 2000 / De juridische..
Politie en Openbaar Ministerie
Justitie en politie zijn niet erg voortvarend in hun opsporings- en vervolgingsbeleid ten aanzien van discriminatie, dat is een conclusie die al geruime tijd geleden in Nederland is getrokken.[32] Daarnaast is gebleken dat mensen minder snel over discriminatie klagen dan over andere vormen van onrecht. Onder andere daardoor ontstaat onderrapportage.[33] Veel gevallen van racisme worden niet verder verteld dan in kleine kring, en aangiftes verzanden vaak in het politieapparaat, mede omdat discriminatie meestal geen trefwoord is in het computersysteem dat gehanteerd wordt door de politie.[34]
Om toch een actief beleid te ontwikkelen heeft de minister van justitie in de eerste helft van de jaren tachtig verschillende instructies in discriminatiezaken opgesteld voor de procureurs-generaal. Toch bleven het Openbaar Ministerie (OM) en de politie tekort schieten.[35] Op basis van internationale kritiek en naar aanleiding van verder onderzoek hebben de procureurs-generaal in 1993 een aangescherpte Richtlijn voor strafvordering discriminatiezaken uitgevaardigd, die herzien is in 1997 en 1999, terwijl daarnaast in 1999 een Aanwijzing discriminatie is verzonden, gericht aan OM en politie.
De Aanwijzing discriminatie zet het, in de Richtlijn van 1993 voorgestelde, strakke beleid voort: hoofdregel bij de opsporing is dat van alle aangiften en klachten betreffende discriminatie die bij de politie binnenkomen een procesverbaal wordt opgemaakt. Een strafrechtelijke reactie is vervolgens altijd onderdeel van vervolging. Het gaat dan om een dagvaarding of transactie, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van dagvaarding.
Op grond van deze beleidsvoornemens moet een effectiever opsporings- en vervolgingsbeleid plaatsvinden. Toch verloopt het proces in de praktijk nog bijzonder moeizaam. Aan de balie, waar aangifte moet worden gedaan, blijken de Aanwijzing en de Richtlijn nog vaak onbekend te zijn. Uit informatie van onder meer antidiscriminatiebureaus, door het hele land verspreid, blijkt dat het hierbij niet om incidenten gaat. Geklaagd wordt over lange wachttijden voordat mensen geholpen worden, sussende praatjes en opmerkingen als Zou u dat nu wel doen? en Daar kunnen we niets mee. Soms worden mensen weggestuurd, zoals in huisvestingskwesties waarbij verwezen werd naar de woningbouwvereniging. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het beleid, zoals uitgevaardigd door de procureurs-generaal, vaak niet wordt uitgevoerd.
In algemene zin spreken de antidiscriminatiebureaus wel van een goede samenwerking met de politie. Goede praktijkvoorbeelden zijn door ADBs vervaardigde formulieren die aan de politiebalie worden gebruikt wanneer zich discriminatiezaken voordoen. Met behulp van deze formulieren worden ook de betreffende ADBs bij de zaak betrokken.
Tegenover het mindere nieuws staat ook dat er goed overleg is tussen het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD), behorend bij het Arrondissementsparket Amsterdam, en het LBR. Het LECD bundelt kennis omtrent discriminatiezaken, in brede zin. Een aantal keren per jaar komen officieren van justitie via het LECD bijeen. In de regel een officier per arrondissement. Daar zijn er negentien van. Deze officieren hebben als werkterrein discriminatie in hun portefeuille en wisselen daarover regelmatig informatie uit.
Nieuws is dat in 2001 de oprichting wordt verwacht van een LECD voor de politie. Deze politie-LECD moet de politiekorpsen stimuleren, ondersteunen en professionaliseren. De nieuwe LECD zal namens de Raad van Hoofcommissarissen moeten zorgen voor de noodzakelijke implementatie van antidiscriminatiebeleid bij de Nederlandse politie door gebruik te maken van regionale contactambtenaren.[36]
Een LBR-medewerker werkte mee aan de Teleac cursus Leiding geven aan een Kleurrijk Korps die in 2000 is uitgezonden.
Wetsvoorstel verhoging strafmaat
In het jaar 2000 is een wetsvoorstel gedaan ter verhoging van de strafmaat bij structurele vormen van discriminatie. Het wetsvoorstel bevat een verdubbeling van de strafmaxima voor de artikelen 137c, d en e. Hierbij gaat het om belediging op grond van ras, om het aanzetten tot haat of discriminatie op grond van ras, of het openbaar maken van uitlatingen dan wel het verspreiden van voorwerpen die ditzelfde effect hebben. Aan iemand die zich hier regelmatig aan schuldig maakt kan, wanneer deze wetgeving van kracht wordt, een gevangenisstraf van twee in plaats van een jaar worden opgelegd. De boete is van 10.000,- omhoog gegaan naar 25.000,-.
Naar de mening van het LBR kan de verhoging van de strafmaat bijdragen tot het effectief bestrijden van discriminatie met juridische middelen en kan van de verhoging preventieve werking uitgaan. Stelselmatige en structurele discriminatie vergt een andere benadering dan incidentele discriminatie. Zij vormt een ernstige bedreiging voor de grondbeginselen van de rechtsstaat, zoals het gelijkheidsbeginsel. Daarom is het goed dat met de strafverhoging het signaal wordt afgegeven dat stelselmatige en structurele discriminatie als zwaarwegende misdrijven worden aangemerkt. Degene die zich daaraan schuldig maakt, moet dan ook naar rato worden bestraft.
Evaluatie AWGB
Bij de invoering van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) in 1994 werd bepaald dat de werking van de wet na vijf jaar geëvalueerd zou worden. Na overleg met de Commissie gelijke behandeling (CGB), kreeg de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit van Nijmegen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK), mede namens andere departementen de opdracht voor een onderzoek. Zowel de juridische als de rechtssociologische aspecten van de gelijke behandelingswetgeving werden in het onderzoek belicht. De eigenlijke evaluatie is door de Commissie zelf verricht. Haar bevindingen zijn neergelegd in een evaluatierapport dat aan de Minister van BZK is aangeboden.[37]
In het commentaar op de evaluatie van de AWGB dat in 2001 is uitgebracht, steunt het LBR het handhaven van een gesloten systeem van discriminatiegronden en van uitzonderingen op het wettelijk verbod tot het maken van onderscheid. Dat houdt in dat alle gronden waarop kan worden gediscrimineerd (zoals ras, etniciteit, sekse, seksuele voorkeur) in de wet staan vermeld. Dit bevordert de duidelijkheid en de rechtszekerheid. Verder pleit het LBR voor het verduidelijken van het begrip indirecte discriminatie en het opnemen in de wet van de criteria van objectieve rechtvaardiging voor indirecte discriminatie, die bepaalde vormen van ongelijke behandeling onder precies benoemde voorwaarden toestaan. Het LBR is ook van mening dat wetgeving die ouder is dan de AWGB zelf in de toekomst ook onder de AWGB moet vallen.
Hoewel de oordelen van de Commissie gelijke behandeling in het algemeen door de partijen goed worden opgevolgd, wordt een versterking van de oordelen bij rechterlijke toetsing aanbevolen. Rechters zouden slechts met een duidelijke motivering mogen afwijken van het oordeel van de Commissie en niet, zoals nu het geval is, het oordeel geheel buiten beschouwing mogen laten. Tenslotte ondersteunt het LBR het pleidooi van de Commissie om actiever te kunnen optreden en haar onderzoeksmogelijkheden te verruimen.
Vreemdelingenwet 2000
Het wetsvoorstel Vreemdelingenwet 2000 bevatte een bepaling die de met toezicht belaste ambtenaren, meestal agenten of leden van de marechaussee, de bevoegdheid geeft een persoon staande te houden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De oude Vreemdelingenwet, van 1965, sprak voor dezelfde bevoegdheid van concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf. De invoering van het begrip redelijk vermoeden leidt ertoe dat toezicht houdende ambtenaren meer vrijheid krijgenen bij de uitoefening van hun bevoegdheid. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat er een selectie zal plaatsvinden op basis van huidskleur of andere etnische kenmerken.
Om discriminerende handelingen bij het uitoefenen van het vreemdelingentoezicht te voorkomen heeft het LBR erop aangedrongen de formulering concrete aanwijzingen in de Vreemdelingenwet 2000 te behouden. Helaas is dit niet gebeurd en is in de huidige vreemdelingenwet in artikel 50 de nieuwe formulering feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren opgenomen.
Het vreemdelingenrecht vraagt blijvend om aandacht, mede vanwege diverse internationale ontwikkelingen.[38] Eind 2000 is een LBR-medewerker toegetreden tot de subgroep vreemdelingen- en vluchtelingenrecht van het Clara Wichmann Instituut. In de subcommissie non-discriminatierecht van de permanente commissie van Nederlandse deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen en strafrecht (de Commissie Meijers) zijn ontwikkelingen op Europees gebied besproken. De Commissie heeft onder andere commentaar en aanbevelingen opgesteld over de Europese richtlijn over ras en etnische afkomst. In de subcommissie vreemdelingenrecht, eveneens Commissie Meijers, zijn een groot aantal juridische ontwikkelingen, in diverse Europese landen, aan de orde geweest.
Advisering bij klachten door het LBR
Mensen met klachten over discriminatie worden in eerste instantie naar antidiscriminatiebureaus en meldpunten verwezen. Het LBR ondersteunt incidenteel klagers die daar niet terechtkunnen of wanneer het gaat om zaken waarmee landelijk aandacht kan worden gevestigd op structurele ongelijkheid. In de loop van het jaar 2000 zijn ongeveer 150 aanvragen omtrent klachten binnengekomen, van verschillende oorsprong en zeer uiteenlopende aard. In een aantal gevallen vroegen antidiscriminatiebureaus om nader advies, soms hadden particulieren klachten of vragen, of ging het om andere organisaties of instellingen, waaronder ook buitenlandse organisaties en ministeries. Voorbeelden van dergelijke juridische vragen zijn:
Een school geeft een leerling het advies om naar een school voor moeilijk lerende kinderen te gaan. De ouders hebben de indruk dat het kind niet goed beoordeeld is en weigeren dit advies op te volgen. Zij laten het kind op eigen kosten testen. Resultaat van de test: het kind heeft alleen een taalachterstand. Heeft de school genoeg gedaan om die achterstand weg te werken? Een klacht is ingediend bij het schoolbestuur en bij de geschillencommissie.
Een werkgever wil weten wat redelijk is indien een werknemer een gebedsruimte wil hebben en elke vrijdag vrij wil nemen om naar de moskee te gaan. Uitgangspunt geldt dat een werkgever een goed werkgever dient te zijn. Belangen van werkgever en werknemer worden per situatie tegen elkaar afgewogen. Indien het maar enigszins mogelijk is, dient aan het verzoek van de werknemer tegemoet te worden gekomen.
Een groep studenten klaagt over discriminatie door docenten. Inmiddels is er, in samenspraak met een antidiscriminatiebureau, een klacht bij de Commissie gelijke behandeling ingediend. Zendtijd voor het Nederlands Blok bij lokale omroep Utrecht in verband met gemeenteraadsverkiezingen. Zijn er mogelijkheden om de uitzendingen te verbieden? En de Gemeente Utrecht plakt affiches voor alle politieke partijen, ook voor Nederlands Blok, mag dat? De zendtijd is een eigen verantwoordelijkheid van de omroep, en de Mediawet niet van toepassing. Er is geen wettelijke basis tot het verbieden van de spotjes. Alleen als een partij ooit veroordeeld is o.g.v. 137c e.v. is er mogelijkheid tot verbod. Een plakverbod is alleen mogelijk als de inhoud van de affiche racistisch is.
Daarnaast is bij niet specifiek juridische beleidsondersteuningsvragen regelmatig juridische informatie of advies verstrekt. Een voorbeeld van hoe de voordelen - de beoogde kruisbestuiving - van de fusie tussen ADO, ARiC en LBR, nu twee jaar geleden, in de praktijk wordt gerealiseerd.
Het juridisch archief
Na de ingebruikname van het nieuwe kantoorgebouw, door de gefuseerde LBR, kwamen ook de documentatie, dossiers en archieven van de onderscheiden fusiepartners onder een dak. Een op zichzelf staand onderdeel vormde het zogenaamde 'juridische archief', een omvangrijke verzameling van zeer waardevolle informatie, bijeengebracht door achtereenvolgende medewerkers van het voormalige LBR te Utrecht.
Aangezien bij deze organisatie het accent lag op de bestrijding van rassendiscriminatie met juridische middelen heeft dit archief een specifiek karakter en kon het niet zonder meer in het LBR-documentatiecentrum worden opgenomen. Met een grote mate van gretigheid hebben de 'juristen uit Utrecht' namelijk vanaf 1985 informatie verzameld ten behoeve van hun onderzoeksrapporten, publicaties en adviezen op het gebied van wetgeving, alsmede gevoerde procedures tegen met name rechts-extremistische partijen en haar leden. Al deze, niet beschreven, informatie diende te worden gesystematiseerd teneinde de toegankelijkheid te vergroten. In 2000 is hiermee een begin gemaakt en het uiteindelijke resultaat zal worden vastgelegd in een aparte database. De doelstelling is te komen tot een juridisch archief ten behoeve van de juridische dienstverlening door het LBR. In de toekomst zal het, onder bepaalde voorwaarden, ook voor anderen mogelijk zijn hiervan gebruik te maken. Enkele voorbeelden van onderwerpen die terug te vinden zullen zijn in het juridisch archief:
Rechtspraak Rassendiscriminatie
In 2000 is een aanvang gemaakt met het realiseren van een bundel Rechtspraak Rassendiscriminatie, die eind 2001/begin 2002 moet uitkomen. In deze bundel worden uitspraken opgenomen, en geannoteerd, vanaf medio 1994 tot en met 2000, als aanvulling op de bundel Rechtspraak Rassendiscriminatie uit 1995.
De uitspraken betreffen voornamelijk rechterlijke uitspraken, uitspraken van de Commissie gelijke behandeling, de Nationale Ombudsman, de Reclame Code Commissie en de Raad voor de Journalistiek. Ook worden enkele uitspraken van internationale instanties opgenomen, zoals het Europese Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
<br/>
<small>
Voetnoten:
fn32. J. Naeyé, 'De richtlijn Discriminatiezaken', NJB 1994, p. 647-649.
fn33. J. van Donselaar, Monitor Racisme en Extreem Rechts, derde rapportage, Universiteit Leiden: 2000, p. 132-133.
fn34. Sussende praatjes vullen geen gaatjes. Afhandeling discriminatieklachten schiet tekort, Jacky W. Nieuwboer en Rinus Visser, in Zebra Magazine, 2, juni 2001
fn35. Pattipawae, C.F. en C.A. Tazelaar (red.), Met recht discriminatie bestrijden, Deventer: 1997, p.54.
fn36. Interview met Rinus Visser, politie Rotterdam-Rijnmond.
fn37. Commissie Gelijke Behandeling, Gelijke behandeling in beweging; evaluatie van vijf jaar Algemene wet gelijke behandeling, Utrecht 2000.
fn38. Zie het laatste hoofdstuk
</small>
<br/>
« Beeldvorming en discussies in de media
p>. Onderwijs »